Stichtelijke overdenking.
Maar ik zal in 't midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk: die zullen op den Naam des Heeren betrouwen. Zefanja 3 : 12.
Onder den godvruchtigen koning Josia was het in Juda wel tot een hervorming gekomen, doch bij velen helaas was het slechts vorm zonder wezen. Daarom moest de profeet Zefanja den volke aanzeggen, dat zoo het niet kwam tot waarachtige bekeering, God het zou treffen met Zijn geduchte oordeelen. Er was veel vroom vertoon, maar weinig vreeze Gods in het hart.
Kon het anders of de Heere, Wiens oogen naar waarheid in het binnenste zien, moest toornen? De goddeloozen en schijnvromen zouden vergaan, maar — en zie hier nu de groote ontferming Gods — in het midden van hen zou overblijven een ellendig en arm volk, dat op Zijn Naam zou vertrouwen. Daar zou God voor zorgen. Hij zegt: „Ik zal." Maar als de Heere zoo spreek, dan gebeurt het ook gewis.
Ten allen tijde was er dan ook een overblijfsel naar de verkiezing der genade en dit zal er zijn alle eeuwen door. Hoe droef het ook met Gods Kerk gesteld moge zijn, daar is altoos nog een volk, dat in oprechtheid de knie voor den Heere buigt. Hem dient, Hem vreest. Het is een volk, dat ellendig en arm is in zichzelf. Naar het uitwendige beschouwd is hun lot dikwijls ver van benijdenswaard. Gewoonlijk zijn het niet vele machtigen, niet vele edelen, niet vele wijzen, immers het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen zou beschamen en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen. En het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is zou te niet maken, opdat geen vleesch zou roemen voor Hem. Ongetwijfeld worden de meesten van Gods kinderen onder de onaanzienlijken gevonden. Toch is hiermee de beteekenis van het ellendig en arm niet uitgeput. Veeleer is hier sprake van geestelijke ellende en armoede, Die wordt juist door het volk van God gevoeld. Wel zijn alle menschen, wijl ze uit God zijn gevallen, zonder uitzondering ellendig, maar ons oog is er voor gesloten. We zijn in eigen schatting rijk en verrijkt, hebbend geens dings gebrek en we weten het niet, dat we jammerlijk, ellendig, naakt en blind zijn. O zeker, ook dat wordt door den mensch gemakkelijk uitgesproken, maar intusschen gevoelen we er niets van. We hebben geen gevoel van onze zonde en beseffen niet, dat wij God kwijt zijn. Geheel anders wordt dit, wanneer we eens een recht gezicht op onszelf krijgen. Dan wordt zonde pas zonde en schuld schuld. Dan wordt het gezien, hoe we tegen God gezondigd hebben. Zijn zoekende liefde hebben weerstaan, ja, Zijn handen, die dag aan dag tot ons uitgebreid waren, hebben afgeweerd. En dat zal juist zulk een reden tot droefheid zijn, dat we God, die met Zijn liefde ons omringde, moedwillig hebben verlaten. Of wordt het dan niet gezien, dat dit juist de oorzaak onzer ellende is, dat wij den Volzalige den rug hebben toegekeerd en onszelf bakken hebben uitgehouwen, gebrokene bakken die geen water houden? Maar waar zoo de tranen over het Godsgemis het zielsoog worden ontperst, daar komt ook een onuitbluschbare begeerte om met dien God te komen in een verzoende betrekking. Daar gaat het toch om bij een ontdekten zondaar.
Al volgde er geen straf en geen oordeel dan nog zou een door Gods Geest aangeroerde ziel bij het gezicht harer zonde beven voor de majesteit des Heeren, waartegen zoo snood gezondigd werd. Dat maakt haar ellende uit. Daarom komt daar uit de diepte der ellende een roepen tot God om ontkoming. De zondaar wordt overtuigd van zijn zonde, waardoor hij uit de gunst en gemeenschap Gods is gebannen. En nu ziet zulk een bij zichzelf geen hulp of uitkomst meer. Zelfs zijn beste werken ziet hij met zonde bevlekt en onder al zijn eigengerechtigheden kan hij niet anders schrijven dan „ten allen tijde alleenlijk boos." Zoo maakt God de Zijnen in bijzonderen zin ellendig, doch ook arm. Het een na het ander ontvalt.
