De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van den 1en Bondsdag,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van den 1en Bondsdag,

15 minuten leestijd

Verslag van den 1en Bondsdag van den Bond van Nederlandsch Hervormde Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag, op Maandag 5 Juni te Zeist.

Het was een schoone, maar warme dag die de vorige week vele jongelingen van Gereformeerden huize uit verschillende oorden van ons Vaderland te Zeist tezamenbracht.

Toen we 's morgens ongeveer 10 uur voor het vergaderlokaal in de Kerklaan kwamen, waren daar reeds een aantal jongelingen bijeen uit Huizen, Vinkeveen, Veenendaal, Waddingsveen, Muiden, Ameide, Delfshaven, Wilnis, Benschop, Zegveld, Sprang, Oud-Beierland, Leerdam, Leerbroek, Zeist en Montfoort.

De Bondsvoorzitter, Ds. van Grieken van Delft opende weldra de vergadering met het doen zingen van Psalm 118 : 8 en 12, het voorlezen van Hebreen 12:1—15 en gebed.

In zijn welkomstwoord dat hij hierna tot de vergadering richt, wijst de Voorzitter in de eerste plaats op de goedheid Gods, waardoor we aan deze plaats zijn samengekomen. Hierna spreekt hij een woord van dank tot de vrienden te Zeist voor de bemoeiingen die zij gehad hebben om ons aan deze plaats te ontvangen.

Als openingswoord wil Spreker iets mededeelen uit den vervolgingstijd der eerste Christenen. Misschien klinkt dat vreemd, daar men waarschijnlijk verwacht had iets te hooren over organisatie, samenbinding, voortvaren of iets dergelijks, maar hij verzoekt het oordeel hierover nog wat op te schorten.

De Christelijke Kerk, zegt Spr. is in druk geboren en onder veel strijd is zij voortgeschreden op haren weg. Wel is het Woord van den Heiland in haar vervuld: „In de wereld zult gij verdrukking hebben." Iets van die vervolgingen wil Spr. in herinnering roepen, en wel die vervolgingen die in den tijd der Romoinsche' Keizers hebben plaats gehad. Hij wil niet zoozeer spreken over de vervolging onder Nero; deze toch was een dwaas, die de Christenen verbrand heeft, zooals een idioot zijns vaders huis in brand steekt en bij dien brand staat te lachen, 't Was een narrenspel, waarbij het volk een poosje in de handen klapte, om zich evenwel spoedig van den Keizer en de martelingen der Christenen af te keeren. Men verstootte den dwazen Keizer en men lachte wat om de Christenen, zooals men Jezus voor Pilatus had uitgelachen. Iemand uit die dagen heeft een prent gemaakt, waarop enkele Christenen voorkomen, die bezig zijn voor een ezelskop te knielen. Op de muren van Pompeï heeft men die figurengroep gevonden.' Zóo beschouwde men de Christenen! Langzamerhand echter begon dat anders te worden en vooral dient de aandacht gewijd aan de vervolging onder de keizers Marcus Aurelius (161—180) en Decius (249— 251). Vooral de eerste was een man die zijn volk lief had en wien de vervolging der Christenen daarom ernst was, omdat hij begreep, dat de natie ten .gronde moest gaan wanneer zij godsdienstloos was. Voor deze godsdienstloosheid nu gaf hij den Christenen die geen zichtbare goden hadden, de schuld en vandaar dat hij door uitroeiing der Christenen den ondergang van zijn volk wilde verhoeden. De Christenen waren atheïsten in zijn oog. En zij waren de oorzaak, dat het Romeinsche volk hoe langs hoe minder eerbied betoonde voor den Staatsgodsdienst. Daarom moesten zij worden uitgeroeid. Want de godsdienst is het voornaamste element van het volksleven.  Als de godsdienst weg is, is ook het gezag weg. Men heeft dan geen eerbied meer voor kroon en troon. En politie noch soldaten kunnen dan vergoeden wat in den godsdienst verloren ging. Daarom moest dit zuurdeeg der Christenen weg uit het volksleven. Wie dan ook publiek Christen was werd vogelvrij verklaard: En zoo zijn er velen — ook om anderen te waarschuwen -, op de schrikkelijkste wijze vermoord of doodgemarteld. O.a. Polycarpus, bisschop van Smyrna, de apologeet Justinus Martyr, evenals de bisschop Pothinus, een slavin Blandina en de  15 jarige Ponticus. In de dagen van Decius waren de Christenen vooral tot organisatie, tot gemeentevorming gekomen, 't Werd een leger met aanvoerders, een schare met leidslieden. Er kwamen zooveel bisschoppen en ouderlingen; en vandaar dat in die dagen allereerst de bisschoppen, de ouderlingen en diakenen gegrepen werden. Zij werden overal opgespoord. Op hun hoofd werd een prijs gesteld. Wanneer een bisschop gedood werd, was dat den Keizer meer waard dan dat honderd gemeenteleden werden gevangen. Men begreep dat er juist in die organisatie der Christenen kracht gelegen was. En nu wilde men die organisatie uit elkander slaan.

