Uit het kerkelijk leven.
Over het „uitspreken van den zegen."
In kleine dingen komt vaak een groot beginsel uit; en in „ongeregelde manieren" spreekt de ongeregeldheid in het oordeel.
In een tijd, waarin geen vaste lijnen getrokken worden en men zich om beginselen niet 't meest bekommert, maar z.g.n. op de practijk zich werpt, wordt dit gedurig gezien.
Onlangs waren eenige mannen broeders saam om allerlei belangen te bespreken, voornamelijk in verband met z g.n. Evangelisatiën. Ook werd over 't karakter van dien arbeid gesproken, gelijk dat bij herhaling geschiedt op publieke vergaderingen, waar dan het pro en contra van de wijze, waarop dit werk wordt uitgevoerd, wordt gehoord en verdedigd.
Zoo kwam het in die vriendensamenkomst, bovengenoemd, ook over het „uitspreken van den zegen" in particuliere gebouwen van Christelijke Vereenigingen of gehuurde localiteiten, waar een spreker eene Christelijke toespraak houdt in den vorm van eene predikatie.
Er waren broeders die oordeelden, dat men wel Gods zegen in Zijnen Naam mocht leggen op die saamgekomen menigte — terwijl onderen meenden, dit te moeten afkeuren.
Natuurlijk waren ze allen eenstemmig in de gedachte, dat Boaz wel op zijn akker mocht treden met 't woord op de lippen: „De Heere zij met u"; en dat het prijselijk was, dat zijne arbeiders antwoordden: „de Heere zegene u."
Gelukkig een volk, dat elkaar zegenend mag begroeten en in Gods zegen in den Geliefde, den Erfgenaam van alles, ook zelfs den rijkdom des natuurlijken levens ziet en de blijmoedigheid tot den arbeid vindt. Daarin ook erkennende de genade, dat er mannen zijn gesteld, die anderen van werk voorzien, soms met opoffering van eigen financieele belangen.
Wat zou er dan ook tegen zijn, als vrienden elkaar in kleine en groote vergaderingen toebidden den „goedspraak" des Allerhoogsten, bij Wiens Woord en bij Wiens zegen in Christus — want buiten Christus is geen ware zegen, maar enkel vloek — 't volk alleen leeft?
De mensch zal toch bij brood niet leven!
Niet overvloed der dingen, niet menigte van middelen, doch immers Gods Woord, Zijne zegening, maakt alle dingen goed en krachtig.
In die gevallen betracht men evenwél zijne algemeene christelijke roeping.
Maar bij 't „uitspreken van den zegen" is het geval heel anders.
Daarbij heeft men te doen met eene bizondere inzetting Gods, Die uit Sion Zijn wet doet uitgaan en des Heeren Woord uit Jeruzalem.
In Num. 6 : 22—27 hebt ge de formule „van het zegenen des volks den priesteren van den mond Gods voorgeschreven."
Tot Aaron en zijne zonen moest Mözes Gods bevel uitbrengen; én in vers 27 heet het zoo nadrukkelijk: alzoo zullen zij — de priesteren — Mijnen Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik, zoo belooft de Heere, zal hen zegenen.
De Heere zou Zijn zegen bevestigen en Zijn „zegen" doen gedijen in het schenken van geestelijke en stoffelijke weldaden en kwade dingen weren of ten hunnen beste keeren.
In den Naam des Heeren spraken ze dus die woorden en de Heere gaf genadiglijk wat noodig was.
Daarom kon Bileam niet vloeken; daarom schaadde al het vloeken der volkeren niet; de Heere hield Zijn Woord en bevestigde Zijn eigen inzetting alle eeuwen door.
Later hebt ge 't bevel (Deut. 27 : 12) „Deze zullen staan om het volk te zegenen en in Lev. 9 : 22 over het opheffen der handen: daarna hief Aaron zijne handen op tot het volk en zegende hen.
1 Kronieken 23 : 13 herinnert aan deze inzetting, waar de Heere der priesteren dienst aangeeft en zegt, dat de priesteren besteld waren „om in Zijnen Naam tot in eeuwigheid te zegenen."
