De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

13 minuten leestijd

Van Gods regel.

't Is met afwijkende gevoelens, als met een kleine scheur in uw kleed of met het doorzijpelen van water door dam of dijk. Grootere scheur ontstaat; verwoestende doorbraak komt, eer gij er aan denkt. Wegen, die eerst haast naast elkaar liggen, loopen straks zoo ver van elkaar, dat hij, die den eersten bewandelt, iemand, die den anderen koos, straks niet meer beroepen kan en eindelijk verliest men elkaar geheel uit 't oog en uit 't hart. Daarom is het zoo noodzakelijk op 't begin van afwijking te letten en wel te onderscheiden.

Van „kerkelijk en geestelijk" spraken we de vorige maal. Maar gewoonlijk ligt achter die tegenstelling eene andere. Als iemand b.v. zegt: ik ben kerkelijk wel met A. vereenigd, doch geestelijk niet; geestelijk is mij vr. B. nader met wien ik kerkelijk verschil, dan heeft men bij dat zeggen : kerkelijk opgevat in den zin van kerkgenootschappelijk of institutair; dacht men bij kerkelijk aan 't geestelijk organisme, dan was natuurlijk geestelijk ook kerkelijk.

Dè Kerk is 't geheel der „ware Christgeloovigen"; tot haar behooren de uitverkorenen en hun zaad ; zij heeft eene voor ons menschen zichtbare openbaring en de Heere kent alleen degenen die de Zijnen zijn.

In die vergadering leeft Christus door Zijnen Geest; in die Kerk is geestelijke eenheid en 't is buiten tegenspraak, dat tot haar behooren alle uitverkorenen, of ze reeds dadelijk gelooven en bekeerd zijn, of ze hier nog in strijd verkeeren of allen strijd te. hoven zijn, en ook allen, die onder 't zegel der verkiezing liggen, al wandelen ze thans nog in ergerlijke wegen. („Ik heb veel volks in deze stad" zei de Heere immers tot Paulus in Corinthe); ook allen die nog na ons leven zullen tot 't eind der eeuwen.

De naam „onkerkelijken", (zoo spreekt men immers in sommige streken van ons land, al zijn er ook andere provinciën, zelfs waar men niet zou weten, wie daarmee bedoeld zijn) die naam dan, is heel misleidend en zeer af te keuren,

Onze belijdenis ziende op de ware Kerk spreekt het uit, dat „ buiten haar geene zaligheid" is ; terecht; buiten Christus, buiten Zijn lichaam (want de Gemeente is Zijn lichaam en Hij is 't Hoofd!) is geen heil, buiten Hem geen ware zegen, al regent hij naar Zijne algemeene goedheid over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, en zendt Hij Zijne algemeene geestesgaven, ook op die wel in de kerk, doch niet van de kerk zijn.

Onder die „onkerkelijken" zijn gewis ook kinderen Gods; in sommige plaatsen is in die kringen, vergelijkender wijze en naar ons oog, 't meeste volk, dat den Heere vreest; doch die kinderen Gods behooren zeker bij de Kerk (organisch) en zijn niet onkerkelijk, maar verwerpen de openbaring der kerk (instituut) in het zichtbare, wegens de zwakheid der middelen of de onvruchtbaarheid in hunne plaats of het gemis van rechte bediening of het stellen van allerlei eischen aan 't gemeenteleven en de bedieningen, die soms recht, doch soms zeer willekeurig gesteld zijn en 't merk te dragen, dat zij, die ze stelden, meer met eigen opinie dan met Gods Woord rekenden en dus het merk van eigen willigheid dragen.

Die „onkerkelijken" zijn soms zeer kerkelijk, want zij rekenen zich alléén voor Gods volk (d. i. de ware Kerk)-en hebben geen oog voor hunne zondige verwerping van Gods geopenbaarde wegen en middelen en hunne liefdeloosheid tegenover andere kinderen Gods. Op die lijn krijgt ge zelfs de tegenstelling van Gods volk en de Kerk, gelijk een vrouw op de vermaning van een' leeraar om Gods Woord-te hooren, ten antwoord gaf: „neen, hoor, ik kom niet in de kerk, dan ging ik nog naar Gods volk."

Zij bedoelde met dit laatste eene particuliere vergadering, waarin ook denkelijk bekeerde menschen waren met andere, doch één in de verwerping van Gods middelen en in eigengerechtig „ gestaltelijk" leven.