Deze beide denkbeelden nu brengt spreker over op onzen tegenwoordigen tijd. Wij gelooven, zoo zegt hij, evenals de Romeinsche Keizers dat een volk verloren gaat, als de godsdienst weg is èn dat wij sterk staan juist door onze organisatie. In dit verband roept hij dan ook de jongelingen op, zich te vereenigen en in hun organisatie een dam op te werpen tegen den wassenden stroom van on-en bijgeloof, waarin ook óns volk dreigt ten onder te gaan. En al zijn we dan klein, indien onze hulpe maar staan mag niet in den naam van een mensch maar in den Naam van Hem die hemel en aarde geschapen heeft. en die de werken Zijner handen niet varen laat, dan geen nood!

Na dit openingswoord wordt het woord gegeven aan den Secretaris tot voorlezing van de notulen van de vergadering van 4 Januari 1.1., die ongewijzigd worden goedgekeurd.

Hierna brengt de Penningmeester verslag uit van den Staat der kas, uit welk verslag blijkt dat er een batig saldo is van f42, 475. Een Commissie wordt benoemd tot nazien van deze rekening en verantwoording bestaande uit de afgevaardigden Van Huis te Zeist, de Boer van Ameide en Benschop van Benschop.

Thans is aan de orde het voorstel van de vereenigingen Leerbroek en Zeist tot aanschaffing van een Bondsinsigne; Verschillende "afgevaardigden voeren hierover het woord. Sommigen vinden zulk een insigne wenschelijk als herkenningsteeken, anderen meenen dat er wel andere dingen meer noodzakelijk zijn. Ten slotte wordt het voorstel in stemming gebracht met 31 tegen 18 stemmen aangenomen. Besloten wordt verder dat aan het Bestuur zal overgelaten worden over den vorm en over het symbool te beslissen.

Ook over de plaats waar de volgende Bondsdag gehouden zal worden blijkt men eerst niet eenstemmig te zijn. Als plaats van vergadering worden genoemd: Veenendaal, Huizen, Delft en Leerdam. Bij stemming verkrijgt echter Veenendaal 40 en Huizen 9 stemmen, zoodat besloten wordt dat een volgend jaar weer op 2en Pinksterdag Veenendaal de eer zal hebben den Bond als gast te ontvangen.

Nadat nu gezongen is Psalm 65 : 1 is het woord aan den heer Blanken van Muiden tot het houden van een, zooals hij het zelf noemde, proeve van Bijbelbespreking. Hij doet dit naar aanleiding van Lukas 5 : 1—11. Na eerst gewezen te hebben op het verband van de geschiedenis die ons daar verhaald wordt, staat hij stil bij de groote menigte die daar was komen luisteren naar het Woord des Heeren. Hij wijst verder op de groote onge- riefelijkheden waarmee deze prediking gepaard ging, bepaalt er ons bij dat het geschiedde op een werkdag en dat het zoo ook thans nog goed is om in het midden van onzen dagelijkschen arbeid ons te stellen onder de prediking des Woords. Daarna staat hij er bij stil hoe de discipelen deden wat Christus hun beval, hoe Christus regeert over alles wat op de aarde is, hoe Hij zijn Woord dat Hij heeft gesproken, bevestigt, hoe Petrus voor het geven van zijn boot rijkelijk wordt beloond, en hoe er geen visch verloren ging, om dan ten slotte er op te wijzen hoe de belijdenis van Petrus: ik ben een zondig mensch" ook onze belijdenis zal moeten zijn.

