Voor Jong en Oud.
Drank-ellende.
Ze stond in de deur.
't Was op de Oranjegracht te Leiden. Ze was nog jong en pas gehuwd. Als kind had ze op een fabriek gewerkt. Daarna was ze gaan dienen. In haar laatsten dienst was ze ettelijke jaren geweest, 't Was een deftige, wat meer zegt, een goede dienst!
Haar mevrouw was een vrouw met een helder hoofd en een warm hart. In stilte bestudeerde zij het karakter harer meiden en zonder dat dezen het merkten, werkte zij aan haar opvoeding. Zoo mevrouw, zoo meid. De meiden die haar huis verlieten, werden in den regel goede huisvrouwen.
Dat beloofde Betje Buis ook te worden.
Aanvallig was de verschijning der jonggehuwde vrouw, terwijl ze daar stond in de deur harer eenvoudige woning.
Welvaart, orde, eenige beschaving — omlijsting, welke ze uit haar laatsten dienst had meegebracht — was nog signatuur van haar wezen. Zielvol, moedig in haar blik. Moederweelde teekent zich als lichtend verschiet voor haar oog. Ze is als een vurig gloeiende roos.
Ze wacht haar man.
Hij is een eenvoudig fabrieksarbeider, maar ze is zoo gelukkig met hem. Zijn verdienste is gering, doch ze zijn tevreden.
't Wachten duurt lang. Haar gezicht betrekt Eindelijk, eindelijk komt hij opzetten. Maar hoe? Zijn gang is waggelend.
Ze ziet nog eens goed. Ze heeft zich niet vergist, 't Is haar Jan.
Schaamte, boosheid, droefheid kleuren haar gelaat. Droefheid krijgt de overhand.
Een traan welt in haar oog, valt op haar schort, een dikke, heete traan, als een blaadje van een roos ternedervallend. Het is de perste van een stroom van zilte tranen, die in dit vrouwenleven zullen worden geschreid .. .
Tien jaren later.
't Is Maandanmorgen. De scholen zijn juist uitgegaan, 't Speelt zich af op de Heerengracht. Tierend staan schoolkinderen rondom een dronken man, die gevallen is en niet weder kan opstaan. De meiden komen uit de huizen. Voorbijgangers staan stil. Ze vermaken zich in de belachelijke pogingen die de ongelukkige aanwendt om overeind te komen.
Vroolijk komt er nog een jongen aanloopen. 't Is een lekkere dikke jongen van acht a negen jaar, de blos op de koonen, een paar gloeiende kijkers in de kassen, 't Is Herman Buis, het zoontje van Betje. Hij komt van de Christelijke School op de Middelste gracht. Hij moet ook zien wat hier gebeurt.
„Zeg, jo, daar lait je vader", roept een zijner medescholieren hem lachend toe....
Het huwelijk van Jan en Betje is met een viertal kinderen gezegend. De kinderen zijn voorspoedig opgegroeid. Herman is de oudste. Hij is 't evenbeeld zijner moeder en ook haar lieveling.
Hij is nog zoo jong, maar toch al zoo wijs. Wanneer ze hem waarschuwt, kan hij haar zoo verstandig aanzien. Heeft zij leed, hij kan zijn wang zoo warm tegen haar wang aandrukken. „Moedertje" — als balsem druppelt dit woord in de wonde van haar ziel, wanneer Hermans kinderstem haar ermee uit haar peinzen wekt.
Meer nog dan de andere kinderen is Herman haar kind; niet slechts vleesch van haar vleesch, maar ook ziel van haar ziel.
„Jo, " je vader!" zoo zegt een andere jongen sarrend Herman toe.
Lachend ziet de éen, met medelijden de ander op het kind, op welks gelaat plotseling alle vroolijkheid gestorven is.
Is 't dan al zoó ver met vader gekomen?
Als van den donder getroffen staat hij een oogenblik.
Neen, van deze menschen is geen hulp te wachten.
Eén oogenblik nog. Hij keert zich om, snelt weg, als een pijl uit den boog, naar moeder.
Naar moeder.... In de Groenesteeg vertraagt zijn tred. Naar moeder.... Op de Oranjegracht staaf hij stil. Wat zal hij doen?
Wat zal zijn lieve moeder schrikken, zich schamen... {Hoofdst. luit „de Koloniaal"].
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's