De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

Nog één ding ontbreekt u. Lukas 18 : 22b.

Eén ding tekort.

Dwaas was het antwoord dat de Heiland eenmaal van den rijken jongeling ontving.

Gij kent hem allen, dien Overste, die door den Heere met zooveel tijdelijke zegeningen bevoorrecht was.

Immers hij was niet slechts met vele aardsche goederen bedeeld, maar bovendien was hij uit een aanzienlijke familie gesproten en had het dan ook tot de waardigheid van overste der synagoge gebracht. Bovendien was deze jongeling uitwendig zeer godsdienstig te noemen. Hij was niet als zoovele anderen van zijn leeftijd, die hun tijd doorbrachten in dartele ijdelheid, die zooveel mogelijk van de wereld trachtten te genieten, meenende dat het om God te dienen later, als zij oud waren, nog tijd genoeg was.

Neen, van onverschilligheid en uitbrekende goddeloosheid - was bij dezen jongeling geen sprake. Met degenen, die het openlijk uitriepen: „wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust", had hij dan waarschijnlijk ook nooit medegedaan.

Integendeel, hij had altijd in stille ingetogenheid geleefd; hij had altoos geloofd aan de goddelijke openbaring die in Mozes en de profeten aan het volk van Israel gegeven was. In plaats van met het Woord des Heeren te spotten, was daar jegens dat Woord altoos een diepe eerbied in zijn ziele geweest.

En toch bij al wat deze jongeling was, bij al wat hij deed en bij al wat hij bezat had zijn ziel nog geen rust kunnen vinden. Hij gevoelde dat om waarlijk gelukkig te zijn, om straks onbevreesd den dood tegemoet te kunnen gaan er nog iets anders noodzakelijk was.

Vandaar de bekende vraag, die hij tot den Heere Jezus gericht heeft: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?

Op die vraag heeft de Heere hem voorgehouden de tweede tafel van Zijn heilige Wet. En nu was het dwaze antwoord dat de rijke jongeling daarop gaf: al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af.

De rijke jongeling meende dus nooit overspel te hebben gedaan; hij meende nooit iemand te hebben gedood; hij meende nooit gestolen, nooit valsche getuigenis gegeven te hebben; hij meende nooit zijn ouders ongehoorzaam te zijn geweest. En wij gevoelen wel dat in zeker opzicht deze jongeling daarin wellicht gelijk heeft gehad. Wanneer wij de geboden van 's Heeren Wet alleen letterlijk opvatten dan is het wel mogelijk dat hij zich aan meerderen van die geboden nimmer vergreep. Maar als we iets kennen van de diep geestelijke beteekenis van de Heilige Wet onzes Gods, dan gevoelen we ook aanstonds iets van de dwaasheid, die er in het antwoord van dezen jongeling lag opgesloten eu dan verstaan we ook iets van wat Jezus tot hem sprak: „Nog één ding ontbreekt u."

Ja, één ding ontbrak hem. Maar in dat êéne lag alles.

Zoolang hij dat ééne miste, was hij met al zijne rijkdommen nameloos arm.

Dat is evenals in het natuurlijk leven. Gesteld daar is iemand die een overvloed van aardsche schatten bezit; hij heeft alles wat hij maar immer wenschen of begeeren kan. Maar er is één ding dat zoo iemand ontbreekt, en dat is zijn lichamelijke gezondheid. Hij heeft een kwaal onder de leden die langzaam maar zeker zijn krachten verteert en waarvoor tegen schatten gouds geen enkel genees­middel te vinden is, een kwaal die hem dus binnenkort ten grave zal sleepen, dan zoudt gij immers, als ge een gezond lichaam bezit, met dien man 'met al zijne schatten niet ruilen willen. In dat ééne toch, in de gave der lichamelijke gezondheid, mist hij eigenlijk alles. Buiten dien éénen schat baten al zijn andere schatten hem niets.

En zoo was het nu in geestelijk opzicht met dezen jongeling ook. Eén ding ontbrak hem, maar buiten dat ééne kon hij in al het andere niet vinden wat voor hem onmisbaar tot zaligheid was.

En dat ééne wat hem ontbrak, weet ge wat dat was? Het was niet zijn lichamelijke, maar zijn geestelijke gezondheid. Het was de rechte zelfkennis, de kennis van zijn diepe verlorenheid en totale ongeschiktheid om door eigen verdiensten gezaligd te worden.