De Heere ontneemt Zijn volk hun gewaande schatten, waarin ze die ook mogen stellen. Hij rukt weg de valsche leunsels en steunsels, opdat Zijn volk afziende van zichzelf zou hopen op Hem, Wiens werk volkomen is.
Zalige armoede, immers waar God het onze, waarop wij bouwden, wegneemt, daar geeft Hij er Zichzelf voor in de plaats. Daarom volgt er ook: „Die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.'" Zoolang we niet bedelarm zijn gemaakt, zullen we niet verlangen naar de kruimpkens der genade. Zoolang we nog iets in onszelf hebben om op te steunen, gaan we niet uit naar God. Het zal met ons buiten hope moeten worden, voordat we ons betrouwen op den Heere gaan stellen. Juist als we komen in onze zielsarmoede voor God, zal er niets anders overblijven dan de vlucht naar Christus, die uit Zijn volheid genade voor genade schenkt.
Wat schiet er ook anders over voor dezulken; die het leven uit eigen hand hebben verloren en bij zichzelf zijn omgekomen, dan op dien Naam des Heeren alleen te hopen? Op den Naam des Heeren, waarmee God Zich in Christus geopenbaard heeft als de Onveranderlijke en Getrouwe, Wiens beloften ja en amen zijn in Hem.
O die Naam des Heeren is zulk een kracht voor den armen zondaar, het is een sterke toren, de rechtvaardige zal daarheen loopen en in een hoog vertrek worden gesteld.
Waar aan onze zijde alle hoop op behoudenis ontviel, daar staat Christus als de Gewillige Zaligmaker over den ellendige op. Bij Hem ligt alles, wat ons noodig is. Wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing. Voor een arme en ellendige wordt zulk een Christus gepast en dierbaar. Wanneer we door Gods Geest aan onze ellende zijn ontdekt, kunnen we het ook buiten Jezus niet meer uithouden. We moeten Hem bezitten als den Borg onzer ziel. En welke hindernissen, welke moeilijkheden, welke bestrijdingen zich ook mogen voordoen, daar zal geen rust zijn voordat we het weten dat Hij de onze is.
Heel de leiding van God met Zijn volk strekt daartoe om Christus voor hen onmisbaar te maken. Daarom breekt Hij hun eigen werk af bij den aanvang en den voortgang, opdat zij afziende van zichzelf en-van al het hunne zouden opzien tot Hem, die met één offerande alles heeft verworven wat tot zaligheid noodig is. Niet gemakkelijk echter laat de mensch het zijne los. Hij wil zichzelf handhaven tegenover God. Hij wil niet sterven om het leven te ontvangen. Hij wil niet arm zijn om rijk gemaakt te worden. Wat is den mensch liever dan zijn eigen ik? En toch dat moet prijsgegeven. Van onszelf doen we dit nooit. We houden het onze vast zoolang, totdat de Heere ons te sterk wordt en het met al ons kunnen, willen en loopen in den dood gaat. Dan eerst zijn we geschikte voorwerpen voor Gods genade, die rijk is en vrij. Gelukkig zij, die het bij zichzelf opgevend, betrouwen stellen op den Naam des Heeren. Ze zullen niet beschaamd worden, maar ervaren, dat er een rijke God is voor een arm en ellendig volk. Ook al zal daar bij oogenblikken uit de benauwdheid der ziel moeten worden uitgeroepen: „Ik ellendig mensch!" die klaagtoon zal worden omgezet in den jubel der verlossing: Ik danke God door Jezns Christus mijnen Heere.
Behoort gij tot dat ellendige in het oog der wereld verachte volk? Zijt gij in der waarheid voor God gekomen als een arm zondaar, wiens hope verging?
Zoo neen, zie dan wel toe voor uzelf. Wie met de wereld leeft, zal met de wereld omkomen. Bekeert u dan en leeft, voordat gij uw voet zoudt stooten aan de schemerende bergen.
Hebt gij daarentegen uw zonde tegenover God leeren belijden en beweenen, hebt gij uw eigen diepe verlorenheid gezien, kunt gij, moegestredene, niets tot uw verlossing aanbrengen, o hoop dan op Hem, die uwe ziel kan troosten. En zoo de Heere nog toeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven om aan u te bevestigen het woord van den psalmist:
't Behoeftig volk in hunne nooden, In hun ellend' en pijn, Gansch hulpeloos tot Hem gevloden. Zal'Hij ten Redder zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 juli 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's