De heerlijkheid der Evangeliebediening.
De heerlijkheid der Evangeliebediening.
Op den laatst gehouden „Schooldag" (Theol. School te Kampen) sprak Prof. Dr. H. Bouwman over bovenstaand onderwerp, welk woord wij gaarne overnemen om het den lezers van „De Waarheidsvriend" voor te leggen.
Prof. Bouwman sprak dan: „Het is nog slechts een zestal jaren geleden, dat in de Gereformeerde Kerken de mare liep, dat er spoedig al te veel predikanten zouden komen; dat er weldra geen plaats meer was voor de candidaten, en dat het daarom wenschelijk was, dat de provinciale kassen voor de opleiding hun werk staakten. Enkele waarschuwende stemmen verhieven zich, maar zij werden niet geloofd. En thans gaat er bijna geen week voorbij of er wordt geklaagd in een of ander blad, over den candidatennood en over de klimmende behoefte aan dienaren des Woords. Volgens het jaarboekje van Van der Sluys waren er bij den aanvang des jaars 168 vacatures, en terwijl de dood ons steeds predikanten ontneemt en de Kerken voor den dienst in eigen kring, voor de zending en de barrnhartigheid al ineer krachten vragen, is het aantal dat zich aanbiedt om opgeleid te worden tot den evangeliedienst slechts gering. In Kampen en in Amsterdam samen zijn er thans slechts een zestigtal dat studeert voor candidaat in de theologie. Nog geen vijftien per jaar zijn beschikbaar, terwijl wij minstens 25 per jaar noodig hebben.
Dat is een verontrustend verschijnsel. Want „waar geen profetie is wordt het volk ontbloot." Waar gebrek aan geestelijke voeding en leiding is, verarmt de gemeente. En juist wijl, zooals thans het geval is, de toekomst ons weinig winst geeft te hopen, moet de vraag ernstig worden gesteld: Vanwaar dit ? Wat is hiertegen te doen?
Er is gewezen op den lagen stand der predikantstractementen. En zeker ook dat heeft invloed. In verhouding tot de langdurige en kostbare studie, die van een aanstaand predikant gevraagd wordt, vergeleken met allerlei betrekkingen die minder of niet meer inspanning en tijd van voorbereiding kosten, is het salaris van bijna al de predikanten veel te gering. In dezen gaat de gemeente niet geheel vrij uit en mag nog wel weder herinnerd aan des apostels woord: En die onderwezen wordt in het woord deele mede van alle goederen dengene die hem onderwijst" Gal. 6:6.
Maar juist wijl het oog zooveel is gericht op de materiëele zijde, wordt het vermoeden gewekt dat de oorzaak dieper gelegen is, en wel in den geest van den tijd, in het gemis van geestelijken diepgang. Het leven van onzen tijd staat in het teeken van het materialisme. Dit laat zijn werking ook in de gemeente gevoelen. Ook al ontkent men niet de hoogere waarde van de eeuwige dingen, en al voelt men zich soms gedrukt onder den last van het stof der aarde, ook de christenen kunnen schier niet ontkomen aan de macht van den geest des tijds. De zucht naar grootheid, rijkdom, genot en macht heeft de massa aangegrepen, en aan het kind wordt van der jeugd af reeds ingeprent dat kennis macht is en dat de glans dezer wereid een begeerlijk goed is. Al te veel wordt het christelijke leven in dienst gezet van de politiek.
Zelfs de jongelingsvereenigingen moeten daartoe dienen. En de politiek is vooral in latere jaren niet heel opwekkend voor het geestelijke leven. En daaruit vloeit voort dat het peil van de gesprekken niet hoog staat. Te weinig wordt gehandeld over het leven des geloofs. En bovendien knaagt in menige gemeente een ban aan den wortel des levens. En waren de voorgangers in de gemeenten nu maar vrij van de schuld. Doch vertoonen zij waarlijk in hunne .bediening het beminnelijke en bezielende van het waarachtige christendom ? Neen, wij wenschen geen klaagliederen te zingen en het vele goede dat God schenkt niet te vergeten, maar het is noodig dat wij de werkelijkheid onder de oogen zien en ons vanwege onze zonde verootmoedigen voor God.
Maar voorts is het goed, opdat wij gesterkt worden in onze roeping, voor ons oog te doen leven het beeld van de heerlijkheid der Evangeliebediening.
De Apostel Paulus spreekt van het ambt van een dienaar des Woords als van een treffelijk, een schoon en heerlijk werk. Immers hij is gezant van den hoogsten Koning om Zijn wil te verkondigen aan menschen als regel voor geloof en leven; om den vollen genaderaad Gods, Gods heiligen liefdewil aan zondaren bekend te maken, het rijke levenswoord tot leering, leiding, waarschuwing, vermaning en troost. Hij is herder onder Christus den Opperherder. Hij moet de gemeente weiden door de zuivere bediening van Woord en Sacramenten, weiden door nauwkeurig opzicht te houden over de schapen, hen na te gaan en te behoeden voor afdwaling, het afgedwaalde weder terecht te brengen, het verlorene te zoeken, het kranke te genezen en het verbrokene te heelen. Hij moet het stugge schaap de prikkels des Woords laten gevoelen, de hoogmoedigen vernederen, de zondaren bestraffen en de ontferming van Christus verkondigen aan het gewonde en bezwijkende hart.
