Uit het kerkelijk leven.
Vanwaar komt dit?
Geheel de leidingen Gods met Zijne Kerk toonen aan, dat de mensch Hem noodig heeft in alle wegen. Als de Heere zoo goed is om eene dwaling te ontdekken of eene breuke te heelen, dan duurt het vaak niet lang of er zijn er die beginnen te lijden aan eene tegenovergestelde dwaling.
Ook in die reactie spreekt de dwaasheid van onze natuur. Is er een tijd, waarin het leven van Gods kinderen verwereldlijkt en straks wereldgelijkvormigheid en bij velen wereldliefde gaat heerschen, dan zult ge in de kringen der oprechten van hart, enkele jaren later soms, een wereldschuwheid vinden, juist niet altijd in de volstandige haat tegen de zonde, maar die overdrijft in allerlei kleinigheden van kleederendracht en gewoonten en manieren. De wereldsche manieren worden vervangen door andere, die de buitenstanders soms aan veinzerij en vormendienst doen denken en waarin zachtkens aan het vleesch behagen schept en ge krijgt een eigenaardig stempel op 't leven en een levenstoon, die het aantrekkelijke heeft van „doopersche mijding" en de kloosterdeur zou kunnen doen opengaan.
Daartegenover ziet ge, na enkele jaren, , weer opkomen een geest, die er op uit is "om de wereld te veroveren", zoo het heet, „voor Christus" en de vreeze Gods wijkt en daar kan alles bij door en de overdreven „preciesigheid" in kleinigheden van vroeger moet plaats maken voor een wereldsch Christendom.
Met andere waarheden gaat het evenzoo. B. V. met de leer der rechtvaardigheid door 't geloof alleen. Is er een tijd geweest, waarin deze leer veracht werd en de troost daaruit niet gesmaakt en men bij eigen werken leefde en bij allerlei wet, dan gaf de Heere aan enkelen, straks aan meerderen, zijne waarheid te verstaan, en 't duurde vaak niet lang of men zag de eenzijdigheid, welke recht gaf tot de vraag: Maakt deze leer geene goddelooze en zorgelooze menschen?
Was de leer der uitverkiezing, het „cor ecclesiae" (hart der kerk) uit 't oog verloren, en had zij niet meer de plaats in 't zieleleven en denken, welke de Heere haar had aangewezen en gaf Hij daarna door Zijne genade haar in hare troostvolle beteekenis te verstaan, 't kwam bij sommigen zoover, dat ze overdreven en al de roepingen Gods (en de roeping) voorbijzagen en nu niet het „doopersch" pad opgingen, doch de menschelijke verantwoording voorbijzagen en den weg betraden van fatalisme ('t is fataal!) en determinisme en iets „mahomedaansch" kregen voor het ware Christelijke en valsche lijdelijkheid nam het harte in voor de rechte geloovige afhankelijkheid.
Zoo ook, als ge overdreven vooropstelling van „kerkelijke ordeningen" hadt, dan legden anderen eenzijdig den nadruk op „geestelijke betrachting"; overdrijving wijst vaak op vroegere verwaarloozing.
De Heere doet de noodzakelijkheid inzien van de bede: Heere, leid Gij mij, want ik ben gevaarlijk om of aan den eenen of aan den anderen kant van den weg af te gaan; op den hemel weg zijn „blinden, lammen en ook kreupelen."
Vele misstanden in het kerkelijk leven worden verklaard en vinden eenigermate verschooning uit vroegere toestanden en verkeerdbeden of ook omdat een deel van de belijders der oude, neen, der eeuwige waarheid, eenzijdig verkeert, gaat soms een ander deel tot een ander uiterste over.
Zelfs in den preekvorm is dit na te wijzen. Op zeer geregelden vorm en groote netheid in taal volgt ongeregelde vorm en de grootste slordigheid in uitdrukkingen, en verwaarloozing van de eerste beginselen van homiletischen eisch en taalkunde. Hoe ongeregelder, zoo van alles door-elkaar, hoe beter; alle waarheden in één uur en dan zoo „populair", dat het akelig is. Studie is in 't laatste geval overbodig. Het „ik heb bedaard Uw wegen, nagegaan", och neen, de geest geeft het wel en de angst doet het andere; de „zilveren schalen" hebben geene waarde; Salomo wist het niet goed.