En als de Heere Jezus hem dat wil leeren, als Hij hem den hoofdeisch van de Wet voorhoudt en als Hij het hem als 't ware toeroept dat hij het door al zijne goederen aan de armen te geven eens toonen moet dat hij werkelijk zijn naaste als zich zelven bemint, dan ziet gij den rijken jongeling bedroefd worden en dan weet gij dat hij zich in die droefheid van den Heere Jezus heeft afgekeerd.

Toen de rijke jongeling dus voor de keus werd gesteld: de schatten der aarde of de schatten des hemels, heeft hij de eersten gekozen en de laatsten verworpen. Toen hij kiezen moest tusschen God en den Mammon, tusschen Christus en Belial, toen bleek hem zijn geld veel nader aan het hart te liggen dan die hemelsche schat van de gemeenschap met God. Hij had zich zelf te lief dan dat hij een weg van armoede en ontbering met Jezus kon kiezen boven een weg van weelde en genot zonder Jezus.

De rijke jongeling was als Orpa, aan wie het ook niet gemakkelijk viel om van haar .schoonmoeder afscheid te nemen, maar die toch ook, toen zij op de grens van Moab en Israel kwam, naar haar volk en naar hare goden is wedergekeerd. Hij was als Demas, van wien Paulus zegt dat hij de tegenwoordige wereld had liefgekregen.

Alles te moeten verliezen en dan bovendien nog een volgeling te moeten worden van een Man, die het getuigde: „de Vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen /heeft niets waarop Hij het hoofd kan nederleggen"; neen die eisch was voor den rijken jongeling te streng om hem te vervullen; die rede was te hard om er gehoor aan te geven en vandaar dat hij, zij het ook met een weenend hart, den Heere den rug heeft gekeerd.

En zeg nu niet, zoo'n dwaze keuze zou ik niet hebben gedaan en zoo'n dwaas antwoord als de rijke jongeling gaf zou ik den Heere nooit gegeven hebben; ik weet wel dat ik schuldig sta niet slechts aan één maar aan al de geboden van Gods Heilige Wet.. Want ach, zoolang als God u dat niet geleerd heeft weet gij dat niet. Zoolang de Heilige Geest niet overtuigend en ontdekkend in uwe ziel werkzaam is, zijt gij aan de kennis uwer verlorenheid ten eenenmale vreemd. Wanneer het er dan op aankomt dan geeft ge hetzelfde dwaze antwoord en dan doet gij dezelfde dwaze keus.

Van nature zijn we allen aan dezen jongeling gelijk. We mogen dan misschien niet zoo rijk zijn als hij eenmaal was; wemogen het niet tot datzelfde eerambt gebracht hebben als waartoe hij was verheven geworden; we mogen misschien, omdat we verstandelijk beter in Gods Waarheid onderlegd zijn, zijn woord met onzen mond niet gaarne willen uitspreken; maar ons hart is, zonder de wederbarende genade van Gods Geest, even eigengerechtig als het zijne. Wat ons van nature allen in den weg staat, het is onze gewaande geestelijke rijkdom, waarmee we meenen te zijn toegerust.

Ja, onze gerechtigheden, waarmee we nog hetzij dan geheel of gedeeltelijk voor God meenen te kunnen bestaan, zij zijn het groote slot waarmee wij ons zelve de deur dés hemels hebben toegesloten. Zij zijn de oorzaak dat we zoo vaak dezelfde keus doen als waartoe de rijke jongeling eens kwam en dat het woord des Heeren ook aan ons bevestigd wordt: „het is lichter dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods."

Eerst als de Heere ons al onzen vermeenden rijkdom ontnam, - zoodat we van rijke jongelingen arm voor God zijn geworden; eerst als al onze gerechtigheden voor ons geworden zijn tot een wegwerpelijk kleed en we van dat kleed hebben afstand gedaan, dan zal dat ééne, dat den rijken jongeling ontbrak, ons geschonken worden,  en in dat eene zullen we dan bezitten dien schat, waar de mot en de roest niet verderft en waar de dief niet kan doorgraven en stelen, maar die voor alle armen van geest eeuwig in de hemelen wordt bewaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's