Deze plechtige zegening in de openbare vergadering des volks Israels had, zooals onder ons vaststaat, hare heenwijzing naar en was afschaduwing van Christus, den eeuwigen Hoogepriester, die van God gezonden is, opdat in Hem al de geslachten der aarde gezegend zouden worden.
Wat op den Olijfberg, nabij Bethanië is geschied (Luc. 24 : 50, 51; Hand. 1:12) heeft zoo'n heerlijke beteekenis.
Alle zegen en elke zegening kwam wezenlijk en komt alleen uit 's Middelaars handen. Ook als de apostelen en herders en leeraars later in de wettige saamkomsten van Gods volk, eer de vergadering uiteenging, den zegen uitspraken, was dit een leggen van den Naam des Heeren op 't volk. Zelfs leidde de Heilige Geest de apostelen in het schrijven, zoodat ze aan 't einde der brieven, die in de gemeente gelezen werden, ook den zegen legden op 't volk, waaruit wij wettig mogen besluiten, dat in de eerste gemeenten deze instelling in eere bleef.
De bedienaars des Goddelijken Woords hebben de roeping om in Gods Naam den zegen op de gemeente te leggen, terwijl de Heere den zegen geeft en Zijne schikking heerlijk maakt en op Zijne kinderen den zegen doet rusten. Hij die Zijn handen uitbreidde, toen Hij van hier ging, strekte in priesterlijke zegening, naar Zijne belofte, in de dagen des O. T. reeds Zijne handen uit over Zijn volk en heeft die nog niet ingetrokken en laat daarom Zijne dienaren nog zegenen in Zijnen Naam.
't Ziet alles op Hem, het gezegend en zegenend Hoofd. Hij is de kracht alleen van den zegen; en 't geloof leert, bij 't leggen van den zegen op de gemeente, zien op Hem, alsook bij 't ontvangen er van. (Prof. de Moor schreef in zijn Intree-en afscheidsredenen breed hierover; ook is, wat den zegen zelf aangaat, de leerrede van Dr. Kohlbrugge over Luc. 24:50—52 zeer stichtelijk. Ik wilde evenwel thans alleen over het uitspreken van den zegen nog iets zeggen).
De Gereformeerde Kerk heeft aan het uitspreken van den zegen betamelijke aandacht gewijd. Reeds schreef de Prov. Synode van Dordt in 1574 voor (zie Art. 37): „Men sal ook de predikatie op eenderleij wijse besluiten met den segen Numeri 6 cap."
[De-HEERE zegene u, en behoede u!
De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij - u genadig!
De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede!]
De woorden uit 2 Cor. 13 : 13: De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen", werden eveneens spoedig gebruikt.
1 Thess. 5:28: de genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen", koos misschien ook een enkele; en of het voorbeeld van de oude Kerk navolging vond in het gebruik van: de Heere zij met u", of: gaat henen in vrede" (soms door een diaken gesproken), gaan we niet nader onderzoeken.
Thans gebruikt men vrij algemeen Num. 6 of 2 Cor. 13 : 13. 'k Denk wel, dat de laatste tekst door de meesten wordt uitgesproken.
In mijn jeugd hoorde ik steeds: „zij en blijve met ulieden." Niet, omdat de leeraar aan de vastheid van Gods genadeverbond twijfelde en het zelf daarom wat vaster wilde leggen — doch het klonk zoo stichtelijk als 't dan met breed gebaar en vollen mond werd gezegd!
Toch heeft misschien wel eens iemand gedacht: „die leeraar is veel secuurder dan de apostel Paulus."
En de spreker zelf vergat, dat in dit geval noch verklaring, noch correctie van het Woord-Gods behoorlijk was.
Ernstiger werd het, als de leeraar vóór het woord „gemeenschap des Geestes'*girng invullen en bijvoegen: „troostvolle" gemeenschap. Alsof niet bestraffende, bekeerende, onderwijzende, heiligende gemeenschap even zéér noodig ware!
En juist, omdat men den zegen Gods óp de gemeente (bedienend) legt, is de gemeenschap des Heiligen Geestes noodig naar de geheel verschillende omstandigheden en toestanden, in welke ieder lidmaat afzonderlijk verkeert.
