Uit het kerkelijk leven.
Is verwerping van Gods ordinantiën vroom of niet?
't Heeft den Heere beliefd om, zoo in O. T. als N. T., vele getuigenissen te plaatsen en stellige bevelen te geven, hoe men in Gods huis d.i. Zijne gemeente moet verkeeren.
Al dadelijk begint Hij met Zijne onderrichting. Adam de eenige huisvader, die den Heere gekend had in den Staat der Rechtheid en daarna in het Verbond der genade was ingeleid, heeft zijn kinderen, als priesters Gods, mede Gods bevelen geleerd en zij beiden. Kaïn als Abel offerden. Op zich zelf was het goed dat Kaïn Gods instelling eerde, doch dat het hem ten vloek werd in plaats van ten zegen, lag niet aan de instelling, maar aan den persoon van den offeraar. Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. En uit Hebr. 11:4 is ons al heel duidelijk „dat Abel door het geloof eene meerdere offerande Gode geofferd heeft dan Kaïn."
Bij Ezechiel (5 : 5, 6) leest ge: "zoo zegt de Heere HEERE: Dit is.leruzalem, welke Ik in het midden der heidenen gezet heb, en landen rondom haar henen." Doch zij heeft Mijne rechten veranderd-in goddeloosheid, meer dan de heidenen en Mijne inzettingen meer dan de landen die rondom haar zijn; want zij hebben Mijne rechten verworpen, en in Mijne inzettingen hebben zij niet gewandeld". Het daarom in vers 7 en vers 8 is zoo leerrijk voor een oprecht volk, dat niet in dwaling is bevangen of door vooroordeel beheerscht.
De opbrenging der ark (1 Kron. 15 : 13) en de afloop daarvan en de scheur, welke ontstond omdat men op Gods orde niet lette en Zijne bevelen verachtte, heeft ons zooveel te zeggen. Wat de Heere in de Philistijnen droeg (het zetten der arke op den wagen) bestrafte Hij in Zijn volk.
't Is goed te letten op de geestelijke gesteldheid, 't is strikt noodzakelijk. Jesaja 1 leert ons dat zoo duidelijk. De veelheid van dienst behaagt Gode niet. Evenwel niet omdat in die bedeeling van Gods Kerk de offeranden niet goed waren, doch de wijze waarop en alzoo de geestelijke orde werd niet in acht genomen. In N. T. bedeeling blijft de vermaning: oo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade conscientie (Hebr 10 : 22a.)
En wat is nu dikwijls het geval ? In plaats van bij onderzoek de schuld bij zich zelven te zoeken, wordt (en dit is gemakkelijk) de schuld gelegd op de inzetting Gods, straks deze verworpen en goede waarheden gezegd, om andere waarheden op zij te zetten.
Zachtkens aan komt men terecht in wegen waarin Gods ordinantiën worden veracht en omdat velen geen-zegen hebben, dewijl hunne oefening „niet met geloof gemengd is" zoekt men niet daarop te wijzen en zelf in geloof te mogen gebruiken Gods instellingen, doch verwerpt de inzettingen en gaat in onordelijke wegen zich zelven behelpen, en „vergadert leeraars naar eigen goeddunken" of gaat zich terugtrekken en komt straks met Elia klagen: „En' ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijne ziele". Zijn er dan twee of drie öf tien in dezen weg; "Dan gaan ze goede middelen verachten, elkander opbouwen in hunne afzondering, worden hoe langer zoo eigengerechtiger en het Conventikel is geboren, dat doorgaans heil verwacht van onmiddellijke Geestes bedeelingen en zich in gevoelsaandoeningen en toestanden van het gemoedsleven vermaakt, zonder op ernstige vermaningen en bestraffingen te achten en met Gods inzettingen te rekenen.
Dat de Apostel Paulus zich verblijdde over de gemeente van Colosse (2 : 5) „ziende hare ordening^'' en dat hij den Corinthiërs de overige dingen zal ordineeren, als hij tot hen zal gekomen zijn, en zooveel meer, wordt voorbij gezien en niet als Gods Woord gerekend.
