Uit het kerkelijk leven.
Gereformeerd, zonder ultra's of extra's.
„De Heere is geen God van verwarring, maar van vrede" en een God, die de harten en nieren (de geheime begeerten)proeft; Hij is op oprechtheid in het persoonlijk leven uit en op orde, eendracht en vrede, naar het richtsnoer Zijner geopenbaarde waarheid, in het gemeenschapsleven in maatschappij en kerk.
De Heilige Geest heeft ons van de ware beginselen teekening gegeven in heel de leiding van de Kerk des Heeren en in zoo menige duidelijke uitspraak, en het groot verschil in opiniën en beschouwingen is wel bewijs van onze zonde en dwaasheid en beperktheid in kennis, zonder ooit grond te geven aan het ongeloof om daaruit te besluiten tot de onduidelijkheid van 's Heeren Woord.
De oprechtheid in 't persoonlijk leven moet blijk dragen in het gemeenschapsleven. Die met Christus vereenigd is door het ware geloof, wordt geestelijk ingezet in geheel het gebouw, dat alleen uit levende steenen wordt opgetrokken naar Zijn „gemaakt bestek." Gods Geest doet op het Zijne, maar tevens letten op 't geen des anderen is; op 't particuliere en op het gemeenschappelijke.
Oprechte liefde geeft acht op beide; den „boom om het bosch" uit 't oog te vérliezen is zoowel verkeerd, als op het bosch niet te achten om den enkelen boom.
De gemeenschap met Christus en de gemeenschap der heiligen staan niet los van elkaar; en in de tweede moet de eerste uitkomen en de eerste moet de wortel zijn van de tweede.
Hierin is zoo min iets nieuws gezegd, als iets dat tegenspraak vindt. Toch is het niet overbodig dit „wederom" te zeggen, omdat het uit 't oog wordt verloren en sommigen 't zoo druk met zich zelven schijnen te hebben, dat ze op het geheel niet behoorlijk acht geven, terwijl anderen zoo bezig zijn met 't geheel, dat ze zichzelven schijnen te vergeten.
Johannes, de apostel, schreef: mijne kindeskens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met der daad en waarheid (1 Joh. 3:18).
Met „den woorde en met de tong" zegt niet veel en werkt niet veel goeds uit met de daad en waarheid is beslissend en ten goede.
Laat ons liefhebben (nl. den Heere, Zijne waarheid en al Zijne kinderen en onze naasten met daden en ongeveinsd, want, zoo sprak iemand voor bijna drie eeuwen, „liefde, die eene gladde en liefelijke tong heeft en ondertusschen heeft eene dorre hand, is maar eene geveinsde liefde."
De eischen des Christelijken levens zien op , hart en wandel en worden recht beoefend in de orde Gods. Ook die gesteld zijn met 't oog op kerkelijke saamleving.
Niemand mag dan ook „alleen voor zichzelven, lichtvaardig en op eigen gezag de vastgestelde ordeningen der Kerk verwerpen", schreef Ds. A. van 's Gravezande (in zijne 200-jarige gedachtenisrede van de eerste Synode der Nederl. Kerken onder't kruis enz.) „want niet zelden", zoo gaat hij voort, „ontdekt zich daarin verheffing des harten, om door bijzonder te zijn buiten noodzaak, boven anderen uit te steken."
Nu is er bij ons menschen vaak eene begeerte naar het buitengewone en eene zucht naar iets bizonders; dat heeft dan de aantrekkingskracht van het nieuwe, of soms van het oude in een nieuwen vorm.
De gewone leidingen Gods (Rom. 8:15) worden gering geschat door te hooge achting voor een enkele buitengewone; in voorzienige bedeelingen des natuurlijken levens, zoowel als in werkingen van Gods Geest op de zielen worden de extra-ordinaire wegen geroemd en Elia's brood en vleesch door raven gebracht is dan meer dan het-meel uit "de kruik, en dit meer dan Gods gewone zorg alle de dagen vóór die aan de Krith, en na die te Zarphath doorgebracht.