Ik zei daar verwerping van Gods middelen; en dat niet alleen op gebied van kerkelijk saamleven, maar ook op gebied van school en maatschappij en soms zelfs van huisgezin. Dit wil ik even bevestigen.

Voor meer dan 30 jaren vermaande ik eene moeder (de man was van huis) om haar zoon ter catechisatie te zenden, want hij was onder catechisatie, naar ik meen, gaan schaatsrijden. Zij was, als haar man, trouw in, de samenkomsten tot gebed, gezang en 't gehoor des Woords. Zij was er niet ongezegend. En van haar kreeg ik ten antwoord: „Och ! ik denk maar, de Heere kan mijn kind even goed in de herberg bekeeren, als in de kerk ; Hij is zoo vrij !" Zij liet zich niet overtuigen en gezeggen. De jongen is later in de gevangenis gekomen.

Ook van huisgezinnen verwaarloosd, kinderen „langs den dijk", zelfs zijn dagelijksche beroeping nagelaten.... ik zou met droefheid van deze dingen melding kunnen maken. Veelal is men in die kringen tegen elke Christelijke werkzaamheid al zijn deze in rechte wegen en in goeden geest en richting.

Iemand (n.b.'.z.g. Godsdienstonderwijzer) zei in tegenwoordigheid Gods en van een kerkeraad : Ik zou mij liever aan de hoogste schandpaal laten ophangen, dan dat ik mijn kind naar eene Christelijke School zond! Dezelfde man had op de vraag, waarom hij niet voor de Koningin bad, gezegd : „Dat doe ik niet, want ik weet niet of ze uitverkoren is !" 't Is ontzettend, zegt ge ? o ! daar gebeuren ontzettende dingen.

Uit hetzelfde beginsel komt 't ook, dat sommigen nooit aan eene-verkiezing voor de Tweede Kamer deelnemen en alle deze werkzaamheden op politiegebied voor ongeoorloofd achten. Dat die schrikkelijke drijverij, dat opgaan in „politiek" enz. velen tegenstaat, is te begrijpen wellicht; dat allerlei drukte buiten God om vaak gemaakt wordt en alles gedekt wordt met den Heiligen Naam, stuit ook ons tegen de borst; dat vreemde vuur en die vreemde middelen en dat verwachten van die middelen, als zoodanig, smart ons soms diep in 't harte; maar dat verwerpen van allerlei middelen en die misvatting van 't werk des H. Geestes vervult niet minder met bekommernis.

Wordt nu die verkeerdheid toegedekt, goedgepraat, ja gestreeld door mannen broeders, dan zal de Heere dat zien en zoeken; ons is het tot beschaamdheid en leedwezen; tot beschaamdheid, als we letten op de jaren, die achter zijn, waarin de sleutel der kennis ... omdat de Heere een oordeeler is in de geslachten.

Juist uit liefde tot Gods Waarheid en om Zijnen t wille, tot Zijne liefhebbers, hebben wij, mijn lezer, tegen de zonden van Gods kinderen te staan. Het: „verkondigt mijn volk zijne overtredingen", houdt zijne beteekenis; het „spreek naar 't harte van Jeruzalem'' worde nooit: spreek haar naar den mond, naar haar zin.

Als het in Jeruzalem wel gesteld is, zeggen hare inwoneren het: „Heere, uwe bestraffingen zijn vaak de beste medicijnen.

Er is veel te dragen in een tijd van verachtering; ook zeer verklaarbaar. Doch wee over hem, die het kwade goed noemt.

Ja! maar 't is Gods volk dikwijls, 'althans daaronder. Juist daarom mede. Maar is Gods Waarheid dan niet meer ? En zal Hij dan Zijne waarheid niet handhaven ?

Laat ons altijd banger zijn Gods Waarheid te na te komen dan de verkeerde gedachten van menschen, wie ze ook zijn.

De wet uws monds is mij beter dan dui­zenden van goud en zilver.

Een schande?

't Komt ons wel eens voor, alsof veel menschen, die tot de Hervormde Kerk behooren en alleszins godsdienstig zijn, niets liever doen dan den neus optrekken, wanneer er van „de belijdenis" of van „de drie Formulieren van Eenigheid" gesproken wordt.