Komt het nu voor, dat predikers van Gods Woord deze menschen ontzien in hunne verkeerdheid, omdat ze wat de gronden van des menschen zaligheid en de werkzaamheden des H. Geestes en allerlei geestelijke ervaring in de gemeenschap Gods, bij hen veel goeds vinden en warmte in 't gemoedsleven, en ernst in 't Woord, dan wordt dit verschijnsel zeer gesterkt; want hoewel die lieden niets geven - om ambt en bediening en middelen door den Heere besteld, ze zijn er nog wel op gesteld, dat predikers van Gods Woord een gunstig oordeel over hen hebben en hoe minder zulk een prediker spreekt over alle de inzettingen Gods, hoe beter; kan „men" dan nog wel met hem praten over wat noodigis tot eigen zaligheid en wat gekend wordt op den weg, „men" moet niet met hem praten over kerk en hare saamkomsten en Sacramenten en alle geopenbaarde middelen en wegen, want dan is hij een vijand. Waarvan? Van Gods kinderen? Heeft hij ze niet lief om Gods wille? Is hij niet hartelijk met hen vereenigd in de zake van den heilsweg enz. ? Ja, doch als hij naar zijn roeping, zich stelt tegen hunne dwaling en ongeregeldheid en miskenning van Gods inzettingen, dan.... dan is hij een vijand; zwijgt hij daarover, speelt hij met zijn eigen ambt en arbeid en laat hij hen in hun weg ongewaarschuwd, dan gaat het nog wel; zoekt hij hen in 't gevlei te komen, nog beter.
Nu is hier soms onkunde, vaak eigenliefde in het spel; rnaar men komt daarom niet te min Gods eere te na, en sterkt of sticht er wanorde.
De grond zit hier in misvatting van Gods geopenbaard Woord in zijn geheel; men neen't eenzijdig wat aanstaat en loopt (soms draaft!) door op eene zijde van de waarheid met miskenning van de andere zijde, en komt er straks toe om wijsheid te zoeken niet uit en naar Gods Getuigenis, maar bij ben, die men naar zijn privaat gevoelen boudt voor Gods kinderen en hunne ervaringen en invallende gedachten, die vaak als bizondere ingevingen worden geacht, worden als maatstaf genomen ter beoordeeling van deze of gene zaak of weg, in plaats van 't licht van Gods Woord.
Noodig is „verstand met goddelijk licht licht bestraald" in het Woord en moed om aan bekeerd en onbekeerd en aan de rechtvaardigen (in Cbristus) en den goddeloozen des Heeren waarheid aan te zeggen; want „dat Woord zullen we laten staan".
Voor ruim 30 jaar vermaande ik iemand om op Gods dag, vooral onder kerktijd, toch niet menseen gelegenheid te geven, om zonder noodzaak, per bootje over de vaart gezet te kunnen worden; dat gaf gelegenheid te meer voor uitgaan en maakte noodzakelijk dat er altijd één meer uit zijn huisgezin de godsdienstoefening verzuimde. Hij was volstrekt niet aangesteld als veerman, 't was om een paar centen te doen. En wat kreeg ik ten antwoord? Wel dit: Als het mij tot zonde wordt, dominé, laat ik het, maar anders niet. Een ander (in Renkum) had in de Christelijke school (ik had vacature) een preek hooren lezen van Hellenbroek of Smytegeld of iemand van den geest dier mannen, over den tekst: „Mijn zoon, geef Mij uw hart". Hij komt uit die vergadering en vond het heelemaal mis. Was me dat een preek? Ja, zei iemand, heel goed; van Hellenbroek nog wel, zoo ik meen. „Och! Kom! Geef mijn hart! Ja, was 't antwoord: 't Is Gods Woord! Neen man, hield de eerste spreker vol, 't was mis, 't moest zijn: Neem mijn hart!
Niet zoo kwaad bedoeld wellicht.
Doch waar komt men met „goede bedoelingen op die manier? Men redeneert heel Gods Woord weg, en alle Gods rechten en vernietigt het gezag van dat Woord als zedelijk instrument op de conscientie van velen en laat het als instrument des H. Geestes, waardoor de Heere menschen bekeert, feitelijk los.
