Uit het kerkelijk leven.
Eene tegenstelling?
Er heerscht dikwijls bij welmeenendheid schromelijke verwarring van begrippen. Bij „'t uitspreken van den zegen" en 't oordeel daarover, komt dit uit en in alle zaken van den dienst des Heeren.
Gij hebt Roomsche en Luthersche gedachten over elke ambtehjke handeling, alsof er op zichzelf in die handeling kracht school en dan vergeet me o, dat het de Heere is, die ook de kracht Zijner instelling alleen door Zijne gunste, door Zijne genadewerking des Geestes, op een gegeven oogenblik doet ondervinden. Daaruit sproot en spruit allerlei dwaasheid, o. a. deze, dat de drager van een ambt in Gods Kerk zich in hoogheid stelde, inplaats dat het hem neerboog voor den Heere en hij in ootmoedigheid wandelde „als een, die dient." In Rome, waar 't ambt vrijwel los kwam te staan van 't Woord Gods, ziet men dit 't sterkst.
Reeds van ouden datum is 't bericht, dat Israels volk op de uiterlijke teekenen vertrouwde en als de arke maar tegenwoordig was, dan zouden ze wel voorspoed hebben. En hoe verging het hun? Hun ijdel vertrouwen werd beschaamd en bestraft, zoodat zij geslagen werden en de arke viel in de handen der Filistijnen.
Nu is er ter anderer zijde eene beschouwing, welke op 's Heeren tegenwoordigheid den nadruk legt, doch zóó, dat de uitwendige instelling Gods wordt gering geschat, ja veracht en overbodig wordt gerekend.
't Woord Gods en de verkondiging daarvan in ordelijke vergadering, wordt minder noodzakelijk geacht; Gods bevelen te dien opzichte, alsook zijne teekenen en zegelen van 't Genadeverbond, hebben geen kracht en de inzetting Gods wordt niet geëerbiedigd en Zijne belofte voor geene waarde gehouden, 't Heet dan soms: och! dat is alles maar uitwendig; 't komt maar op 't geestelijke aan. Want die Doop en dat Avondmaal en dat hooren van 't Woord Gods in de vergadering „der geloovigen en hun zaad" en dien zegen op 't volk, nu ja, dat zijn van die dingen, die wel kerkelijk zijn, doch niet geestelijk.
Er zijn menschen geweest, die nu ja, zij gingen wel een dominé hooren, en lieten doopen enz., doch 't kon er even goed zonder. Dat uitspreken van dien zegen was een plechtig slotwoord, zooveel als: nu is 't uit; meer niet. Schijnbaar is men ernstig en neemt het nauw; in den grond is men lichtvaardig en houdt volstrekt niet met David „alle Gods bevelen voor recht, en haat niet alle valsche pad." Zoo komt men met den schijn, van geestelijk zijn en 't diep te meenen, tot verwerping van Gods ordeningen. Waarom? Omdat men niet 's Heeren getuigenis, maar zijne eigene gedachten voorop stelt. Op beide staat ons zeer te letten ; op 's Heeren ordinantie en op de wijze, waarop wij tot haar komen of den geest, waarin wij Zijne inzettingen betrachten en Hem daarin zoeken.
Onze vaderen leerden duidelijk naar Gods Woord, dat „Gods ordinantie en Gods order altijd moeten gepaard gaan.' Neemt ge de ordinantie los van Gods orde (n.l. om haar geestelijk te betrachten), dan krijgt ge Farizeïsme, *t welk doet roepen: Des Heeren tempel, des Heeren tempel is hier; dan krijgt ge dor formalisme, versteening en een zich vleien met uitwendige inzettingen; dan worden velen verleid met eene theorie (onberispelijk wellicht !) zonder geestelijke practijk. . Daarop doelde Lodensteyn, toen hij dit versje maakte:
Die waarheidswoord in waarheidsletter
Slechts heeft, wat scheelt die van een ketter?
Als in de klank, die 't oor bedriegt;
Hij heeft geen waarheid dan gestolen; Hij gaat op rechte paden dolen,
Hij spreekt de waarheid en hij liegt.
