De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen (om uit te deelen) onder de menschen; ja ook de wederhoorigen om (bij U) te wonen, o Héere God. Ps. 68:19.

Hemelvaart.

Een heerlijke zegezang is deze psalm van David. De vijand is onderworpen en nu wordt de arke des verbonds onder blij geschal, met gejuich en met geluid der bazuin, opgevoerd naar Sions Godgewijden top. Het was een feestelijke optocht. . De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. Daar ruischte de lofzang tot God om Hem te verheerlijken vanwege Zijn groote, machtige daden. Wat had de Heere Zijn volk menigmaal verlost! Hoe heerlijk was de bevrijding geweest uit Egypte, hoe wonderlijk was Israël geleid door de woestijn! En nu in Kanaàn gebracht, waar Jehovah den nederigen Sion verkoor tot de woonplaats Zijner eer. Rust verkregen van rondom.

Die verlossingen van ouds brengen den dichter, verlicht door den geest der profetie, tot de aanschouwing van de groote overwinning, die Jezus Christus, Davids Zoon en Heere, behalen zou over al. Zijn vijanden. Ongetwijfeld zien dan ook deze woorden van den psalmist op de hemelvaart van Christus. Dat is geen fantasie, want de Heilige Geest heeft dit ons zelf verklaard bij monde van Paulus, die in het vierde hoofdstuk van zijn brief aan de gerneente van Efeze ons de geestelijke beteekenis van dit tekstvers verduidelijkt.

„Gij zijt opgevaren in de hoogte." Dat wordt dus van den Heeré Jezus gezegd, die uit den hemel is nedergedaald tot in het diepste diep van smaad en vernedering, ja die wegzonk in grondeloozen modder om de zonde van hen, voor wie Hij zich stelde als Borg. Wat heeft Jezus niet moeten dulden om de Zijnen vrij te koopen van dood en doem ! Heel Zijn leven op aarde was lijden van de kribbe tot het kruis. Het was met Hem op den dood uitgeloopen. De vijand scheen gelijk te krijgen. Maar Zijn haters worden beschaamd. Op den derden dag verbreekt Jezus de kluisters van dood en graf en door de opstanding uit de dooden bewijst Hjj krachtelijk te zijn de Zone Gods. Veertig dagen gaan voorbij, waarin Hij door vele gewisse kenteekeuen zich aan Zijn discipelen openbaarde, hen sprekende van de dingen, die Gods Koninkrijk aangaan. Dat was noodig om ze te sterken in het geloof. De Heere weet het van Zijn jongeren

Hoe zwak van moed, hoe klein zij zijn van krachten En dat zij stof, van jongsaf, zijn geweest.

Daarom is Hij niet terstond na Zijn opstanding ten hemel gevaren. Eerst moesten ze worden ontmoet. En als dat geschied is, mag Jezus ook niet langer blijven op aarde, opdat zij niet te véél zouden hangen aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid.

Het is nu de bestemde tijd, de ure is gekomen, dat Jezus heengaat om voor Zijn volk plaats te bereiden. Zijn moeilijke taak is volbracht. Voleindigd was het werk, dat Hem gegeven was te doen. Nu zal Hij verheerlijkt worden met de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was. Daar gaat de Heiland met de elven naar den Olijfberg. Eeuwig gedenkwaardige plek! Was het niet daarheen, dat Hij zoo menigmaal Zijn schreden had gericht om er te vernachten als Hij des daags in den tempel geleerd had? Had Hij daar niet dikwerf het moede hoofd ter ruste gelegd aan des Vaders hart? Had Hij zich daar in het gebed niet gesterkt voor den zwaren strijd, dien Hij strijden moest? O wat waren er al geen herinneringen aan dat plekje verbonden! Het is niet te zeggen wat er in het hart van den Borg moet hebben omgegaan.

Aan den voet van dien berg, daar lag Gethsémané, waar het eens in Zijn ziele zoo donker was; maar nu zijn de schaduwen van den nacht voor goed verdwenen, wijl uit de verte reeds wenken de zalen van het eeuwige licht, waar de koningstroon op Zijn bestijgen wacht. Had Jezus in de woestijn dezer wereld niet waar Hij het hoofd op nederleggen kon, daarboven staan de poorten wijd open, daar rijzen de eeuwige deuren omhoog, opdat de Konnig der eere inga.