De bedoelde „conventikelen" zijn geheel iets anders dan de gezelschappen, welke men oudtijds veel en nog op sommige plaatsen vindt. Kringen van vrienden van Gods Waarheid, die tot onderlinge stichting saamkomen en de ervaringen naar het Woord en vaak onder de openbare bediening elkander mededeelden tot bevrediging of elkaar raad gaven of verklaring van sommige zaken. Die gezelschappen waren, onder goede verstandige leiding, een zegen eii ik weet er van, hoe men voor 50 jaren, na de preek in Ee of Woudsend, het gehoorde overdacht en besprak, en men in Oosthem of Anjum, in Heeg of Balk nabetracbting hield en er „verdieping van geestelijk leven" gewerkt werd door onderlinge bespreking; 'k weet er ook van, hoe men „in het koflfiehuis" (in een woning van een weduwe of armere) saamkwam na de preek en ik heb met ontroering 't gemeenschappelijk gezang gehoord en gedacht: nu bidden ze nog voor de gemeente en voor mij en dan gaan ze op tot de geordende middelen ...
Zoo waren die gezelschappen een steun voor den arbeid en zegen voor 't volk.
Nu zijn 't vaak — 'k wil niet ontkennen — mensen, die 't welmeenen en daaronder van 's Heeren kinderen, doch die de verwarring vergrooten en zich stellen tegen de middelen; hen liefhebben, voor zooverre ze God vreezen, dat gaat; doch om 's Heeren wil en uit liefde tot Zijn geopenbaard getuigenis, hén ook terugroepen tot de gehoorzaamheid des Woords, is zeer noodzakelijk.
Over Sehoolbesturen.
Tal van onze mannen zitten natuuriijk in Schoolbesturen.
Want de School met den Bijbel ligt ons na aan het hart. Daar geven we gaarne ons gebed, onze gave, onze krachten en onzen tijd aan.'
En dan is het niet makkelijk om in een Schoolbestuur te zitten, want, daar is veel werk aan verbonden ; vooral voor den Voorzitter, Secretaris en Penningmeester.
Toch kunnen we onze taak in deze niet ernstig genoeg nejnen, en we zullen ons in de School geheel moeten inwerken.
We moeten geen vreemdeling zijn in „onze" School.
Daarom deed het ons goed, dat uit de onderwijzers wereld ook nog weer eens een woord kwam, om dit den Bestuursleden onzer Scholen op het hart te binden.
De onderwijzers zijn er dus op gesteld, bizonder op gesteld, dat de Bestuursleden de School bezoeken; meeleven met de School, met oordeel over de School kunnen spreken; besluiten nemen, die werkelijk voor de School van belang zijn; enz.
't Blijkt uit hetgeen de heer Wirtz onlangs te Appingedam zeide. Hij sprak:
»Maar ook onze schoolbesturen hebben een roeping die ze moeten leeren verstaan. Tot heden meenden velen dat ze al genoeg deden als ze zorgden dat de dubbeltjes in de kas kwamen; de onderwijzers zouden wel zorgen dat de gelden er fatsoenlijk weer uitkwamen. De besturen staan echter nog voor een andere taak! Zij hebben te beseffen dat ze tegenover het Rijk verantwoordelijk staan voor het leerplan en voor de geheele inrichting van de school. In dat opzicht hebben we bij het bijzondere onderwijs een gezondere toestand dan bij het openbare. Als daar het leerplan een wijziging moet ondergaan en het hoofd der school wil het niet, dan gaat het over.
Noch Burg. en Weth. noch de raad, noch de schoolopziener kan hem noodzaken; zelfs de Koningin kan daar niets tegen doen.
Bij het bijzonder onderwijs moet het schoolbestuur het leerplan indienen. Natuurlijk laat het zich daarbij voorlichten door het hoofd der school, evenals iemand die een huis wil bouwen, aan een architect opdraagt om bestek en teekening te maken. Maar evenmin als die man zich blindelings aan den architect zal overgeven, maar zelf zal oordeelen zoover zijn oordeel strekt, evenmin mogen onze schoolbesturen het leerplan teekenen, zonder zich vooral zooveel mogelijk op de hoogte te hebben gesteld. Het schoolbestuur draagt de verantwoordelijkheid.
Allicht kan dat overleg in den eersten tijd wat narigheid geven. Men heeft gewoonlijk geen last met menschen die goed op de hoogte zijn, ook niet met hen die niets weten, maar juist het meest met hen die een beetje weten. Maar met - wat goeden wil en wat practisch overleg komen we ook dat wel te boven.