En dit alles geschiedt wanneer de de dienaar gedreven wordt door de eere zijns Zenders en door de liefde tot Zijnen dienst; wanneer hij het Woord recht bedient. Want het Woord bedienen is allereerst de verklaring van het Woord, de gedachte des H. Geestes naspeuren en vertolken, en dan het Woord toe te dienen, toe te passen voor de nooden des levens, voor de kwalen der ziel, het doen zijn een brood des levens, voedsel voor den inwendigen mensch, een levenswoord.
Midden in de volle werkelijkheid des levens zich stellend moet de dienaar des Woords medeleven met de menschen, in zijn persoon en in zijn wandel openbaren dat hij drager is van de boodschap Gods, dat de liefde Gods woont in zijn ziel, dat het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid, tot hervorming van den geheelen mensch, tot reformatie van geheel het leven, tot uitzuivering van het kwade en het doen van het goede.
Als gezant van den grooten Medicijnmeester biedt hij het Woord in al zijn scherpte, in de snijdend-veroordeelende kracht der zonde, maar ook in de troostend-genezende werking aan het kranke hart, dat zoo bitter lijdt onder de gevolgen van de zonde. Als boodschapper van den grooten Herder gaat hij rond bij de woningen van aanzienlijken en geringen, van geleerden en onkundigen vom hen zonder aanneming des persoons op te wekken tot het goede, te vermanen, te waarschuwen of te bestraffen en gevallenen op te richten. En voorts staat de bedienaar des Woords aan de ziekbedden, aan dé sponde der stervenden om den weg des levens voor te stellen opdat niemand op valschen grond zich gerust zou stellen, maar tevens om ook de rijke ontferming van den eenigen Zaligmaker aan te bieden aan verlorenen, het licht des Heeren te laten schijnen over krankheid, lijden, zonde en dood, en in den doodstrijd de godvreezenden het klamme doodzweet van het voorhoofd te wisschen. Hij moet blijde zijn met de blijden en weenen met de weenenden.
Voorzeker een zwaar, verantwoordelijk, gewichtig, maar ook heerlijk werk. De Heere stelde toch zelf de herders en leeraars „tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouw des lichaams van Christus." En de Schrift noemt het Gods medearbeiders", „huisverzorgers Gods", „uitdeelers der menigerlei genade Gods." Is er wel heerlijker arbeid dan het werk Gods te doen, en instrumenten te zijn in Zijn hand tot roem van 's Heeren naam en de komst van Zijn Koninkrijk. Is er iets heerlijkers te denken dan verwaardigd te worden tot dragers van het licht, om den troost der genade te doen uitschitteren te midden van eene doodkranke wereld ? Welk werk is daarmede te vergelijken?
Ziet de wereld roemt de aardsche heerlijkheid en macht; zij prijst de genieën en de uitvinders, hen die lauweren verwierven op het veld van wetenschap en techniek; zij acht het schoone en het aangename begeerlijk; en "het zij verre van ons dit gering te achten. Maar toch de wereld met haar schoone en goede vergaat, en zij kan met al de schittering van haar weelde en glorie, met het bekoorlijke van haar genot en zinnendienst niet vervullen de nooden van des menschen hart. Het Evangelie daarentegen spreidt licht over het pad, geeft vrede voor het moede hart, troost in ellende en droefenis, en maakt voor eeuwig gelukkig. Is het niet kostelijk drager te zijn van dat Evangelie der zaligheid, en iets van de barmhartigheid, van de liefde van onzen Zaligmaker te laten gevoelen, om te verkondigen de deugden van onzen Jezus, die uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht!
Ziet de wereld roemt de aardsche heerlijkheid en macht; zij prijst de genieën en de uitvinders, hen die lauweren verwierven op het veld van wetenschap en techniek; zij acht het schoone en het aangename begeerlijk; en "het zij verre van ons dit gering te achten. Maar toch de wereld met haar schoone en goede vergaat, en zij kan met al de schittering van haar weelde en glorie, met het bekoorlijke van haar genot en zinnendienst niet vervullen de nooden van des menschen hart. Het Evangelie daarentegen spreidt licht over het pad, geeft vrede voor het moede hart, troost in fillende en droefenis, en maakt voor eeuwig gelukkig. Is het niet kostelijk drager te zijn van dat Evangelie der zaligheid, en iets van de barmhartigheid, van de liefde van onzen Zaligmaker te laten gevoelen, om te verkondigen de deugden van onzen Jezus, die uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht!