Doch vóórdat Hij Zijn zetel beklimt, onderhoudt Jezus Zich met Zijn discipelen, die Hij als Profeet onderwijst, als Koning beveelt, als Priester zegent. En als Hij nog met hen sprak en Zijn handen zegenend over hen uitbreidde, daar werd Hij opgenomen naar den hemel. Lang staren ze hun geliefden Meester na, maar vóór Hij als een stip verdwijnt, onderschept Hem een wolk, die Hem voor hun oog bedekt. Zoo werd vervuld, wat de Psalmist van den ouden dag had gezongen: „Gij zijt opgevaren in de hoogte." De eeuwig-levende ark, Jezus Christus, gaat naar 't hemelsch Sion. Ziet, daar grijpen de engelen naar hun gouden harpen, daar komen ze Hem jubelend tegemoet Gods wagenen tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid. En heel de hemel door bruist hun loflied ter eere van Hem, die Davids troon beklom. Heerlijke hemelvaart ! We zien Jezus met eer en heerlijkheid gekroond. Zonde, duivel, dood en verdoeme­nis, Jezus heeft ze als overwonnelingen aan Zijn zegewagen geketend meegevoerd. Dat is immers de zin van wat er verder staat : „ Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd."

Van God gevallen, zijn wij gekomen in de machten der verderfenis. Nooit hadden we door eigen kracht die banden kunnen slaken. Indien er geen ontferming was uitgegaan uit het Vaderharte Gods, geen enkel Adamskind zou ooit den hemel hebben kunnen ingaan. Immers we zijn gebonden en helaas! we voelen ons thuis in onze gevangenschap der 'zonde. En gesteld al, dat dit niet zoo was, wïe onzer zou in staat zijn die sterke muren van die gevangenis te verbreken ? Toch niet éen. Bovendien door de vijandschap van ons hart willen we ook niet. We kunnen het zelfs niet willen. Dood zijn we in misdaad èn zonde. Goddelijke almacht en genade is noodig ter verlossing. De Heere alleen kan de koperen deuren en ijzeren grendelen in stukken slaan.

Welnu, God heeft verlossing voor Zijn volk willen teweegbrengen. Jezus Christus is hun dood ingegaan. Aan het heilig recht des Heeren, waaronder zij eeuwig hadden moeten verzinken, is genoeggedaan. Den sterkgewapende is de buit ontnomen. Over alle vijand heeft - Jezus gezegevierd. De overheden en machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld en door het kruis over dezelve getriumfeerd. De zegepraal is volkomen. Daarvan strekt de hemelvaart ten bewijs. Des vijands kop is verslagen. Dat de hel siddere! Jezus is en blijft de eenige Overwinnaar, Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd. Voor wie, zoo vraagt ge wellicht? Wel, voor heel zijn duurgekochte gemeente. Voor allen die gekneld zich weten in banden van den dood, ook voor u, worstelende ziel, gebondene, die daar hoopt. Voor al het arme, machtelooze, verlorene in zichzelve is de poort ontsloten tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Immers Jezus leeft; Hij leeft, gekroond met glorie in den hemel der hemelen ten goede van de Zijnen.

Gaven heeft Hij genomen om uit te deelen onder de menschen. Den buit door Hem behaald schenkt Hij vrijwillig weg. En van geven wordt Hij niet minder. Uit Zijn Middelaarsvolheid stroomt genade voor genade. Hij heeft gaven genomen, niet om ze voor zichzelf te houden, niet om ze mee te deelen aan engelen, maar aan menschen, aan een alles verbeurd hebbend, ellendig zondaarsvolk.

Daarom is Jezus opgevaren in de hoogte, opdat Hij de rijkste zegeningen zou kunnen schenken. Tot Zijn discipelen had Hij gezegd : „Het is u nut, dat Ik weg ga, want indien Ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komen." Jezus moest eerst verheerlijkt worden. En dan zou komen de H. Geest, om met den rijkdom Zijner gaven de Kerke Gods in alle waarheid te leiden, haar te troosten en bij haar eeuwig te blijven. Wanneer Jezns niet was ingegaan in het hemelsch heiligdom, dan hadden de gaven des Geestes niet kunnen worden uitgestort. Maar nu, nu de Heiland in onze natuur ten hemel vaart, heeft Hij gaven genomen om uit te deelen'onder de menschen, ja ook de wederhoorigen om bij U te wonen, o Heere God. Dat is zeker wel het grootste wonder van ontferming: vijanden Gods worden door de kracht des Geestes veranderd in Zijn vrienden en gemaakt tot kinderen, die deelen in Zijn gunst.