Nadat de Voorzitter den Spreker heeft dank gezegd voor zijn woord, wordt op voorstel van een der leden, uit het midden der vergadering, nog besloten dat in de middagsamenkomst die in de open lucht in het Zeisterbosch zal plaats hebben een collecte gehouden zal worden, die, na aftrek voor de noodzakelijke onkosten, voor het Leerstoelfonds van den Gereformeerden Bond zal worden bestemd. Gezongen wordt thans nog Psalm 72:7, waarna op verzoek van den Voorzitter de morgenvergadering door Ds. Jongebreur met dankzegging gesloten wordt.

Tegen 2 uur in den middag waren wij bijeen in een gedeelte van het Zeisterbosch, een plaats die aan onze vrienden uit Zeist nog ter elfder ure voor deze gelegenheid was afgestaan door Mevrouw Pauw van Wieldrecht.

Deze bijeenkomst werd geopend door Ds. Jongebreur met het zingen van Psalm 119 : 3 en 5 en gebed. Hierna wordt door hem den aanwezigen een welkom toegeroepen en spreekt hij een woord ter inleiding naar aanleiding van het feit waaraan de Pinksterdag ons heeft herinnerd. Hij doet uitkomen hoe de uitstorting des Heiligen Geestes ook voor de jongelingen van beteekenis is, waar immers Joel reeds had voorspeld: Uwe jongelingen zullen gezichten zien." Dit woord geeft hem aanleiding om te wijzen op de twee Geesten die elkaar hier bekampen in onverzoenlijken strijd nl..op den geest dezer wereld en den Geest die uit God is. Hij bepaalt de jongelingen bij] de machtige worsteling die juist in hun levenstijd tusschen den geest dezer wereld en den Geest die uit God is wordt doorgemaakt en eindigt met den wensch dat vele jongelingen zich door den Geest uit God zullen aangegrepen gevoelen om mede een dam op te werpen tegen den wassenden stroom van on-en bijgeloof die inzonderheid in onze dagen ons gansche leven met verwoesting bedreigt.

Hierna wordt het woord gegeven aan Ds. Remme van Rijssen die na het doen zingen van Psalm 25 : 3 een woord van opwekking spreekt waarvan hier een kort uittreksel volgt:

Meer dan ooit, zegt Spr. klemt in onze dagen de vraag van den Psalmdichter: waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden. De tijden waarin de hoogste wijsheid . scheen om te zingen van een leven, dat genoeglijk voortrolt in stillen vree, zijn voorbij. De gang van 't moderne leven duldt niet dat gij u houdt buiten den maalstroom der levensvragen en moeilijkheden. De dagen waarin kennisname van dieper liggende vragen privilege der hoogere standen geacht werd behooren tot het verledene. Ook de jongeling heeft zich rekenschap te geven van allerlei vraagstukken waarmede hij als overstelpt wordt. De bron waaruit de jongeling het licht verwachten kan is het Woord van God, daarom zal Spreker zijn gedachten aan dat Woord vastleggen en zal hij spreken over 1 Koningen 8 : 7b en 9a. „Ik ben 'een klein jongeling, ik weet niet uit noch in te gaan. Geef dan, Heere, uwen knecht een verstandig hart."