Het opgetrokken zijn „in den derden hemel" wordt overschat-en het opgetrokken zijn uit den afgrond der ellende in den weg der bekeering valt, daarbij vergeleken, weg; de plotselinge bekeering met vele smartelijke ervaringen en bizondere omstandigheden, stelt men licht hooger, dan Gods stilleren weg. Paulus op Damascus' weg staat dan hooger dan Johannes in een stille woning, toen het „de 10de ure was."
Die trek naar het buitengewone is bij ons aan te wijzen.
Slechts nog ééne schrede verder en dat buitengewone wordt maatstaf voor het gewone en de bizondere bijomstandigheden worden maatgevend gerekend voor gewone wegen ; en zielen, geleid in gewonen weg, wórden vaak beangst en moedeloos.
't Komt eindelijk zoo ver, dat er moet wel iets bizonders bij worden „gepractizeerd." Is het waarlijk buitengewoon wat we ervaren hebben in voorzienige handelingen Gods en genadebedeelingen, dan is het zeer te prijzen en 't moet ons dubbel voorzichtig en zeer ootmoedig doen wandelen, en — niet ons — doch den Heere grootmaken.
Wonder is het niet, dat velen ook in de kerkelijke saamleving het extra-ordinaire zoeken en daarvan heil verwachten, vooral in tijden van inzinking en verval; eer is Gods goedheid nog groot te zien in het feit, dat er nog zoovelen zijn die respect hebben voor Gods Woord en Zijne gewone bedeelingen en ordeningen.
't Zit 'em niet, zei men, in een witte das en gladgestreken hoed en donker pak; och neen! evenmin als in een phantasiehoedje of fiets en grijs pak; maar 't zit hem ook niet in een „werkmanspak en nog zwarte handen."
En toch trekt het laatste aan in een spreker, want het is buitengewoon.
Spreek van eene buitengewone roeping Gods; zeg dan niet, dat dien de Heere roept bizonder tot Zijn dienst, Hij ook wel machtig is, om dien geestelijk geroepene in ordelijke wegen daar te brengen, waar hij wezen moet; zeg dat niet, maar keur goed, dat zoo'n persoon en zijne vrienden alle Gods ordeningen mogen verachten, erken zijne' roeping, (al hebt ge dan ook wellicht de roeping tot zaligheid verward met de roeping tot het ambt in Gods Kerk) en laat elken vriendenkring het recht om als gemeente des Heeren op te treden en te handelen en gij hebt het buitengewone boven 't gewone gesteld en ... in sommige gevallen „wanorde" bevorderd tegen 1 Cor. 14:40 in.
Geeft nu een leeraar met de beste bedoelingen de algemeenheid der Christelijke Kerk erkennende, voet aan dezen trek naar het buitengewone, 't welk vaak iets zonderlings is en singuliers, dan rekent hij niet met Gods Woord en onze Geloofsbelijdenis en alle „oud"-Gereformeerde Vaderen; noch met zijn eigen ambt en zelfs niet met zijne positie, doch meent hij het oprecht in zijne o. i. dwaling, dan moest hij het voetspoor van den godzaligen Ds. Ledeboer volgen, liever dan zijne „kerkelijke" positie misbruiken om „onkerkelijkheid" te steunen.
Een zeggen als dit: „Wij kunnen eerstdaags niet meer preeken, want er zijn geen bekeerde ouderlingen meer", en 't antwoord op de vraag: hoe weet ge dat? : „O! een geestelijk mensch heeft voelhorens" wijst, bij goedwilligheid, naar ongeregeldheid heen, die m. i. niet geestelijk is, omdat ze tegen Gods Woord ingaat, al heeft ze ook de goedkeuring van sommige godvreezende menschen in.'t midden des lands,
Niet extra maar intra de grenzen van Gods getuigenis ligt de bepaling van wat recht is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's