De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 4g. de veertien brieven van den Apostel Paulus, te weten: tot de Romeinen, twee tot de Corintheren, tot de Galateren, tot de Efeziërs, tot de Filippenzen, tot de Colossenzen, twee tot de Thessalonicenzen.

XXV.

De Brief tot de Romeinen, hoewel wat den tijd van zijn ontstaan betreft waarschijnlijk niet de eerste brief dien Paulus geschreven heeft, staat in onzen Bijbel in de rij der 14 Paulinische Brieven toch bovenaan. Niet onwaarschijnlijk dat dit is om den rijken inhoud van dezen brief. Wanneer wij den brief aan de Romeinen nagaan immers dan blijkt het dat Paulus in dezen brief heeft ontwikkeld de leer der rechtvaardigmaking door het geloof en in verband daarmee het stuk van Gods vrijmachtige verkiezing. In den brief aan de Romeinen is de hoofdgedachte dat alle roem aan de zijde van het schepsel is uitgesloten en dat alle dingen zijn uit Hem en door Hem en tot Hem Wien de heerlijkheid tot in eeuwigheid moet toegebracht worden. Toen Paulus dezen brief schreef was hij nog niet in Rome geweest, maar toch lag het in zijn voornemen de hoofdstad der Romeinsche wereld eerlang te bezoeken om dan vandaar uit het Evangelie des kruises ook in het Westen te verbreiden. Om nu in de gemeente van Rome, die door Joden uit Jeruzalem gesticht was, een basis te hebben voor den arbeid die ook in de Westersche wereld tot uitbreiding van Gods Kerk verricht moest worden, heeft Paulus waarschijnlijk omstreeks het jaar 58 van uit Corinthe zijn brief aan Rome geschreven.

Met de twee Brieven tot de Corintheren is het anders dan met den brief aan de Romeinen. Immers had Paulus voor hij een brief aan de daar gevestigde gemeente richtte, Rome nooit gezien, te Corinthe, de hoofdstad van Achaje, was hij niet slechts geweest, maar hij had er een bloeiende gemeente gesticht, aan welke hij zich met bijzondere banden verbonden gevoelde. Daarom ging het hem ook zoozeer ter harte dat na zijn vertrek deze gemeente in menig opzicht van de genade verachterd was, .dat o. m. het vuur der partijschappen in lichtelaaie was uitgeslagen — de een zeide: ik ben van Paulus enz. — dat de tucht was verzwakt, dat het H. Avondmaal werd ontheiligd en dat zelfs de opstanding der dooden door sommigen werd ontkend. En het is tegen deze bestaande verkeerdheden dat de apostel v.n.l. in zijn eersten brief, dien hij op zijn derde zendingsreis van uit Efeze geschreven heeft, den strijd heeft aangebonden. Dat was waarschijnlijk reeds in het jaar 57. Nadat de apostel kort daarna Titus naar Corinthe gezonden had om te vernemen welke uitwerking zijn eerste brief had gehad en deze hem had 'medegedeeld dat een groot deel der gemeente zich van de dwalingen had bekeerd, maar dat er ook nog vele dingen waren die nadere regeling behoefden, schijnt Paulus in hetzelfde jaar 57 zijn tweeden brief aan Corinthe gericht te hebben, eensdeels om zijn blijdschap uit te spreken over de verblijdende berichten die Titus hem had gebracht, anderdeels om de gemeente te waarschuwen tegen valsche broeders die zichzelve beroemden apostelen van Christus te zijn, tegenover wier valsche roem de apostel zioh dan beroemt in zijn zwakheden, opdat de kracht van Christus verheerlijkt worde. Deze tweede brief is waarschijnlijk geschreven van uit Macedonië, werwaarts de apostel Paulus inmiddels van uit Efeze vertrokken was.

De Brief tot de Galateren is een der eerste, zoo niet de eerste die Paulus geschreven heeft. De aanleiding tot het schrijven van dezen brief was hot optreden van valsche leeraars in de Galatische gemeenten, waartoe o.a. behoorden Iconium, Derbe, Lystre en Antiochie. De valsche leeraars, die nadat Paulus op zijn tweede zendingsreis naar Europa was overgestoken, in Galatie waren binnengedrongen, waren Christenen uit de Joden, die het deden voorkomen alsof de onderhouding der ceremonieele Wet van Mozes ook voor de Christenen noodzakelijk was. Toen Paulus dit hoorde schreef hij omstreeks het jaar 55 van uit Corinthe of van uit Efeze een brief, waarin hij scherp deed uitkomen het onderscheid dat er is tusschen het gerechtvaardigd worden door de werken der Wet en het gerechtvaardigd worden door genade in Christus. Alleen wie in laatstgenoemden zin gerechtvaardigd werd, is vrij. Hij vermaant daarom de gemeente om te staan in de vrijheid, waarmede Christus haar vrij gemaakt heeft.

