Stichtelijke overdenking.
Hand. 2:23. Naar den bepaalden Raad Gods.
Naar den bepaalden Raad Gods.
Het 2e hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen is zoo alleszins merkwaardig.
Daar staat o. a. zoo'n kort zinnetje, door Petrus uitgesproken en doelende op het lijden en sterven van Christus; n.l. dit: Deze, naar den bepaalden Raad en voorkennisse Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen" (2 : 23).
Daar - wordt heel de lijdensgeschiedenis van Jezus, daar worden al de gruwelen der menschen, van den Joodschen Raad, van Judas, van Pilatus, van de krijgsknechten, van het volk — heel die massa van gruwel en ongerechtigheid den Zaligmaker aangedaan, wordt daar getrokken onder het licht dat van boven komt, en dan wordt verkondigd, eenvoudig maar stellig: „dit alles moest geschieden opdat de Schrift zou vervuld worden en opdat Gods Raad zou worden volbracht."
't Moest geschieden. Omdat God het wilde. En God wilde het niet zonder oorzaak.
Hij heeft het alles gedaan naar Zijn wijsheid, opdat Zijn recht zou worden voldaan. Hij heeft het alles gedaan naar Zijn welbehagen, opdat het zou uitloopen tot eere Zijns Naams en tot een volkomen verzoening van een arm en ellendig zondaarsvolk.
En ziet — zoo de Heere het bepaald had is het geschied. Satan en wereld hebben het niet kunnen verhinderen. Zij hebben Gods Raad niet kunnen verbreken. Ze hebben Gods Raad in de hand gewerkt, ook door hun dolle vijandschap en dwaze gruwelen. Eu nu is de vrucht daarvan, dat aan het recht Gods voldaan is; dat er gejuich is in den hemel, omdat Gods werk ongeschonden en heerlijk daar is binnengekomen en omdat Gods werk in Christus nu hier op aarde voor Sion zulke zalige en heerlijke vruchten draagt.
Zeg maar, dat alles „wonderlijk" gegaan is.
Maar weet dit, dat het alles heerlijk volbracht is naar Gods eeuwig voornemen. Dat het juist gegaan is naar Zijn gemaakt bestek. Dat er geen steen verkeerd is gelegd in de muren van het Godsgebouw.
En de uitkomst is, dat er nu een stal voor de schapen is, een vrijstad voor een benauwd volk, een hemel voor arme zondaren.
Zeker, het is wonderlijk gegaan!
Daar was een groot Koning beloofd, die David en Salomo zou overtreffen in heerlijkheid, wiens troon eeuwig en wiens kroon vol sieraad zou wezen — en daar staat Jezus met een doornenkroon, een bebloeden rug, een rietstaf in de hand, een spotkleed om de schouderen!
Daar was een fontein springende van levend water beloofd voor de inwoners van Jeruzalem. En die fontein was Jezus. Zelf had Hij gezegd: Ik ben het levende water.
Eu beklim dan de ruwe-steenen trappen van Hoofdscheelplaats en onderzoek daar de fonteine Gods eens.
Dan vindt gij geen water op den berg. Droogte. Ja — daar roept Jezus: Mij dorst!
Hij, Hij die levend water geven zou, heeft zelf gebrek aan water. Zijn tong kleeft aan Zijn gehemelte. Hij roept: laaf mij — Ik heb dorst!
Wonderlijk.
En we kunnen ons voorstellen hoe de hel lachte. Is dat dan het kleed, in welks plooien Sion schuil moet vinden voor het heilig oog, van den Rechter van hemel en aarde? Is dat de sierlijke kroon, waarvan het volk der oude bedeeling toch" al zoo lang gezongen had: »wij steken het hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen'"? Is dat dan de lafenis waar op Sion wachtte, dorstig als een hert, dat begeerig is naar een dronk uit een waterbeek ?
Ja — de hel lacht.
Maar weet het dan, o ziele, die van dorst verkwijnt en als-een land ligt uit te drogen, dat dit het grootste wonder is, dat de heerlijke en groote Christus Zich zoo diep heeft willen vernederen, om een juist passende Borg en Middelaar voor. Zijn Sion te wezen. Ingaande in den vollen druk van Gods toorn; in den eeuwigen vloek Zijner heiligheid. Om in de diepte een opening te boren, tot openbaring van Gods barmhartigheid, van ouds aan een zondig volk geloofd. Waarvoor Hij dan Zelf wilde doormaken, om van God verlaten te worden en in te gaan in de diepste verachting en grootste ellende.
Hij, die geen zonde gekend heeft, wordt hier zonde gemaakt en als zondaar geoordeeld — opdat het oordeel Gods voor Sion gedragen zijnde, over Gods kind niet meer zal komen.
Dat diep ingaan in de vernedering is, om hoog te doen opspringen het heil, dat de Heere voor Zijn volk bereid heeft.
Dat - ontkleed worden en dat ten schande gemaakt worden is, om toe te bereiden een vlekkeloos gewaad voor degenen, die melaatsch zijn, maar nu zonder vlek en rimpel voor God zullen verschijnen.
't Is om de hel, die lacht, te overwinnen.
't Is om den satan, die verheugd is, te berooven , van z'n liefste buit.
't ls om een treurend en bedrukt volk te verblijden met stroomen van levend water en kleederen des heils.