Naast de onderwijzers, die zich geheel aan de school kunnen geven, moeten oytze schoolbesturen 'zich ook zooveel mosrelijk geheel kunnen inlevenin alle deelen van het onderwijs. En al gaat dat niet aanstonds overal even goed, als we maar eerst inzien dat de lagere school een eigen karakter heeft, die voor hare ontwikkeling, vrijheid en zelfstandigheid noodig is, dan hebben we reeds veel gewonnen."
„De School met de Bijbel" (het uitnemende schoolblad dat 2 X per week verschijnt, onder redactie van bekwame schoolmannen; uitgevers Oosterbaan en Le Cointre, Goes, f 0, 75 per 8 maanden), die bovenstaand onder onze oogen bracht, teekent er bij aan : „Dit woord onderschrijven we gaarne. Dat we dit overnemen, bedoelt het in wijder kring bekend te maken.
't Is meer gezegd, dat onze Besturen zich in de school moeten inwerken, dat ze van het hoofd de noodige toelichting moeten vragen, maar we weten hoe het gaat! Onze mannen hebben het druk Maar laat er nu en dan een vergadering belegd worden, waarin het hoofd toelicht bet leerplan voor een der vakken, waarbij bij inzage geeft van te gebruiken boekjes. Onze bestuurders zijn in den regel menschen, die zelf wel geprofiteerd hebben van het lager onderwijs, niet zelden van het middelbaar en hooger, die spoedig op de hoogte zijn.
Het is zoo goed de hand er aan te houden, opdat we straks geheel klaar zijn, geheel in 't onderwijs ingewerkt, als we nog eens geroepen worden, geheel het onderwijs van den Staat over te nemen."
Zéér hopen we, dat ónze mannen op deze raadgeving van den heer Wirtz en op deze wenken van „de School met den Bijbel" zullen willen achtgeven.
Is het wel mogelijk?
Er wordt nog al eens wat gevraagd. Maar er is ook zooveel noodig. En bedenken we wel altijd: het is zaliger te geven dan te ontvangen ? Als bet eens uitgerekend werd zouden we dan wel 1/10 van ons inkomen weggeven voor de dingen van Gods Koninkrijk, waarvoor ons telkens een gave gevraagd wordt ?
Vooral in onze Herv. kringen hoort men wel eens de opmerking : „er wordt ook zooveel gevraagd." Waarop wij zouden willen antwoorden: gelukkig! want het is een bewijs dat de boel nog niet dood is; geef, geef daarom veel. Ge zult het terugvinden op Gods tijd.
Het onmogelijke te willen bereiken door maar te gaan collecteeren, is evenwel te veroordeelen. Dat moet op den duur toch spaak loopen.
En dat denken we wel eens, wanneer we telkens de plannen hooren van „de Geref. Kerken."
Zeker, daar geven ze veel. Dat hebben ze daar wel geleerd. Voor Kerk, School, Armen, Zending enz. enz. Zóo veel, dat het bewondering afdwingt. Dat. het óns Hervormden, dikwijls beschamen moet. Daar wordt „ook een gemeenschapsband gevonden" in de Geref. Kerken. Saamwerking. Daar leeft men uit éen beginsel.
En ja — er zal wel een tikje ijdelheid bij komen. Werkheiligheid blijft doorgaans óok niet lang op de mat buiten de deur staan. Door; een kier weet ze één twee, drie binnen te komen. Maar dat neemt niet weg, dat er zoo gecollecteerd wordt in „de Geref. Kerken, " dat 't ons, Hervormden, tot een voorbeeld kan strekken. B.v. ineen jaar maar even 100 duizend gulden voor de Zending, 't Is geen kleinigheid ! Maar ... alles heeft z'n grenzen.
Bij de zorg voor Kerk, Armen, School, Zending enz. enz. komt als een zware last bet onderhoud van de Theol. School te Kampen en van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Zeker, men draagt het blijmoedig.
Maar... wat onmogelijk is, kan nu eenmaal niet.
En daarom wordt het aantal Hoogleeraren te Kampen nog maar steeds beneden bet getal gehouden en het aantal Professoren te Amsterdam, pas door den dood van Biesterveld en het emeritaat van Rutgers, met twee verminderd, niet aangevuld. Terwijl ook Rechten en Letteren ook lang nog niet op peil zijn.
En dan wis-en natuurkunde. En medicijnen !
Zeker men schrijft het alles wel in 't program. En men maakt plannen. En men collecteert. Maar we vragen toch in gemoede : moet dat nu zoo blijven, dat men Kampen en Amsterdam houdt en dat men dan in Amsterdam een volledige Universiteit tracht te verkrijgen staande in den kring van „de Geref.' Kerken" ?
