Voor Jong en Oud.
Doet God nog wonderen?
1.) —o—
„Ik voor mij kan niét gelooven, dat er wonderen gebeuren", sprak de jonge boerin van den Eikenhof, terwijl zij van de koffietafel opstond. „Gij moet niet boos op mij zijn, Moeder", ging zij op zachten toon voort, toen zij een somberen trek bespeurde op het gelaat van hare bejaarde schoonmoeder, die tegenover haar zat, „ik wenschte, dat ik het gelooven kon, maar ik kan het niet, — ik heb nog nooit een wonder gezien."
„Geen wonder gezien ? " viel de oude vrouw haar in de rede, „kind, kind, waar hebt ge dan uwe oogen? Is niet iedere dag een wonder? Is het geen wonder, dat in het voorjaar daarbuiten alles om ons heen weder ontwaakt en opnieuw in bloei komt? Geen wonder, dat een enkele haverkorrel dertigvoudig vermenigvuldigd wordt? "
„Ja, - als gij dat alles nog voor wonderen wilt aanzien. Moedertje, dan hebt gij van uw standpunt volkomen gelijk; maar wij stedelingen denken daar al lang anders over. Dat is zoo de loop der natuur, zeide onze onderwijzer reeds, toen wij nog school gingen; hij sprak ook van de natuurwetten. Ik heb het niet zoo volkomen begrepen, maar toch genoeg om te weten, dat dit alles zoo zijn moet en niet anders zijn kan. Maar een echt wonder, eene opwekking uit de dooden of iets dergelijks, dat ziet men niet meer — waar zou het ook vandaan komen ? " en de boerin van den Eikenhof verliet de kamer en liet de moeder in droevige stemming alleen achter. Ach, de last der zorgen drukte zwaar op haar, — hoe ernstig had zij den Heere gebeden, dat Hij haren zoon een recht vrome, godsdienstige levensgezellin zou geven; zij had reeds het oog gehad op een eenvoudig, lief meisje uit het naburige dorp — maar het was anders gegaan.
Spoedig nadat hij door den dood zijns vaders heer van den Eikenhof geworden was, nu ongeveer zes jaren geleden, had hij eene vrouw uit de stad genomen. Wel moest men van haar zeggen, dat zij knap en verstandig was, flink werken kon en spoedig thuis was geraakt in de boerderij. Ook was zij goed en vriendelijk, niet het minst voor haar, de oude moeder, maar de hoofdzaak ! Het Woord en de vreeze Gods regeerden op den Eikenhof niet meer, zooals vroeger ; de bijbellezing des morgens en het avondgebed met de knechts en de meiden bleven achterwege, en indien de oude moeder aan tafal niet het hoofd gebogen en de handen gevouwen had, dan zou het eten zonder dankzegging gebruikt zijn geworden. Zij had het thuis niet anders geleerd, de arme jonge boerin, en Koenraad, haar man, stond zelf nog niet vast in het geloof en het kostte hem dus weinig strijd om de oude gewoonten te laten voren. Wel oefende het voorbeeld der schoonmoeder een stillen invloed op haar uit en liet zij het gaarne toe, dat haar eenig kind, de kleine vierjarige Anna, bij grootmoeder leerde bidden.
Tot eene waarachtige verandering en bekeering was het niet gekomen. Zou het ooit anders worden ? De oude vrouw was menigmaal op het punt er aan te wanhopen; ook heden kwamen die moedelooze gedachten telkens weder in haar op.
Maar daarna fluisterde zij : „Middelen en wegen hebt Gij altijd, lieve Heiland, en Gij kunt ook nu nog wonderen doen; ook dat wonder, dat Gij mijne kinderen in u leert gelooven." Langen tijd nadat hare schoondochter het vertrek verlaten had, was zij, in gedachten verzonken, voor het venster blijven zitten en zag naar buiten. Het weder was inmiddels geheel veranderd. De blauwe hemel en de heldere zonneschijn waren verdwenen, dikke, zwarte wolken, die er onheilspellend uitzagen, bedekten het firmament. De oude vrouw verschrikte en vouwde onwillekeurig de handen. „O Heere in den hemel, behoed ons voor onheilen", bad zij zacht.
In hetzelfde oogenblik flikkerde een helle bliksemstraal door de lucht, onmiddellijk gevolgd door een ratelenden donderslag, het onweder kwam met een schrikbarende snelheid en hevigheid op; de eene bliksemflits volgde de andere en donderslag weergalmde door het luchtruim.
Alles was op den Eikenhof in de weer om het vee los te maken, de jonge boerin het ijverigst van allen.
„Genadige hemel", riep zij plotseling. „Anna, waar is mijn Anna? "
Niemand had in de drukte aan het kind gedacht, niemand had het gezien; waar kon het bij dit ontzettende weer, zoo geheel alleen, zijn ?
Daar schoot weer een bliksemstraal neder en de donderslag volgde met een snelheid en een kracht, die den grond deed dreunen, „Die is ingeslagen, dicht bij de hoeve", sprak.de jonge boer; „God zij ons genadig !" Zijn vrouw sloeg nauwelijks acht op dien uitroep, zij dacht slechts aan haar kleine lieveling.
- (Slot volgt. )
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's