Voor Jong en Oud.
Een moede zwerver.
9) {Auteursrecht voorbehouden.)
Nebur had zijn klasse tusschen twee Calvinisten in. Dezen hadden wel eenigen eerbied voor het ritselend zieleleven van hun collega, maar overigens lieten ze zijn Saulus-natuur maar razen.
„Als God doorwerkt in uw hart en hoofd, zult ge nog eens het Calvinisme aanhangen, en belijden. Een godzalig Calvinist is een dubbele zegen!" voegde een hunner hem toe.
„Daarvoor beware mij de Hemel!" was zijn scherp antwoord.
Intusschen genoten zijn collega's rechts en links van hem, van de gezellige drukte, die in zijn klasse heerschte. Soms was die drukte al te gezellig, en sloeg ze over in luidruchtigheid, die hun stem onhoorbaar maakte en hun kalmen arbeid, onmooglijk. De ure der Bijbelles ging steeds kalm voorbij, de leerlingen luisterden allen naar hem; zij gevoelden dat zijn hart klopte voor Jezus en Zijn dienst. Maar als het reken-of taalboek voor den dag gehaald werd, begon een gegons, een rumoer, dat groeide en zijn werk deed verongelukken.
Zijn patroon sloeg dat tooneel met spanning gade. Hij greep niet gaarne in, en 't zou hem spijten Nebur onbruikbaar te verklaren. Maar zoo kon het ook niet langer. Nebur zag het somber-betrokken oog van zijn hoofd, de man was misnoegd, en hij had er reden voor. Onheilspellend dreigde de naaste toekomst voor hem, en dat terwijl hij spoedig in het huwelijk wenschte te treden. Daar moest verandering komen; was er bij God geen hulp in de benauwdheid? En God zou verandering geven.
Weer was de Bijbel gesloten, het Woord des Heeren was aan de conscientie der kinderen gelegd. Was er enkel bij den weg gezaaid, en niets in de goede aarde? Hij twijfelde, maar liet den zegen aan God over. Hij had een uur gesproken en 't was, of de leerlingen nu 't woord verlangden. Een half uur later stond de onderwijzer te midden van een rumoer, dat vernietigend op hem werkte, 't Was niet vol te houden, op die manier. Nebur gaat voor zijn klasse staan, en vouwt de handen.
„Jongens! — zegt hij — we gaan bidden." Nog eenige minuten gaan voorbij, eer allen 't verstaan of begrepen hebben. Voor dat ongewoon verschijnsel zwijgen ze, de levenmakers. En straks onder ademlooze stilte stijgt eeri gebed tot God, waarin de kinderen worden aangeklaagd wegens hun rumoer en wanorde, en van Zijn Almacht orde gevraagd wordt voor den schoolarbeid.
Het resultaat was verrassend. Dien dag, die week en nog vele weken was de jeugd handelbaar. Maar weldra begon de storm weer zachtjes aan op te steken.
Zijn collega-links achtte zich geroepen met Nebur een ernstig woord te wisselen.
„Amice, wat kan toch oorzaak zijn van wanorde in de klasse? "
Nebur wilde zeggen: dat ligt aan de leerlingen, doch hij durfde niet, want links en rechts van hem heerschte een goede orde. Hij weifelde en antwoordde: „Ik zoek de oorzaak in mij!"
„Zoekt ge? Welnu, 'k ben uw collega, en wil u een goeden raad geven. Onlangs hebt gij onder schooltijd gebeden, dat vind ik inderdaad God verzoeken. Als wij om negen uur 's Heeren bijstand inroepen op alle terrein van ons schoolwerk, dan is de kracht van dat gebed om klokke half elf niet geweken, 'k Vrees, dat gij er over peinst, dat binnenkort te herhalen, 't Zou mij spijten als ik dat zag, en daarom een goeden raad. Êen Calvinist zoekt de osrzaak van de ellende in zichzelf. Onze tucht kan te zwak zijn, Wij kunnen ook te veel waarschuwen en te lang dreigen. Wees strenger en zorg, dat gij u steeds bij uw werk voorbereidt."
Nebur dacht na; vooral over zijn slappe tucht. „God straft ons, maar naar onze zonden niet", had hij meermalen' bij zichzelven gezegd, en in zijn optreden was hij dan ook meer barmhartig dan rechtvaardig.
Wat baatte hem nu die paedagogische wijsheid., welke hij uit de leerboeken had geput? Hij was een zwakkeling in de praktijk. Gelukkig was hij zich daarvan bewust, en krachtig geholpen door zijn patroon, mocht hij aanvankelijk betering waarnemen en eindelijk zegevieren Vooral toen die oude klasse na Paschen vertrok, en hij een geordend kinderpubliek uit de handen van een collega ontving. Weldra behoorde Nebur dan ook tot de matig-bruikbare onderwijzers. Daarmee viel er een zonnestraal meer op zijn levensweg,
Intusschen was Nebur in het huwelijk getreden. Hij had een lieve woning gehuurd Onder de Linden; daar in een vriendelijke omgeving zou zijn Mina haar huis kunnen bouwen. Ze was een verstandige, godvreezende vrouw. Geen wonder dan ook, dat het leven van Nebur zonnig was. Het inkomen was wel niet groot, maar toch voldoende voor hen. En met eenig geduld zou zij door het maken van costumes een nieuwe bron van inkomsten weten te scheppen.
(wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's