Daartegenover staat het gevaar om Gods ordeningen, waardoor Hij Zijnen zegen in de geslachten (die niet los staan van elkaar) geeft, voorbij 'te zien; een gevaar niet minder groot, alleen als gevaar minder bekend en gevreesd, omdat hier een geestelijke schijn is in de redeneering, soms ook door geachte mannen en vrouwen gehouden. Ik zeg: schijn; want waarlijk, mijne lezers, het kan niet uit den Heiligen Geest zijn Gods instellingen en - Zijne orde te verachten.
Soms hoort ge: Och! dat uitwendige woord en al die dingen, dat is wel kerkelijk, maar ziet u, ik reken meer geestelijk.
Mijn antwoord zou zijn: ik reken beide, want kerkelijk is op zichzelf niet ongeestelijk en wat soms geestelijk heet, is vaak zondige verwerping van 's Heeren bestellingen en dus vleesehelijk.
Tegenover geestelijk staat ongeestelijk of vleeschelijk of stoffelijk en tegenover kerkelijk staat niet geestelijk, doch onkerkelijk of antikerkelijk of maatschappelijk enz. Ons spraakgebruik, 't welk geestelijk en kerkelijk als tegenstelling acht, is vrucht van verwarring en misleidt.
Men bedoelt, dat de vorm alleen zonder 't wezen, de instelling zonder geestelijke werkzaamheid en toepassing, ons persoonlijk geen zegen aanbrengt; en daarin heeft men natuurlijk volkomen gelijk; doch nu gaat men verder en veracht of acht de instelling Gods gering, en de diensten en de ambten miskent men en daarin heeft men volkomen ongelijk en komt men den Grooten Insteller van bediening en ambt in Zijne eere aanranden.
Oudtijds (en Gods getuigenis is voor alle tijden!) wees men op 't geval met betrekking tot des Heeren Heilig'Avondmaal. Men las bedaard en biddend 1 Cor. 10 en 11. Zij hadden (de Israëlieten) wel allen dezelfde geestelijke spijze gegeten en denzelfden geestelijken drank gedronken, maar in het meerendeel van hen heeft God geen welbehagen gehad; want zij zijn in de woestijn terneergeslagen. Deel aan uitwendige voorrechten bezaten ze, maar het geestelijke profijt hadden ze niet, want zij zijn door ongeloof gevallen.
Die onwaardiglijk eet en drinkt (in 't Heilig Avondmaal), die eet en drinkt zichzelven een oordeel. Waarom ? Omdat de ordinantie Gods niet goed ig? Neen, maar omdat hij niet onderscheidt het lichaam van Christus. Daar is geen behoorlijke geestelijke waarneming, geene geestelijke voorbereiding enz., dus het geschiedt niet in Gods orde; daarom is de goede bestelling Gods niet te verwerpen, maar wij, die de innerlijke geschiktheid en toebereiding missen en 't is onze schuld, als wij van de goede inzetting geen zegen, maar eer een vloek oogsten. En wij zouden nimmer een zegen verkrijgen, indien de Heere naar de reinheid des Heiligdoms rekende; al het onze (ook onze beste werken onvolkomen en met zonde besmet), geeft de Heere rechtvaardige redenen om ons te vloeken; maar hier is het wonder der genade, hier is Christus, de Eeuwig Gezegende en uit Zijnen zegen wordt een vloekwaardig volk gedrenkt en daardoor beschut: en dien zegen doet Hij hun toekomen in Zijne wegen en hij heeft beloofd ze in Zijn bedehuis te verheugen, en wil Zijne inzettingen verheerlijken en naar de geestelijke orde in 't betrachten, daarvan rijkelijk toedeelen.
Het „kerkelijke" „geestelijk" beoefend of waargenomen; het „geestelijke"geopenbaard in de liefde tot 's Heeren inzettingen, in het „kerkelijke", zoo ge wilt.
„Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden", is het woord van Gods Geest door den dienst van den Apostel Paulus, d. w. z. in goede houding en naar de rechte schikking van Gods Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's