Het is waar, de prediker des Woords wordt door de wereld vaak niet hoog geacht; hij moet veelal den' smaad van het Evangelie des kruises dragen ; hij heeft menigmaal niet het rijkste deel van deze aarde ; heel zijn leven moet zijn een leven van toewijding, zorg, strijd, en zelfverloochening. Ook in zijn arbeid te midden der gemeente vindt hij vaak tegenwerking. Velen letten meer op den persoon en de gave van den dienaar dan op zijn woord. Zoovelen zijn gelijk aan hen van wie Ezechiël spreekt: „Ziet, gij zijt hun als een lied der minne, als een die schoon van stem is, of die wel speelt, daarom hooren zij uwe woorden, maar zij doen ze niet." Velen weten het altoos beter dan de dienaar des Woords. Maar hoezeer ook de getrouwe prediker merkt dat hij mensch is en zondaar, dat zijn werk gebrekkig is, en al meer ervaart dat het hem niet mag te doen zijn om eer van menschen te ontvangen, maar om getrouw bevonden te worden in het oog van God — hij vindt toch ook steun in de liefde der godzaligen, in het gebed der gemeente en soms ook treffende uitingen van liefde en belangstelling, en ontvangt, terwijl hij zelf bezig is in den dienst Gods, troost en genot in de levensgemeenschap met zijn God, wordt gesterkt in het geloof, gewapend tegen.de vijanden en bereid voor de komst van zijnen Zender, die eenmaal den getrouwen dienaar zal toeroepen; „Kom gij getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten ; ga in de vreugde uws Heeren".
O, wat vreugd is het voor den bedienaar des Evangelies, dat hij een middel in 's Heeren hand mag zijn om te zaaien het zaad Gods, om te prediken den rijkdom der liefde van Christus, en het te mogen vernemen dat Gods volk wordt getroost, dat zondaren komen tot bekeering, dat verloste zondaren, ja, de engelen zich verblijden over de vruchten van zijn arbeid. Hoe zal hij eenmaal de kroon nederwerpen aan de voeten des Lams, en den Heere danken voor de rijke genade, dat hij verwaardigd werd Gods medearbeider te zijn.
Het is wel eens noodig dat de gemeente en ook de bedienaren des Woords zelf herinnerd worden aan de heerlijkheid van de Evangeliebediening. Deze herinnering kan mede een middel zijn om de liefde tot het predikambt te doen ontwaken in de harten van de jonge leden der gemeente, en opdat de ouders de keuze voor de heilige bediening eene begeerlijke zaak achten.
Ziet, de Heere roept ons óp voor den heiligen krijg voor Koning Jezus. Wij moeten voor Jezus een Koninkrijk veroveren. Welnu, broeders en zusters, laten wij bij vernieuwing trouw zweren aan onzen Koning om Hem lief te hebben, om ons te geven aan Hem, onvoorwaardelijk, met algeheele toewijding.
En voorts, wij hebben behoefte aan jonge mannen vol des geloofs en des H. Geestes, die zichzelven gegeven hebben aan den Heere en dan zich geven aan de gemeente om predikers te zijn van het dierbare Evangelie des Kruises. Jonge mannen, komt tot ons, wijdt u toe aan de voorbereiding tot het ambt der bediening, om straks het volle rijke Evangelie te verkondigen te midden der gemeente, of in de Zending. Gemeente, laat de heerlijkheid der evangeliebediening meer door u worden gewaardeerd. Mocht het al meer zoo worden dat elke familie er een eer en voorrecht in zag dat een hunner zonen Christus diende in " het evangelie, dat de taal van Hanna leefde in menig moederhart: „Ik bad om dit kind en de Heere heeft mij mijne bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb; daarom heb ik hem ook den Heere overgegeven alle de dagen die hij wezen zal; hij is van den Heere gebeden".
Calvijn schreef eens aan de gemeenten in Frankrijk : „Zendt ons toch hout, opdat wij er pijlen uit mogen snijden en die pijlen schieten in het hart van den vijand om hem te winnen voor Jezus Christus". En wijlen Prof. Wielenga sprak op de Synode van 1892: gij, vaders en moeders, zendt ons uwe zonen, uwe beste, krachtigste en godzaligste zonen voor de opleiding tot de bediening des Woords, opdat zij getuigen mogen zijn voor onzen Koning.
En ten slotte: Heiligt den krijg. Geeft u zelven óver aan den Heere. Laat de warmte des geloofs en der liefde u bezielen om Gode vruchten te dragen. Rijst op, rijst op voor Jezus, uw Verlosser, uw Koning. Laat uw leven, laat al de energie van uw willen en streven Hem gewijd zijn, den Heere der Heeren, den Koning der Koningen, wien toekomt de eer en de dank tot in der eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's