De Brief tot de Efeziërs is van later datum. Dezen brief heeft de apostel waarschijnlijk geschreven tijdens zijn gevangenschap te Caecarea. Sommigen meenen ook dat hij dezen van uit zijn gevangenis te Rome geschreven heeft.

Niet onwaarschijnlijk was deze brief niet slechts voor de gemeente van Efeze maar voor den ganschen kring van Klein-Aziatische gemeenten bestemd. De bedoeling van dat schrijven was de gemeente(n) op te bouwen in haar geloof en voort te leiden in de kennis der Waarheid. Vandaar dat deze brief, evenals de zes volgende brieven van Paulus, bestaat uit een meer theoretisch en een meer practisch deel; In de drie eerste hoofdstukken immers behandelt de apostel verschillende stukken der leer — o.a. in het eerste hoofdstuk het stuk der verkiezing — terwijl hij in de drie laatste hoofdstukken verschillende practische wenken geeft die op het huiselijk, het kerkelijk en ook op het sociale leven betrekking hebben.

De Brief tot de Filippenzen is ook van uit, de gevangenis, en deze vrij zeker van uit den kerker te Rome geschreven.

De gemeente van Filippi, door Paulus zelf gesticht, waar Lydia en de stokbewaarder het eerst waren toegebracht, was een der meest geliefde gemeenten van den apostel. Ook zij gevoelde zich nauw aan haar geestelijken vader verbonden. Vandaar dat zij hem door middel van Epafróditus van haar belangstelling had doen blijken en hem zelfs een gave in geld had doen toekomen. In antwoord hierop schreef Paulus nu een brief, waarin hij haar heeft vertroost en bemoedigd en tevens vermaand dat zij over hem persoonlijk geen zorg behoefden te hebben. Immers „het leven was hem Christus, het sterven gewin" en daarom was het hem beter ontbonden te wezen en met Christus te zijn. Wanneer hij echter in het vleesch wilde blijven dan was het mede om harentwil. Toch hoopte hij dat ook zonder zijn tegenwoordigheid de gemeente waardiglijk het evangelie van Christus, in eensgezindheid en ootmoed wandelen zou, waartoe hij haar in hoofdstuk 2 wijst op het voorbeeld van Christus en waartoe hij haar in hoofdstuk 3 en 4 allerlei practische vermaningen en waarschuwingen geeft.

De Brief tot de Collossenzen is mede door Paulus in zijn gevangenschap, waarschijnlijk te Rome geschreven. De aanleiding van het schrijven van dezen brief lag in een bezoek dat Epafras, de stichter dezer gemeente, aan Paulus gebracht schijnt te hebben. Immers ook in Collosse schijnen dwaalleeraars in de gemeente des Heeren binnengedrongen te zijn en hun dwaalleer schijnt hierin bestaan te hebben dat zij leerden dat men door allerlei ascetische praktijken en door allerlei schijnbaar diepzinnige bespiegelingen moest komen tot de volheid des heils.

Als Epafras den apostel over deze nieuwigheden geraadpleegd heeft, heeft deze er in zijn brief de gemeente op gewezen, dat deze dwaalleeraars door hun valsche leer van Christus afvielen, en hij heeft haar vermaand dat zij toch haar hope niet stellen zou op de ijdele philosophie maar enkel en alleen op de volkomenheid van het werk van Christus en dat zij met Zijn beeld voor oogen in nieuwigheid des levens wandelen zou.

De Brieven tot de Thessalonisenzen behooren  mede tot de eerste die door den apostel geschreven zijn. De gemeente van Thessalonika, waar Paulus op zijn tweede Zendingsreis gearbeid had, doch waaruit hij vrij spoedig door den tegenstand der Joden verdreven was, lag hem na aan het hart. Toen hij in zijn voornemen om deze gemeente na korten tijd weer te bezoeken verijdeld was, had hij Thimotheüs gezonden om zich van de toestanden aldaar te vergewissen. De berichten die deze medebracht gaven Paulus aanleiding tot den inhoud van zijn eersten ; brief aan deze gemeente, die hij waarschijnlijk omstreeks het jaar 53 van uit Corinthe geschreven heeft. In dezen brief spreekt de apostel mede namens Sylvanus en Timotheüs zijn blijdschap uit over het geloof en de lijdzaamheid der gemeente; hij tracht haar in de Waarheden des Evangelies te versterken en vermaant haar tot heiligheid in wandel en tot broederlijke liefde. Ook spreekt hij in het laatste gedeelte van dezen brief over de toekomst des Heeren.

Dat de denkbeelden van Petrus over den dag des Heeren door sommigen verkeerd waren opgevat en verklaard, schijnt aanleiding geweest te zijn dat de apostel korten tijd daarna een tweeden brief aan deze zelfde gemeente van Thessalonika heeft gericht, waarin hij de verkeerde gedachten, als zou de dag van Christus aanstaande zijn, tracht weg te nemen en waarin hij de gemeente waarschuwt tegen valsche brieven die haar mogelijk op zijn naam konden worden voorgelegd. Vandaar dat hij dezen brief ook eigenhandig onderteekend heeft.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's