" De Heilige Geest leert andere dingen en doet ons, bij verwaarloozing, letten op vroegere afwijkingen, toen vaak „sierlijke" steenen (maar 't waren steenen!) voor brood werden gegeven, en schoone schalen „zonder gouden appelen."
Wij begrijpen opperbest, dat een behoeftig volk brood noodig heeft en liever een „gouden appel" heeft op een minder netten (haast schreef ik op een vuilen) schotel, dan op keurig vaatwerk vergulde of imitatie-vrucht.
Alleen hier ook moest de reactie niet een ander euvel werken.
Zijn het nu particulieren van weinig ontwikkeling, zoowel leerstellig als letterkundig, die in eene vergadering spreken over de eerste beginselen van den weg der zaligheid en die wat heel alledaagsche voorbeelden gebruiken en uitdrukkingen bezigen, dan kunt ge dat begrijpen. Merkt zoo'n spreker dan dat „hij bevalt", dan wordt het soms „hoe maller, hoe mooier."
'k Hoorde voor jaren in Wageningen iemand aardige dingen zeggen, ook waardige; doch daar tusschendoor dingen, die aanleiding geven tot misverstand. Zoo zei hij b. v.: Wij hebben bij ons (in eene buurtschap) geen staande kerk, maar eene rijdende (riejende) kerk, want hij had op een boerenwagen gestaan toen hij daar sprak. Een ander sprak ook van „stooterige" schapen enz. Eens had iemand oefenaars-examen gedaan en moest eene kleine somme gelds betalen, na 't examen, wegens den langeren duur en meerdere onkosten der Classicale vergadering en geroerd sprak hij: Mijn Heiland heeft alles voor mij betaald en nu moet ik ook nog betalen. Een enkele ouderling vond die uitspraak mooi en 't mannetje wist wel niets van Gods Woord, doch was wel innig. Later scharrelde hij wat als „vrije dominé".
Enz. enz.
Koelman's naam durf ik hierbij niet direct noemen. Hij was te degelijk en te godzalig en achtte de Kerk des Heeren te hoog. De naam van Labadie komt me haast voor de aandacht. Zeker, die van Buddingh en van den godvreezenden Ledeboer, wiens zoo lieve versjes mij uit mijne jeugd zijn bijgebleven,
In den diep vervallen toestand van 's Heeren Kerk in deze landen gaf de Heere vaak blijk van Zijne bemoeienis en dat Hij Zijn verbond hield, niettegenstaande er breuken waren zeer diep en wijd. En toen, zeg voor 140 jaren, de wateren des Heiligen Geestes schenen te wijken en dwaling van allerlei aard sterker werd én de waarheid begon achterwaarts te gaan, en dorre stelselmatige prediking in de Kerken werd gehoord, toen bewaarde de Heere Zijn Kerk voor ondergang door particuliere personen te bekeeren en te verwekken om hunne algemeen Christelijke roeping te betrachten en anderen door toespraak, straks in grootere of kleinere vergadering te onderwijzen en te vermanen en op te bouwen in „'t allerheiligst geloof."
Vijgeboom, de Jong, Floor, Sinia, Vervat en zoo vele waardige mannen meer, verwekte de Heere en zegende hun werk tot bekeering en verlevendiging. Die mannen handelden als Christenen, niet als ambtsdragers. Floor, met name, spreekt dit meermalen uit.
Daar kwam verandering, eensdeels door de „Afscheiding" en anderdeels, dewijl door Vereenigingen van Christenen, van Gereformeerde of van niet-Gereformeerde belijdenis, mannen werden aangesteld en bezoldigd en wij kregen allerlei particuliere mannen, daaronder vrome lieden, die buiten alle ambt om, als „behulpsels", als „Evangelisten", als „oefendoenders" vaak een zegen werden, doch dikwijls alle kerkelijk besef doodden in het einde.
Hier kwam bij, dat gewezen predikanten, Ledeboer en Buddingh, de Liefde en Witteveen e. a. menigmaal zich aansloten bij en geroepen werden door die mannen, die met de waarheid werkzaamheid hadden en deze liefkregen en zoo ontvingen sommigen dier groepen toevoer en kracht en zelfs eenigen ambtelijken schijn, want predikers, uitgeworpen predikers, bleven toch wel echte predikers, van God geroepen en.... de particuliere Christenen, die in zulke vergaderingen verschenen, vormden straks saam de kerk.