Neen hoor! die „belijdenis" en die „drie Formulieren van Eenigheid, " daar behoort het toch niet om te gaan; zegt men dan. 't Moet toch om „de Schrift" gaan.

Dus ... gaat het een gereformeerd mensch, die gaarne over „de drie Formulieren van Eenigheid" spreekt dan niet om de Schrift?

Weet men dan niet, dat een gereformeerdmensch geen stukske belijdenis wil erkennen en bezitten, voorleggen en verdedigen of het moet overeenkomstig Gods Woord zijn?

Komt een gereformeerd mensch niet met art. 7 van de Ned. geloofsbelijdenis aandragen, waar staat: „wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wille Gods volkomenlijk vervat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven, om zalig te worden, daarin genoegzaam (vroeger gebruikte men het woord „volkomenlijk; " in de uitgave van 1566 staat „suffissament) geleerd wordt".

Om dan vervolgens te onderschrijven: Zoo is het den menschen, al waren het zelfs Apostelen, niet geoorloofd anders te leeren dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de Apostel Pauluszegt (Gal. 1:8.)"

Voor een gereformeerd mensch gaat het dus om de Schrift. Geen letter „belijdenis" of het moet „naar de Schriften" zijn.

En wel zóo, dat we art. 7 na zeggen; „men mag ook niet de schriften van menschen, hoe heilig zij geweest zijn, vergelijken bij de Goddelijke Schriften" en verder „daarom verwerpen wij van ganscher harte al' wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt".

Een gereformeerd mensch wil dus nooit anders dan zich in alles en ten allen tijde beroepen op de Schrift.

De Schrift is het eerste en voornaamste.

En dus de niet-gereformeerde menschen in onze Hervomde Kerk behoeven niet zoo smalend te zeggen: die belijdenis-schriften moeten we niet, we willen alleen de Schrift.

Want als het waarlijk om „de Schrift" gaat, dan moet men juist bij de gereformeerden zijn, die hun belijdenis verstaan en de belijdenis-schriften der Kerk liefhebben.

En neen, dan willen die gereformeerden hun „drie Formulieren van Eenigheid" niet loslaten, juist omdat zij erkennen, dat daarin, onder de kennelijke leiding des Geestes, de Schrift zoo heerlijk wordt nagesproken. Zóo, dat de Schriftuurlijke waarheden daar uitgestald zijn als begeerlijk goud en kostelijke edelgesteenten.

De Heere heeft Zijne kerk in deze landen die taal doen spreken, toen 'sHeeren Kerk zich in het midden van nood en dood, aan de Schrift mocht vastklemmen.

En die taal van onze Vaderen, die taal van de Kerk des Heeren in deze landen, willen wij in onze dagen nog naspreken, omdat het de taal van Gods Woord is, die voor ons nog bewaard is als een bewijs van 's Heeren gunst en genade, die ons van dat vaderlijk goed nog niet heeft willen beróoven — wat we dubbel waardig waren. —

En terwijl anderen spelen met de vernuftigheden van de moderne wetenschap, waarbij weinig of in 't geheel geen eerbied is voor de Schrift, willen wij ons scharen rondom de banier der waarheid, o in die uit te planten op elk terrein des levens.

Is dat dan zoo schandelijk? Is dat niet naar de Schriften?

Maar ... maar ...

We hooren zooveel menschen zeggen: niet die drie Formulieren van Eenigheid. 't Moet om „de Sclirift" te doen zijn en niwt om de formulieren.

Ach, arme! Wat komt de Schrift er bij die menschen dikwijls slecht af.

Om éen ding te noemen. Hoe weinig eerbied heeft de ethische theologie voor „de Schrift". Wat blijft er van het Oude-Testament over? Niet veel. Noch van de historie, noch van de profetie, noch van de poëzie.

't Wordt stuk voor stuk gekenmerkt als fictie en fabel — en feit is 't nooit geweest.

En dan 't Niéuwe-Testament?

Hoe wordt er geoordeeld over de Evangelieverhalen, de wonderen, de gelijkenissen?

Hoe over het Johannes-evangelie? Hoe over de brieven? Hoe over de Openbaring? Hoe over de Paulinische verzoeningsleer? Hoe over de uitverkiezing?

Schreef Ds. Lamers kort geleden nog niet voor Zondagsschoolonderwijzers, dat zij eens eerlijk aan de kinderen moesten gaan zeggen, dat zooveel in den Bijbel staat, wat onverantwoordelijk-leugenachtig geschreven is?