Voorkeur verdient het om onveranderd, 't zij Num. 6:24—26 of 2 Cor. 13:13 te gebruiken, uit eerbied voor Gods Woord en tot sterking van 't liturgisch bewustzijn in 't midden der gemeente.
Uit 's dienaars mond gaat het woord, uit 's Middelaars hand komt den zegen, van dien God, Die wonderlijk de kracht van Zijn eigen Woord en inzetting doet ondervinden.
Nu wil het mij voorkomen, dat dit ambtelijk, dit priesterlijk karakter dezer handeling veelszins wordt voorbij gezien; niet alleen door dien dienaar (reeds overleden) die aan het uitspreken van Gods zegen altijd liet voorafgaan: „ontvangt eerbiedig onzen wensch" (zie ook Ravesteyn „de Nazireer Gods" I blz. 281), maar ook door hen, bij wie het ambtelijk besef schuil gaat onder allerlei gevoelsaandoeningen. Hij, die met Zijne genade. Majesteit, waarheid en Geest niet wijkt van Zijne gemeente, moge dienaren des Woords mét hoog besef van hunne roeping en eere vervullen en beide aan gemeente en leeraars genade des geloofs schenken, om niet gedachteloos of willekeurig den zegen uit te spreken en dien zegen niet onnadenkend en geesteloos te ontvangen!.
Uit het vorenstaande volgt m. i. genoegzaam, dat het wenschelijk is den zegen alleen nit te spreken in eene wettige openbare vergadering van Gods Kerk en dus niet in eene particuliere vergadering van leden eener vereeniging — evenmin als met het sacrament van den Heiligen Doop of van des Heeren Heilig Avondmaal aldaar bedient.
Wel zijn er, die ook in lokalen des Heeren Avondmaal bedienen, waar geen Kerkeraad en dus geen wettige samenkomst der gemeente is, maar van het bedienen van het sacrament van den Heiligen Doop hoort men nog niet.
Misschien wel, omdat de aldaar gedoopte kinderen niet ingeschreven worden in het kerkelijk doopboek. Mogelijk ook, omdat men bij den Heiligen Doop gevoelt: dit gaat niet!
Maar waarom dan wèl het Heilig Avondmaal en niet den Heiligen Doop?
En waarom, volgens anderen, geen Avondmaalsbediening en geen Doopsbediening maar wél het ambtelijk leggen van den zegen op die vergadering?
Dan gaat het oog afwijken.
En sommige broeders zien dan niet meer op Gods orde en Gods inzetting — maar gaan voet geven aan (begrijpelijke, maar nochtans fout gaande) overwegingen, als daar zijn: ja maar. in zoo'n locaal heb ik belijders der waarheid; in zoo'n locaal heb ik misschien meer recht dan in een kerk, die in verachtering is of in afval van Gods Woord (gelijk in de gemeente van Galatië); bovendien Gods zegen komt alleen toe aan hen, die in Christus zijn; en als dan particuliere geloovigen uit verschillende Kerken saam zijn in zoo'n locaal, en daaronder die men houdt voor ware leden van het lichaam. Christi en soms voor zeer begenadigde menschen, en de leeraar gevoelt dan, dat hij gedragen wordt door 't gebed enz. enz....
Welnu, dan kan natuurlijk zoo'n vergadering stichtelijk zijn en niet zonder zegen voor spreker en hoorders, doch de spreker in die vergadering kan niet ambtelijk optreden en in geen enkel ding ambtelijk handelen!
Ieder voelt het aanstonds.
En vraagt dan iemand: is het dan kwaad wanneer een leeraar daar den zegen uitspreekt? Dan zou mijn antwoord zijn: 't Is niet goed, omdat men Gods instelling en eigen ambt niet recht beschouwt. En God is een God, die Zijn eigen schikking wil geëerbiedigd zien door al Zijn volk en al Zijn dienaren; en Zijn eigen instelling zegent.
Zijn Woord en Zijn zegen voegt Hij gewoonlijk saam. En wij hebben niet wijzer te zijn, dan God in Zijn geopenbaard getuigenis.
