De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

Het eedsvraagstuk.

Tot de vraagstukken van principieelen aard, die in den laatsten tijd bijzonderlijk op den voorgrond treden, behoort ongetwijfeld dat betreffende den „Eed."

Eigenlijk kan er van een eedsquaestie geen sprake zijn, ten minste niet voor hen, die in Gods Woord de lijnen zien aangegeven, naar welke het staatkundig leven zich heeft te richten. Immers de Heilige Schrift spreekt overduidelijk van de instelling van den eed, van het heilige der eedzwering en van een recht der Overheid om ter verkrijging van de waarheid, het afleggen van den eed te vorderen. De eedzwering is naar luid van den Heidelbergschen Catechisums in Gods Woord gegrond.

Intusschen zou het blijk geven van den tegenwoordigen tijd niet te kennen, als men beweerde, dat er geen eedsvraagstuk bestond, en dat terwijl men dagelijks kan waarnemen, hoe het aantal menschen toeneemt, die tegen het afleggen van den eed conscientie-of gemoedsbezwaren hebben. Zelfs gaat men van de zijde der bezwaarden tegen den eed zoover, dat men om afschaffing van den eed vraagt, met de daarvoor in de plaats stelling van de belofte.

Nog dezer dagen — en wel bij gelegenheid van de behandeling van het bekende  eedswetje — werd voor die afschaffing het pleit gevoerd.

Men kent de aanleiding tot de indiening van dit wetsvoorstel. Die aanleiding lag in een arrest van den Hoogen Raad, waarin aan een der artikelen van het wetboek van strafvordering eene uitlegging was gegeven geheel in strijd met de bedoeling van den wetgever. Door dit arrest kwam de eed op losse schroeven te staan.

De vraag deed zich nu voor, in welken zin de moeilijkheid, die thans gerezen was, zou opgelost worden. Zou er eene tijdelijke voorziening — een noodmaatregel — getroffen worden of wel zou het vraagstuk in principieelen zin genomen tot oplossing worden gebracht? De regeering koos feitelijk den laatsten weg en deed dit op een wijze, die hen, die groote waarde aan den eed hechtten, niet kon bevredigen. In het voorloopig verslag werd er op gewezen, hoe doof aanneming van het regeeringsvoorstel een eerste stap gezet werd op den weg naar geheele afschaffing van den eed, waarin men, gelijk men zich in dit staatsstuk uitdrukte, een openlijke Godsvereering, althans Godserkenning zag.

Nu strekt het de Regeering tot eer dat zij, kennis genomen hebbende van de bezwaren, die tegen haar voorstel rezen, van hare oorspronkelijke regeling terugkwam, en in eene gewijzigde wetsvoordracht eene regeling ontwierp, die, als noodmaatregel voorgesteld, thans alleen bedoelde om in de leemte te voorzien, die zich door het arrest van den Hoogen Raad had geopenbaard. .Want het was hier geen vrees voor eene algeheele oplossing van het eedsvraagstuk, die de tegenstanders van het eerste ontwerp der regeering deed terugschrikken — de oplossing in generalen zin genomen zal er toch éénmaal moeten komen, maar waartegen men opkwam was dit, dat men niet wilde dat over een zoo uiterst gewichtig vraagstuk als dat van den eed, en dat terwijl de materie nog maar gedeeltelijk onder de oogen werd gezien zoo maar zonder behoorlijke voorbereiding en zonder ernstige principieele gedachtenwisseling zou worden beslist.

Jammer dat de geheele rechterzijde tegenover de linkerzijde zich met de tegemoetkomende houding van de regeering niet ingenomen verklaarde, en het was zeker een pijnlijk oogenblik, toen de leider der Christelijk-Historische partij in de Kamer, de heer de Savornin Lohman, zijn afwijkende meening met de rechterzijde ten opzichte van het eedsvraagstuk deed hooren.

„Waarom heeft de Minister", zoo vroeg de afgevaardigde van Goes, „nu hij toch eenmaal aan de zaak was begonnen, zijn oorspronkelijk plan laten varen? Hij was op den goeden weg, en had nog maar een klein stapje verder behoeven te gaan, dan had hij, zonder zoover te gaan alszij, die den geheelen eed willen afschaffen, velen bevredigd, en had hij een weg betreden, die misschien tot die afschaffing zou leiden, zou dat niet zoo verschrikkelijk zijn."

De heer Lohman pleitte voorts voor vrijheid van hen die tegen het afleggen van den eed gemoeds-en conscientiebezwaren hebben.

Sprak de afgevaardigde uit Goes hier voor zich zelf of namens de geheele Christelijk-Historische fractie? Uit het redeverband, waarin hij sprak, zouden wij dit haast moeten opmaken. Intusschen wij gelooven het niet. Zeker weten wij het van de confessioneele groep uit de Unie, die zich op de meest besliste wijze voor het algeheele behoud van den eed hebben uitgelaten.

Maar behoorde dan toch op het punt van het eedsvraagstuk de geheele rechterzijde niet één lijn te trekken?

Het resultaat, waartoe de discussiën in de Kamer geleid hebben, geven we den volgenden keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juni 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's