Wederhoorigen ! Dat zijn wij van nature allen. Het bedenken van ons vleesch is niet anders dan vijandschap tegen God. We wandelen op het pad der goddeloozen, geen lust hebbend in de kennis van 's Heeren wegen. En nu roept de Heere wel, maar wij antwoorden niet, nu breidt Hij de handen der ontferming wel uit, maar wij merken het niet. We zijn wederhoorigen, wederspannigen, verlaters van Zijn Wet. Ach, dat we het verstonden. Het wordt zoo gemakkelijk uitgesproken vaak, bitter weinig echter doorleefd. De mensch gelooft het niet, dat hij zulk een wederhoorige is. Doch laat het licht des Geestes eens over de ziel opgaan. Dan zien we het, dan verstaan we het, wat een afwijkers wij zijn. Hoe we tegen God gezondigd hebben! Onszelf moedwillig gestort hebben in een verderf zóo diep, dat we er, naar onze schatting, nooit meer uitkomen. Waar Gods Geest ons belicht, daar wordt aanschouwd niet slechts dat we verloren zullen gaan, maar het reeds zijn. Laat dit dan ledig? Neen, het brengt aan 't roepen om genade en geen recht, om ontkoming, om redding.

Zelfbevrijding is onmogelijk dan. In een weg van bang benauwende zielservaring wordt dit geleerd. Dat harde hart. Wie is in staat het te breken? Die zware deuren van onze gevangenis. Wie kan ze openen? Staat deze dag u groote blijdschap, namelijk dat Jezus de gevangenis gevankelijk heeft gevoerd en gaven nam om uit te deelen — o hoort het toch — het staat er, ja het staat er met gulden letteren: aan een wederhoorig kroost.

Gaat het met u misschien langs een zwaren weg, waarop de angsten des doods u verschrikken, weet het dat er geen hemelvaart is zonder de hellevaart van ons zondig-boos eigen-zelf. Pijnlijk voor ons vleesch. Maar wat nood! Wie zijn leven verliest, die zal hetzelve vinden. En dan gaat het door het donker naar het licht, naar het eeuwige licht, „Om bij U te wonen, o Heere God!" Waar het Hoofd is; daar komen de leden. Plaats is er bereid door Jezus voor al de Zijnen. Hij zal ze tot zich trekken. Daar zal niemand achterblijven van het volk, dat Hij kocht met Zijn bloed. Hij wil ze in den hemel hebben. Uit zichzelf kwamen ze er nooit, want het zijn wederhoorigen, maar de Heere weet-het hart te buigen tot Zijn vreeze.

Is dat al bij u geschied? Hebt ge uzelf als een wederhoorig zondaar leeren kennen ? Als zulk een zult ge gezaligd moeten worden door de genade, die in Christus Jezus is. We zullen onszelf gezien moeten hebben in onze volstrekte verlorenheid voor God, opdat we uit de diepte van ellende leeren roepen tot Hem, die machtig is te verlossen. Zoo gij niet door God tot God bekeerd zijt, reken dan niet op een ingaan in, Zijn Koninkrijk. Zie wel toe, dat ge uzelf ook niet bedriegt voor een eeuwigheid. Meent ge, dat God aan uw. ziel zaligmakend werkzaam was, ga bij uzelf na of uw hoop wel op goede gronden rust. Stel daarvoor een nauwkeurig onderzoek in. Toets u telkens aan het onfeilbaar Woord van God.

Dat er veel gevraagd worde om ontdekkend licht, opdat ge moogt zien, waar het u om gaat, oüii den hemel alleen of om den Heere. Niets zal verschrikkelijker zijn, dan te meenen in te gaan en toch buiten geworpen te worden. Teveel uzelf keuren, kunt ge nooit. Het wordt veel te weinig gedaan. De oprechte evenwel is bang voor zelfbedrog. Wanneer hij ziet op zooveel inwonende zonde, op zooveel afzwerven, dan kan vreeze hem bevangen'. Het zal hem bij vernieuwing doen vluchten naar God in Christus. En dan vaart de ziel op. het stof van haar vleugelen schuddend, als Jezus zich aan haar vertegenwoordigt met Zijn verzoenend bloed.

Kent gij daar iets van? Indien niet, dan staat het er droef met u bij. Ge zijt in gevaar uw ziel voor eeuwig te verderven. Bij Jezus is ontkoming. Hij wil zich wegschenken aan wederhoorigen. Naar Hem dan heen, haastelijk. Straks valt de beslissing, de eeuwige beslissing. Het is binnen óf buiten. Het is hemelvaart óf eeuwige rampzalige hellevaart. Wat zal het zijn voor u?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's