Geen mensch weet te zeggen, op wat wijze de Heere Zijn zegen doet gedijen en hoe Hij hem stelt tot een schild.
Gansch Israel moest in de woestijn gezegend worden, al was ook de zegen bizonder voor Gods uitverkorenen onder hen.
En waar niemand onfeilbaar kan uitmaken, wie uitverkoren zijn; en een apostel vermaand werd om moed te houden in een weelderige en goddelooze stad, met het woord van zijn hemelschen Zender „want Ik heb veel volks in deze stad", daar betaamt ons voorzichtigheid, om niet ons gevoel in plaats van Gods Woord te stellen en niet ons oordeel te verheffen boven 's Heeren bevel.
Ware vroomheid buigt nog altijd voor Gods getuigenis en „de Geest getuigt, dat de Geest de Waarheid is.'
Ter Classieale Vergadering!
Meermalen hoort men de opmerking : de Classieale Vergaderingen worden drukker bezocht dan vroeger. Dat is verblijdend.
Is de eenige „Kerkelijke" vergadering die we hebben. Eén in een geheel jaar. En wel mag er dan niet over veel gesproken worden. Het Classicaal Bestuur zegt nog maar altijd: „wij zullen het wel voor u doen — bemoei er u maar niet moe — 't gaat goed zoo." Maar hoewel er doorgaans niet veel verhandeld wordt, wil men er tóch heen, zoowel predikanten en ouderlingen. En wordt er dan van „hooger" hand soms niet veel aan de orde gesteld, dan wil men het toch uit de „lagere" standen van ons kerkelijk leven, uit het midden der niet-bestuursleden, telkens probeeren, om dingen naar voren te brengen.
't Is een bewijs, dat men algemeen voelt, dat het niet in orde is. Waarbij men dan niet onverschillig den rug toekeert aan deze vergadering. Maar door belangstelling te toonen vraagt: laat het toch anders mogen worden. Laten we toch mogen komen tot een werkelijke Vergadering. Waar de Kerken uit een en dezelfde Classis kunnen samen komen, om werkelijk te kunnen samenspreken.
Ach, ach, wat is het nu toch eigenlijk treurig gesteld. Eigenlijk wordt men zoowat voor onmondig verklaard en behoedzaam buiten alles gehouden. Als men niet in een Bestuur zit, wordt men zoo ongeveer beschouwd als van niets op de hoogte te zijn en tot geen goed kerkelijk oordeel bekwaam.
Kan dat nu niet veranderen ?
Waar we toch leven in een tijd, dat er meer kerkelijk bewustzijn komt en meer kerkelijk mee-leven wordt bespeurd bij predikanten, kerkeraden en gemeenteleden.
't Zou zoo te wenschen zijn, dat er eens verandering kwam.
En dan rondom Gods Woord, rondom onze kerkelijke, gereformeerde belijdenis. Want dat zal bij elke verandering de grootste moeilijkheid geven in het middon van onze Kerk.
Wat zal de gemeenschappelijke grondslag zijn, waarop we saamkomen ? Wat zal de band zijn, die ons bindt? Wat zal de geest zijn, die ons bezielt ? Wat zal de weg zijn, waar langs wij onze voeten zullen richten bij onze besprekingen en onze besluiten ?
En ja — dan is het makkelijk genoeg te zeggen, wat het moet zijn.
In art. 11 van het Algem. Regl. voor onze Herv. Kerk is het trouwens duiilelijk genoeg aangegeven. Daar wordt zonder voorbehoud gezegd, dat het in onze Kerk bij alles moet gaan om de leer onzer Herv. Kerk te verdedigen en te handhaven.
Maar de theorie is gemakkelijk soms, terwijl de praktijk dan o! zoo moeilijk blijkt te zijn.
Ja — er moet verandering komen.
We moeten een heusche vergadering van de classis krijgen. Waar men heusch wat zeggen mag. Waar men heusch samen komt, opdat de kerken samen zullen beraadslagen en samen zullen mogen handelen.
Maar dan Gods Woord ons aller Raadsman. De belijdenis onzer Vaderen in ons midden. Daarvoor is onze Kerk éen Kerk. Daarvoor is hun naam van ouds : Hervormd=Gereformeerd.