Tegen machtige vijanden, gaat hij voort, zult gij Christelijke Jongelingen in 't strijdperk moeten treden ; tegen een geweldigen stroom van ongeloof en godverzaking zult mede den dam moeten opwerpen; door velerlei gevaren en aanvechtingen zult gij uw pad moeten kiezen. Gij leeft in dagen waarin het o zoo moeielijk is jongeling en Christen te zijn. In eigen kracht zult gij het ook niet vermogen, want uwe sterkte is enkel ijdelheid. Gij moet leeren hoe zwak gij zijt, opdat gij u zelf niet zult overschatten. Dat is inzonderheid in uwe dagen, waarin het optimisme der jonkheid noch voorzit een harde les. Toch is het noodig, zult gij niet op den zandgrond uwer sterkte bouwen, te te leeren wat Salomo verstond n.l. dat hij een klein jongeling was die niet wist uit noch in te gaan. Welk een ootmoed bij Israels koning wiens levenspad door de blijde zon des voorspoeds beschenen werd. Ik weet niet, wil Salomo zeggen, hoe ik de dingen zal aanpakken, 't Is te groot, Heere, waartoe Gij mij roept. Zijne verwachting echter was op den Heere Zijn God. En als dat zoo is, dan kan het wezen: als ik zwak ben, dan ben ik machtig, als ik klein ben, dan ben ik groot. De ware grootheid begint dus met klein te zijn, voor God. Ook de historie van ons Vaderland leert dat. Voor veld-of zeeslag aanving, kondt ge een Maurits, een Tromp en de Ruiter zien nederknielen om met terzijdestelling van al het hunne den zegen af te smeeken van den Machtige Jacobs alleen. En aan de grootheid hunner dagen brengt 't nageslacht nog dagelijks eer. O, en dan zijn er nog menschen die meenen dat wie zoo te werk gaat laf is en eigen roeping en arbeid niet acht. Neen, een leven dat knielt in ootmoed voor God is geen leven zonder moed. Ootmoed en moed zijn geen tegenstellingen. Veeleer zijn zij plant en vrucht, oorzaak en gevolg. Salomo vond in zich zelf geen kracht, maar hij wierp zich op den Heere; hij smeekte: o Heere, geef uwen knecht een verstandig hart. Wie zoo smeekt heeft niet alleen leeren kennen hoe zwak hij zelf is, maar ook hoe machtig zijn God is. En daarom is zwakheid kracht. Wij moeten zóó klein zijn dat er plaats is voor Gods grootheid in ons, zoo zwak dat 't alles hangt aan de almacht onzes Gods, zoo onvernuftig en dwaas dat van omhoog alle licht kan instralen in onzen nacht. Dan zien we in Godes licht het licht en dan zijn wij in Hem die ons heeft liefgehad meer dan overwinnaar.

Ons heerlijk Gereformeerd beginsel dat geen kracht kent dan Gods kracht, en , alles uit genade opheft als eenig wapen, heeft zich levensvatbaar getoond, levenskrachtig in hen, die ons zijn voorgegaan en zoo gij niet slaagt om het der wereld te toonen dat smeekelingen helden zijn en bedelaars aan Gods troon leeuwen tegen de vijanden van Gods kerk, dan ligt 't niet aan het beginsel dat gij u kiest, maar aan u; dan ligt 't hieraan dat gij niet diep genoeg gebogen hebt en niet klein genoeg voor den God aller genade geworden zijt. Een verstandig hart, dat hebt ook gij noodig, opdat gij uw pad zult zuiver houden, opdat gij moogt wandelen waardiglijk uwe roeping, opdat gij den goeden strijd moogt strijden en eenmaal de kroon der heerlijkheid behalen moogt. Is er dan beter dan dat gij doordrongen van de machtige eischen die 't leven u als Christen-Jongeling stelt en ziende dat gij van u zelf daartoe niets vermoogt, als Salomo vlucht tot Hem die niet moede noch mat wordt en die in onze zwakheid de grootheid Zijner kracht heerlijk volbrengt. Vat het leven met zijn velerlei zorgen, strijd, roeping en verleiding niet te licht. Onderschat het niet. Zoekt licht bij Hem die verlichting geeft in het aangezicht van Christus Jezus. Laat het in den levensgang en den arbeid uwer vereenigingen uitkomen dat gij u saam zoekt te bekwamen in 't Woord onzes-Gods tot den strijd die tot deelname u oproept. Aan welke zijde uw plaats is behoeft niet gezegd, alleenlijk strijdt waardig en wettiglijk : Christelijke Jongelingsvereenigingen zijn geen clubjes, waar ge alleen saamkomt tot gezellig verkeer, maar zij zijn de band waardoor jonge mannen worden saamgesnoerd in de machtige worsteling die de geesten verdeelt. Laat dat ook onze Bond mogen zijn, waarvan het geldt dat hij een klein jongeling is, die in 't gedrang der grootere Bonden schier niet opgemerkt wordt, maar die dan toch voldoening schenkt aan een diep gevoelde behoefte naar saambinding door den band van eenheid in belijdenis en levensbeschouwing.