Hebr. 11 b. v. Wie zou er nu nog zoo dwaas zijn, om dat voor zijn rekening te nemen ? !...

Dus ... arme „Schrift". 't Is maar om „de Schrift" te doen zegt men dan. Weg met de belijdenis!

Maar... arme „Schrift".

De dwaze mensch wil het Woord, dat uit Gods mond uitging, te niete maken.

Onder de leuze dikwijls „om de Schrift!"

Maar dan willen we acht geven op die menschen, die veel religieusèr willen schijnen dan de mannen van de belijdenis.

En we roepen luide uit: wanneer zoovelen in onze dagen beweren 't is niet om „de belijdenis" te doen, maar om „de Schrift", dan zegt de Heere: beproef die geesten, of ze wel uit God zijn, want Satan weet zich te veranderen in de gedaante van een engel des lichts!

Dan waarschuwen we: 't is niet om God te doen, maar om den mensch.

En juist omdat het onze drie Formulieren van Eenigheid nergens te doen is om den mensch, noch om de wijsheid des menschen, maar om Gods Woord en Gods Woord alléén, zeggen we: we scharen ons rondom onze belijdenis, en het is een schande, dat zoovelen van de Hervormden die belijdenis verwerpen.

't Is vreeselijk, dat zoovelen zich voor die belijdenis-schriften schamen.

't Is ontzettend, dat onder de leuze : 't is ons om „de Schrift" te doen, aan.des Heeren Woord zoo gruwelijk geweld gedaan wordt.

Neen, we laten ons de belijdenis-schriften onzer Gereformeerde Kerk nog niet ontrukken.

En we weten het, dat zij die de drie Formulieren van Eenigheid liefhebben, eerbied hebben voor de Schrift en onder de meest belangstellende leden onzer Hervormde kerk behooren.

't Is heusch geen schande om met „de belijdenis" naar voren te komen.

Maar die van „de Schrift" spreken en „de belijdenis" verwerpen, vertrouwen we niet.

Een gebrek.

In het Friesch Kerkblad, orgaan van de Geref. Kerken in de provincie Friesland wordt in een onderhoudende en pakkende samenspraak geklaagd over een gebrek, dat te constateeren en te betreuren valt wanneer we ons oog laten gaan over het terrein van de Christelijke, meer bepaald gereformeerde theologie.

We wachten — zoo wordt gezegd — reeds zoo lang op studiewcrken, die door de hoogleeraren in de Geref. theologie zouden geleverd worden.

Vragen we: zuster Anna, ziet gij nog niets komen; b. v. een handboek voor de Inleidingswetenschappen, of Kerkrecht, of Kerkgeschiedenis, of Ethiek — dan is het antwoord steeds: nog niets!

In deze klacht ligt veel waars.

En het is jammer, dat zoo geklaagd moet worden.

Niet, dat er nog niets geleverd is. Want we hebben maar te denken aan de Dogmatiek van Prof. Bavinck, waarvan reeds een 2de druk verscheen, of we zien aanstonds een werk voor ons, dat genoemd mag worden. En niemand zal E Voto, de breede verklaring van den Catechismus, door Dr. A. Kuyper Sr. geschreven, als een peulschilletje wegwerpen !

Maar — 't is waar, er is nog weinig geleverd van hetgeen toch geleverd moet worden.

En  als oorzaak wordt door het Friesch Kerkblad genoemd: dat de hoógleeraren veel te veel in de couranten schrijven en elkaar daar in 't haar vliegen.

Zoo worden een heele massa dingen op dé markt van het publieke leven gebracht, die stil in de studeerkamer moesten blijven.

En in de studeerkamer wordt niet voortgebracht waar-een breede schare van Gereformeerden op zit te wachten.

Neen — wij zeggen volstrekt niet, dat de hoogleeraren in de Geref. theologie niets leveren.

Maar dat met de behoeften van het leven meer gerekend moest worden, dat onderschrijven we.

Inleidingswetenschap. Er is niets van.

Kerkrecht. Er is niets van.

Kerkgeschiedenis. Er is niets van.

Ethiek. Er is niets van.

„Ik heb wel eens gedacht, dat het m wel een beetje zit in de drukke krantenschrijverij van onze Hooggeleerden", zegt het Friesche Kerkblad.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's