De Synodale voorstellen.
Weinig zaaks van 't jaar. De moderne synode van 1910 heeft weinig belangrijk werk klaar gemaakt voor de classicale tafel. Wat we heelemaal niet betreuren. Zeldzaam eigengerechtigd en onvergelijkelijk partijdig als die synode was, vinden we het zelfs een voorrecht, - dat zij met (onvruchtbaarheid geslagen werd in dit opzicht. Was het overigens ook maar zoo gegaan !
8 voorstellen komen aan de orde.
No. 1 raakt een zaak van niets, 't Is ons totaal 't zelfde of men vóór stemt of tegen. En dit geval stemmen wij tegen. Men krijgt het langer hoe meer een eindeloos aantal voorschriften voor nietige dingetjes.
No. 2 beteekent niet veel; 't verduidelijkt wat in betrekking tot het tijdstip, waarop de telkens terngkeerende 10-jaarlijksche stemming gehouden moet worden. Aannemen is beter dan tegenstemmen. Gewenscht ware, dat nu tevens uitgemaakt werd : wat de Kiezerslijst voor plaats in moet nemen bij deze 10-jaarlijksche verkiezing ; want da's nu ook niet zoo duidelijk. En, indien de Kiezerslijst niet van kracht is bij die gelegenheid, hoe men dan in een oogenblik vooral in groote gemeenten kan uitmaken of iemand lidmaat is, of hij 23 jaar is en of hij bedeeld wordt of niet. Dat zal nu wel eens naar het systeem : „luk, raak" gaan!
Voorstel No, 8 is een gevolg van een wijziging, die in 1909 gemaakt is. Men had in 1909 wel op 't oog, wat men nu bij een nieuw voorstel ter tafel brengt. Maar de wijziging van 1909 is niet duidelijk genoeg geweest om voor predikanten van gekrenkte geestvermogens ontheffing van hun dienstwerk, voor minstens 6 maanden, mogelijk te maken. Aannemen is 't beste.
Voorstel 4 ziet op de kwestie welke gemeente betalen moet, indien er in het bevestigingswerk van een beroepen leeraar vertraging komt. Voor een week na 't afscheid is 't geregeld. Maar de traktementskwestie, wanneer de beroepen leeraar wegens ziekte niet aanstonds bevestigd kan worden in de nieuwe gemeente, kan moeilijkheid geven. Aannemen daarom, opdat de predikant, bij geval van ziekte, door de nieuwe gemeente verzorgd worde.
Art. 5, 6 ziet op de kwestie der pastoralia en wil aan predikanten, als beheerder der pastoriegoederen ook den weg openen om voor die pastoriegoederen in het publek, voor de rechtbank, op te komen. Aannemen.
Art. 7 is, om de Amsterdamsche Universiteit, waar de Herv. Kerk met haar hoogleeraren verdreven is, zoo maar weer met de andere Universiteiten gelijk te stellen en de studenten daar te beschouwen als evengoed onderwezen te zijn door en gestudeerd te hebben onder toezicht van kerkelijke Hoogleeraren, als de studenten ie Leiden, Utrecht en Groningen.
Waar we 3 Universiteiten hebben met Kerkelijke hoogleeraren, en waar Amsterdam het Hervormd stempel in 't minst niet meer draagt, dat opzettelijk uitgewischt hebbende, daar is er geen.énkele oorzaak, om Amsterdam met Leiden, Utrecht en Groningen gelijk te stellen. Wij adviseercn beslist om te verwerpen.
Amsterdam bestaat voor ons niet. Wel voor de Doopsgezinden en de Lutherschen. Maar niet voor 'de Hervormden.
En voorstel 8 kan er evenmin door. Men wil de zaak der zending kerkelijk maken op een manier, die wij niet kunnen en mogen toelaten.
Er komt op deze wijze in het minst geen band tusschen den zendeling en de Kerk, noch tusschen de Kerk en den zendeling. En dan willen we die schijn vertooning van dit 8ste voorstel heelemaal niet binnenhalen.
Verwerpen is' de boodschap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 juni 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's