De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allerlei.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allerlei.

5 minuten leestijd

De vogelen kwamen en aten datzelve op.

Iemand ging op een Zondagmorgen naar de kerk en was zeer verwonderd, Satan ook daarheen te zien gaan. „ Wat doet gij daar ? " vraagt hij verbaasd.

„Waarom", zoo luidde het antwoord, „zou ik er ook niet bij mogen zijn, als men tegen mij bidt en preekt. Wie zou me verdedigen, als ik het zelf niet doe? "

„En hoe doet ge dat dan ? " vraagde de kerkganger.

„O, daar heb ik duizend middelen en wegen voor. Allereerst zorg ik, dat ik des Zondagsmorgens vroeg in de huizen ben, waar de menschen zich klaar maken voor de kerk. En ik zeg u: een kleine twist of een weerbarstig, al te stijf - boord-, een afgesprongen knoop, een verloren handschoen — dat zijn allemaal dingen, die mij pleizier doen. Zoo krijg ik de lieden het best in de stemming waarin ik ze voor mijn doel gaarne hebben wil.

Voor hen echter, die in kalme stemming ter kerk komen, heb ik nog andere middelen bij de hand. Ziet ge dat meisje daar? Ik behoef slechts haar opmerkzaamheid op de hoeden en mantels van haar buren te vestigen en haar aandacht is in beslag genomen, zoodat de preek haar over 't hoofd gaat.

Hier ziet gij eenige jonge heeren. Let op, of ze niet den ganschen kerktijd oog en hart op enkele meisjes gericht houden. Ook zal ik er voor zorgen, dat ze zich aan een onjuiste uitdrukking of aan een taalfout van den prediker ergeren, en als ze uit de kerk gaan, weten ze maar één ding, n.l. dat de dominee vandaag heel zwakjes gepreekt heeft.

Ginds is een kleine, bleeke dame, die nergens banger voor is, dan voor tocht in de kerk; voor verkoudheid is ze verschrikkelijk benauwd. Ik zal haar wijsmaken dat het trekt en ze zal onder de gansche prediking aan niets anders denken dan aan den tocht.

Die beide handwerkslieden daar beneden zullen gedurende den geheelen kerkdienst hun gedachten niet los krijgen van de twee berichten, die zij kort te voren in de krant gelezen hebben.

Meer naar achteren zit een goede moeder en zij denkt aan haar kleinen, die thuis zijn; ik zal er haar onrustig over maken, of haar jongste schatje onder de kerk niet uit zijn wieg zal vallen, omdat zij, vóór ze wegging, het kindermeisje niet nog eens nadrukkelijk bevolen heeft, alle mogelijke voorzorg te nemen.

En zie, daar zijn een paar heel fatsoenlijke burgermenschen! Met hen heb ik het het gemakkelijkst. Ik maak hun wijs, dat de prediker bij de zonden, waartegen hij in 't bijzonder waarschuwt, den een of ander van hun bekenden op 't oog heeft. Dan denkt mijnheer Smit aan mijnheer Jansen, en mijnheer Jansen aan mijnheer Smit, en beiden komen voldaan uit de kerk.

Kan ik echter op deze manier een kerkganger niet te pakken krijgen, dan probeer ik onder 't naar huis gaan mij van hem meester te maken. Ik zie het namelijk graag, dat de menschen, zoodra ze uit de kerk komen, visites maken, omdat daar gewoonlijk van zaken gesproken wordt, waardoor het in de kerk gehoorde gelukkig weggespoeld wordt.".

Op deze manier heeft de verleider een en ander aan dien man verteld en heeft hem toen de belofte willen afvragen, dat hij er geen melding van maken zou. Maar deze heeft het aan de andere kerkgangers, tot hun leering en waarschuwing, oververteld.

Kleine lichten.

Kleine lichten. Iemand, die vele jaren dienst gedaan heeft als wachter op een vuurtoren, klom eens de honderden treden van zijn toren op. In de rechterhand had hij een spaarzamelijk brandend lampje en aan de linker zijn kleinen jongen, die voor den eersten keer met vader mee naar boven mocht.

„Vader", liet zich op eenmaal een zwak stemmetje hooren, „wat gaan wij daarboven doen? "

„Wij zullen de schepelingen op de donkere zee, die nu niet zien kunnen, waar de klippen en zandbanken voor onze kust liggen, bijlichten, opdat zij veilig de haven kunnen bereiken", was het antwoord.

Maar het zoontje bleef verwonderd op de bovenste trede staan en liep op verachtelijken toon: „Wilt u met dit kleine lampje heelemaal op zee bijlichten? Maar dat is toch maar een erbarmelijk klein licht? "

„Niettegenstaande het licht maar klein is", sprak de vader, „zal het toch zijn plicht vervullen. Hier heb je de groote lamp. Als ik de kleine niet meegebracht had, waarmee zou ik dan de groote aansteken ? En kijk nu eens hoe ver de stralen der groote lamp over de zee schieten en velen tot redding kunnen verstrekken.

Maar veracht nu ook dat kleine vlammetje niet, dat heeft zijn taak verricht door het groote licht aan te steken. Als de Heere jou bestemd heeft, öm maar een klein licht in de wereld te zijn, wees jij dan maar met dit weinige getrouw en wees er mede tevreden. Het zal wellicht menigeen, die in duisternis wandelt, tot vreugde verstrekken, als hij op zijn donkeren weg een lichtje vindt, ook al is het nog zoo klein, en dat kleine licht geeft misschien schijnsel genoeg om hem het pad te toonen tot de volle klaarheid die hij noodig heeft."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Allerlei.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's