Wel ging men gansch verschillende wegen en 't volk van Ledeboer is anders dan dat b. V. van de Liefde en Witteveen; de eerste vond zijn opgang meer bij Gereformeerden, en in zijn kring waren vele van Gods kinderen, terwijl de anderen afdwaalden op de paden der algemeene verzoeningsleer; doch de Kerk, en Gods wegen met haar, werd voorbijgezien en men was niet altijd „wijs met matigheid" in zijn oordeel over kerk en kerkrechtelijke beginselen en dewijl de toestand der Kerk veel te wenschen overliet, had men dikwijls spoedig gewonnen spel.
In de groepen van Buddingh in zijn eersten tijd en Ledeboer volgde men in spraakgebruik overdrachtelijke spreekwijzen en verwerping van de middellijke wegen den toon van „het gezelschap" en de ervaringen en gemoedsgewaarwordingen en bijzondere leidingen werden meer besproken dan Gods Woord en toen Ds. Ledeboer. heenging en van Dijke en Bakker en anderen overbleven in dien kring, maakte men zijn positie sterker en verwierp de Herv. Kerk, en later niet minder de van haar afgescheidene kerken.
De doleantie (de beweging van '87) zocht wel die kringen in kerkelijke banen te leiden en op enkele plaatsen kwamen van die conventikelmenschen tot geregelden gang met betrekking tot 's Heeren inzettingen; vooral zoolang particuliere personen (z. g. Evangelisten en anderen) ook optraden in de vergaderingen; doch de geest, die eigenlijk eenzijdig lette op het gemoedsleven en „gestalten", zoodat men Gods ordeningen voor gemeentelijk saamleven en Zijne middelen gering achtte, bleef doorwerken en er waren zoo hier en daar menschen, die zich andermaal terugtrokken of zich aansloten bij of vereenigden om saam te vormen een „Oud-Gereformeerde Kerk", want zoo goed als de „doleerenden" en „afgescheidenen" had men toch ook recht om een kerk „te stichten."
Daar kwam nog bij, dat in de Chr. Ger. Kerk en de Ned. Gereformeerde „Kerken" (in doleantie) de nadruk op ordeningen en bediening van 't Verbond der genade werd gelegd en velen oordeelden, dat in die gemeenten al te „voorwerpelijk" werd gepreekt, behoudens uitzonderingen; en toen de deur gesloten werd voor particuliere personen en vele „oefenaars" overbodig werden en niet zoo maar (vlg. art. 8) tot 't predikambt werden toegelaten, zochten dezen een onderkomen bij oud-Gereformeerden of vrij-Gereformeerden en meerderen kregen bezwaar tegen dé „doleerende" Kerken, omdat ze maar weinig van „bevinding" wilden weten; anderen, omdat ze zich in 't hoofd hadden gezet dominé te worden en niet slaagden in ordelijke wegen, zoo gingen zij in onordelijke wegen en moesten z.g. zeer onderwerpelijk spreken en „geestelijk zijn" en niet „kerkelijk."
Zoo ontstonden er allerlei „bijkerkjes", waarin ongeordenden optraden of ongeregelden, die veel „geestelijker" waren dan die „groote kerk"-menschen en die „doleerenden" en „afgescheidenen" en van uit die groepen werd 't boven besproken spraakgebruik gesterkt en de z.g. „onkerkelijkheid" gestempeld, totdat sommige personen bij „kerkelijk handelen" belang zagen.
In Zeeland en Zuid-Holland en Utrecht werkte deze geest mede om Gods inzettingen te verachten en Art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis (vooral /t eerste gedeelte) feitelijk te loochenen.
Hoemeer iemand nu deze strooming in 't gevlei kwam, te meer sprak men in die kringen goed van hem; volgde hij het voorbeeld in manieren en hooge „geestelijke" gedachte van zichzelven en beschouwingen over het kerkelijk leven en verwerping van alles buiten eigen kring en bezondigde men zich gemakkelijk in het oordeel der liefde aan anderen.
Dan ging het nog; en zoo werd en wordt van uit die bij kerkjes met goed klinkende namen en waarin welmeenende menschen wonen van „goede hoop" een richting gesterkt, die nadeelig werkt en waarvan voor de geslachten weinig verwachting is.
Dan ging het nog; en zoo werd en wordt van uit die bij kerkjes met goed klinkende namen en waarin welmeenende menschen wonen van „goede hoop" een richting gesterkt, die nadeelig werkt en waarvan voor de geslachten weinig verwachting is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's