En vooral dat laatste bedoelen we. Is dat nu mogelijk of is 't niet mogelijk ?
„De Heraut" van 2 Juli j.l. deed ons weer bij vernieuwing over deze zaak denken. Want daar wordt naar aanleiding van bet laatste jaarverslag van de Vrije Universiteit ~ o.a. gezegd: „Met blijdschap zal voorts vernomen worden, dat Directeuren met ernst op een zoo spoedig mogelijke uitbreiding der Medische faculteit bedacht zijn en ook wenschen over te gaan tot stichting eener Natuurkundige faculteit. Moge daarbij versterking der andere Faculteiten intusschen niet uit het oog verloren worden.'-„Zal zulk een uitbreiding van de Universiteit mogelijk wezen, dan dient echter in de eerste plaats gezorgd te worden voor versterking van hare financiën. Het budget sluit ook dit jaar met een tekort van f3791, 46; en dat dit tekort niet veel hooger is, ligt alleen daaraan, dat de bestaande vacalure in de Theologische faculteit nog niet is aangevuld. Anders zou bet nadeelig saldo meer dan f8000 hebben bedragen."
„De inkomsten der contributiën zijn in drie jaar tijds met ongeveer f1700 achteruit gegaan." „In de grootere kerken nemen de collecten regelmatig af. Amsterdam gaf in 1907 f521 en in 1910 f462. Overtoom collecteerde in 1907 f 152 maar in 1910 f103. Utrecht, dat in 1907 f481 gaf, daalde in 1910 op f 280. Arnhem ging achteruit van f83 op f27. Leiden van f121 op 57." „Waar dit verschijnsel zich schier bij alle grootere kerken voordoet, wijst dat op een achteruitgang, die te betreuren is." „Wat de stichting van een nieuw gebouw betreft, deelen Directeuren mee, dat van de f 50, 000 uöbdig om den bouw te beginnen, thans f29, 500 aanwezig is. Iets meer dus dan de helft, maar zeker niet genoeg."
Deze opmerkingen van „de Heraut" deden ons tot een gansch andere gedachte komen dan „de Heraut" zelf koestert.
Want „de Heraut" zegt. „vermeerdering van de contributiën blijft noodzakelijk. En niemand zegge, dat dit .niet kan of dat het uiterste bereikt is. Voor de Zending brengen onze Gereformeerde Kerken jaarlijks meer dan een ton bijeen, die in hoofdzaak door de collecten verkregen wordt.
Waarom zou dan een zelfde bedrag ook niet kunnen opgebracht worden voor onze Gereformeerde Universiteit ? "
En ziet — zóo zouden wij niet willen redeneeren. Omdat men reeds 100 duizend gulden voor een bepaald doel bijeen brengt (een som die verbazingwekkend is, maar ook niet mag verminderen) daarom kan men voor een ander doel nog maar niet eens 100 duizend gulden er bij geven. Dat is geen redeneering. Men kan een kring van menschen ook te zwaar belasten.
Temeer waar het kerkelijk leven in bovenbedoelde kringen er niet goedkooper op wordt, b.v. door den Evangelisatiearbeid, den arbeid voor Weezen, Weduwen en Ouden van dagen, — ook door de toenemende weeldezucht in tal van kerken, die zwaar gaan onder een bovenmatige schuldenlast. Waarbij niet onopgemerkt mag blijven, dat ook bet huiselijk leven hoe langer hoe meer gaat vragen en de ongelukkige geldspeculaties helaas! niet altijd zonder aanrakingspunt blijven met Gereformeerde menschen en ondernemingen door Gereformeerden beheerd.
Wij vinden het wel wat gewaagd, ja we vinden het onverstandig om héél kalm te zeggen „waarom zou er geen 100 duizend gulden per jaar bij kunnen ? Niemand zegge, dat dit niet kan of dat het uiterste reeds bereikt is." Want alles heeft z'n grenzen.
En dat doet de vraag geboren worden, of het wel goed is, om in een betrekkelijk zoo kleinen kring zoo'n groote onderneming van een volledige Geref. Universiteit te beperken en te doen alsof het makkelijk kan worden uitgevoerd.
Wij gelooven dat het op den duur spaak zal loopen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's