Voor Jong en Oud.
Ds. E. E. Gewin.
4) (Slot.)
Ge kunt u eenvoudig niet denken, dat hij voor stoelen en banken zou gesproken hebben. En hij heeft zich een blijvend gehoor geschapen door zijn onvermoeiden ijver.
Ongetwijfeld had hij veel gave van spreken, maar zijn prediking was de vrucht van steeds voortgezet onderzoek der Schrift en door noesten Catechetischen arbeid bond hij aan zich een wijden kring.
Hij had eene geweldige stem. Geen fraaie, zoetvloeiende, golvende stem. Het was meer een krakend dan een galmend geluid.
Maar wanneer hij sprak, hij die met zijn forsche gestalte, met zijn kloek gelaat, eene aantrekkelijke verschijning op den kansel was, dan was het een „opheffen der stem met macht".
Die stem vulde de kerk tot in de verste hoeken, dreunde door de gewelven, dwong tot luisteren.
Maar al was die stem nóg krachtiger geweest en veel buigzamer en melodieuser, daarmede alleen zou Ds. Gewin de schare niet jaar in jaar uit hebben getrokken. Hij trok hen door wat hij zeide.
Hij bediende het Woord. Zijn tekst was niet een aanloop voor een toespraak over een zelfgekozen onderwerp, niet een motto boven een godgeleerde verhandeling of een pakkende rede; maar hij was dat stuk der Schrift, dat aan de gemeente nader zou worden verklaard.
Hij preekte niet naar aanleiding van, maar werkelijk over en uit den tekst.
Dikwijls kwam het voor, dat Ds. Gewin meer dan éen vers of zelfs een lang gedeelte van een hoofdstuk als tekst nam.
Wanneer men er maar niet iets kleineerends in wil zien, zou ik menige preek van Ds. Gewin een Bijbellezing willen noemen.
Hij legde de Schrift uit, duidelijk en degelijk.
Men kon altijd bemerken, dat hij zich goed had voorbereid. En over welk deel der Schrift hij ook sprak, altijd was zijn woord Evangelieverkondiging, milde, ruime, hartelijke verkondiging der groote blijdschap „al den volke".
En hier schuilt, naar het mij wil voorkomen, het geheim van de aantrekkingskracht, die zijn bediening des Woords ontegenzeggelijk had. Door ons Gereformeerd volk loopt een breede piëtistische ader. Het is dat volk te doen om „de Waarheid", om een breede en diepe uiteenzetting van wat God beeft geopenbaard; maar het wil die waarheid niet als een dor systeem, niet als een reeks afgetrokken denkbeelden, maar als een stuk leven. Daarom moge ons volk de door Guido de Bray opgestelde geloofsbelijdenis hoog schatten en de Dordsche leerregels beschouwen als een kostelijke uiteenzetting van belangrijke punten der leer, maar het leeft bij den Catechismus!
Eu nu wist Ds. Gewin in zijne prediking juist dien „Catechismustoon" aan te slaan, waardoor zoo duidelijk gevoeld werd dat levende waarheden verkondigd werden.
Het preeken was voor Gewin iets heerlijks. Hij preekte graag. Daarom was hij ook altijd gaarne bereid om een kranken of uitstedigen broeder te helpen.
Maar al was het verkondigen van Gods Woord voor hem een genot, een lust en geen last, het kostte hem veel inspanning. Hij was geen man die de woorden maar uit de mouw schudde. Altijd transpireerde hij en dikwijls was er „geen draad droog" aan hem. Hij sprak niet met zijn mond alleen, maar als 't ware met zijn geheele lichaam en zoo was het bestijgen van den kansel voor hem zwaarder dan voor menigeen eene bergbeklimming. Maar toch bleef deze arbeid voor hem begeerlijk.
Eu wanneer de dienst was afgeloopen, was Gewin spoedig de kerkekamer uit, soms zóo spoedig, dat de broeder, die hem de hand kwam drukken, hem daar niet meer vond. Dan bewoog zich zijn breede gestalte door de menschenmassa; dan wisselde hij hier een groet en daar een woord; voor dezen had hij een knik, voor dien een glimlach.
Het is niet onmogelijk, dat iemand verwacht had, dat ik enkele stukken uit preeken van Ds. Gewin zou weergeven.
Maar Ds. Gewin heeft zelf, zoover ik weet, nooit éen preek in druk gegeven.
Zijn preek bij de herdenking zijner 25-jarige bediening te Utrecht óok niet. Hij schreef zelfs nooit in het Predikbeurtenblad. Ik geloof niet, dat hijzelf gewild zou hebben, dat thans leerredenen van hem, geheel of gedeeltelijk, in het licht zouden verschijnen.
Prediker was hij, geen schrijver.
Bladvulling.
Geen schande aandoen.
Een kleine jongen ging met zijn hond Hector voorbij een herberg, waarvan de deur wijd open stond. De hond, die niet wijzer was, liep naar binnen, maar zijn kleine baas riep 'm heel gauw terug met deze woorden: „ Kom toch hier, Hector, doe nu de familie geen schande aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 16 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 16 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's