Laat 't klein getal u niet ontmoedigen. God heeft ook het kleine gebruikt om groote dingen te doen. Verwaardige Hij den Bond dat hij door Gods genade hieraan worde dienstbaar gemaakt dat we afgemaand worden vleesch tot onzen arm te stellen en gewezen te worden op Hem die de nederigen genade bewijst. Buigt dan diep voor Hem, Wien alle macht is gegeven in hemel en op aarde, vraagt Hem, wat gij doen zult, smeekt Hem dat Hij uwe schreden richte, opdat gij eens ervaren moogt hoe heerlijk Hij met Zijn glorie zal kronen alle degenen die Hem in onverderfelijkheid hebben liefgehad. Laat 't zwaard van den strijd aan uwe hand niet ontglippen totdat op 's Konings wenk eenmaal het zwaard zal mogen worden ingeruild tegen den palmtak van eeuwigen vrede in in 't Paradijs Gods.

Met deze woorden eindigt Ds. Remme zijn bezielend woord. Nadat nog een Psalmvers is gezongen en in tusschen gecollecteerd is voor het Leerstoélfonds spreekt de Voorzitter Ds. van Grieken een woord van dank tot allen die tot het welslagen van dezen len Bondsdag hebben medegewerkt. Hij zegt dat het ons zeker goed geweest is om op dezen dag hier samen te zijn, wijst op de schoonheid van Gods schepping die hier in het rijk der natuur zoo luide gepredikt wordt en op de heerlijkheid van het Paradijs des hemels waar geen enkele wanklank meer zal gehoord worden. Na de jongelingen nogmaals opgewekt te hebben om niet in eigen kracht maar in de kracht en in de mogendheid des Heeren Heeren hun taak te volbrengen én hun roeping te vervullen wordt, na het zingen van Psalm 89:8, de bijeenkomst door den Voorzitter met dankzeggeng gesloten.

Moge deze eerste Bondsdag hebben medegewerkt tot nauwere aaneensluiting onzer jongelingen die, staande op den bodem onzer Gereformeerde belijdenis, wenschen mede te werken tot opbouw onzer Kerk en tot verbreiding van het Koninkrijk Gods.

DE BONDSSECRETARIS.

P.S. Laten we nog mededeelen dat de Jongelingsvereeniging te Rijssen No. 23 is die zich bij onzen Bond heeft aangesloten en dat de Jongelingsvereeniging te Feyenoord mij bericht zond, dat ook zij jaarlijks f 0, 25 per lid wenscht bij te dragen voor het Leerstoelfonds van den Geref. Bond.

Correspondentie.

2den Pinksterdag is op het terrein te Zeist gevonden een gouden damesring. Deze is terug te bekomen op aanvrage. Men richte zich tot den Hoofdredacteur.

— Men verzoekt ons mede te deelen dat een der leden van de Joogelingsvereeniging te Zeist tijdens de Samenkomst op 2en Pinksterdag in het Zeisterbosch een gouden ring heeft verloren. De eerlijke vinder zal wel zoo vriendelijk willen zijn dezen terug te zenden aan het adres van den Correspondent van de Zeister Jongelings-Vereenig., den heer Joh. Teela, Steinlaan 43, aldaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Van den 1en Bondsdag,

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's