Wonderlijk gaat het — maar goddelijk heerlijk. Hij die verhoogd was daalt neder in de diepste diepte — maar Hij steekt het hoofd omhoog, klimt op naar den hemel. En als de hemel zich dan ontsluit en de engelen Gods juichen, dan is het, omdat alles volmaakt gegaan is naar Gods Raad en omdat er nu zaligheid bereid is voor degenen diê waard zijn om voor eeuwig ellendig om te komen.
Door deze dingen ziet Petrus heen. Hij mag ze nu heerlijk verstaan.
Eerst kon hij er niet bij. Eerst stond hij er met een zwaard tegenover.
Neen, neen — zóo mocht het niet gaan. 't Zou vreeselijk zijn!
Maar nu is 't anders geworden. Nu ziet hij in alles Gods wil, Gods raad, Gods welbehagen, Gods wijsheid, Gods gerechtigheid, Gods barmhartigheid, Gods heerlijkheid en Gods trouw.
En hij noodigt allen uit, om er toch acht op te geven, dat het alzóo geschied is — opdat de ziele er van zal leeren wegdragen een vrucht vol vertroosting en vrede.
't Is bewezen, dat alles wat Christus doorgemaakt heeft, naar Gods Raad en naar Zijn voorkennisse is geschied.
De Heere regeert. De Heere heeft ook hier alles bestuurd naar Zijn welbehagen.
De Schriften zijn vervuld. Er is geen tittel of jota gevallen van 't geen de Heere had voorspeld door den mond der profeten.
En 't is bewezen, dat nu heil voor Sion bereid is door het volmaakte werk Christi. Dat nu een arm en ellendig zondaarsvolk op den Heere en Zijn heil mag hopen.
Zie het maar in de eerste dagen van het Pinksterfeest, hoe werkelijk stroomen des levenden waters uit Christus vloeien om duizenden te drenken. Hoe kleederen des heils worden uitgedeeld, aan duizenden, die naakt en arm roepen tot God.
Er valt vrucht van 't geen met Christus geschied is naar Gods Raad.
God werkt nu uit, wat hij heeft toegezegd; nu zal de Heiland zaad zien. en de Heere zal de Zijnen vergaderen uit het Noorden en uit het Zuiden. Ze zullen komen aanvliegen als duiven uit het Oosten en uit het Westen.
Nu wordt vervuld, wat de Heere beloofd had: „gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! Zie, Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glasvensteren zal Ik kristallijnen maken en uwe poorten van robijnsteenen en uwe gansche landpale van aangename steenen. En al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn en de vrede uwer kinderen zal groot wezen" (Jes. 54). Dat is de vrucht, van dat staan van Christus met een schandkleed-op Gabbatha. Dat is de zegening van Zijn hangen aan een vloekhout op Golgotha.
't Een past juist bij het ander. Voor een ziele, die schreit tot God, vol zaligheid.
O! wat God doet is zoo volmaakt.
Een arm volk, van de einden der aarde saam vergaderd, zal er de vrucht van plukken. Tot verzadiging in eeuwigheid. Door den juist gepasten Losser.
De toepassing is: dat de ziele bij Christus zal moeten schuilen: bij den Christus Gods; bij den Christus, die naar den bepaalden Raad Gods en naar Zijn voorkennisse heeft geleden en is gestorven.
Geen verzoening dan door Hem. Geen veiligheid dan achter Hem. Geen gerechtigheid dan in Hem.
En dan zal de ziele in al den weg hier beneên, naar Gods wil, naar Gods raad, naar Gods welbehagen moeten leren vragen, om daarin vrede te vinden.
Ook al begrijpt hij er aanvankelijk niets van; ook al wil hij het niet; ook al staat hij er aanvankelijk met het zwaard tegenover — hij zal onder Gods wil en onder Gods welbehagen moeten leeren bukken en buigen.
Neen — wat meer is.
Hij zal naar Gods wil en welbehagen moeten leeren vragen. Hij zal de hand Gods moeten leeren kussen, ook als die hand neemt wat men wilde houden en niet geeft, wat men begeerde. De Heere is goed en wijs.
Hij zal vrede moeten leeren krijgen in Gods weg. Hij zal er vreugd bij moeten leeren smaken. De Heere is getrouw, barmhartig en genadig.
O! wat God doet is zoo volmaakt wijs en goed. En Hij heeft Zijn volk zoo lief!
't Is al om Zijn Naam te verheerlijken; om Zijn volk waarachtiglijk te zegenen.
Sion zal moeten leeren zeggen: leid mij door Uwen Raad.
Dah is er vreugd voor het leven. Want de Heere heeft gezegd: „Ik zal Sion troosten."
Dan is er blijdschap op den weg. Want de Apostel zegt: indien God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? En Jacob'getuigde: ik heb alles.
Dan mag er ook hope zijn voor de toekomst, want na bange ervaring getuigt Asaf: gij zult mij leiden door Uwen raad en mij daarna opnemen'in heerlijkheid.
Alles om Christus' wil. Den volmaakten Christus. Den man naar Gods raad. In Wien een arm zondaarsvolk den Heere lieflijk is, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Zalig die den Zoon van Gods welbehagen dan mag kennen, met een behoeftig en begeerig harte, om te getuigen: Heere, Uwe genade is mij genoeg; Uwe goedertierenheid is mij beter dan het tijdelijk leven.
Want het is naar Zijnen wil, dat allen die Christus vreemd zijn, zullen geoordeeld worden en onder dat oordeel zullen vergaan tot een eeuwige ellende.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juni 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's