De Zendingsdag.
Gesprek tusschen Vroomsma en Nuchterman over den op Donderdag 17 Augustus .1.1. te Zeist gehouden Zendingsdag van den Gereformeerden Zendingsbond.
Vroomsma: Zoo vriend, zeker ook naar Zeist geweest, niet ? Wat een kostelijken dag hebben we daar gehad.
Nuchterman: Ja, mijn waarde, ik heb tot hiertoe al de Zendingsdagen van den Gereformeerden Zendingsbond reeds bijgewoond en meende ook nu daarop geen uitzondering te moeten maken. Ik moet ook zeggen, het was een goede dag. Jammer dat de weg naar het terrein zoo slecht was. Wat dat betreft hadden we beter maar weer te Driebergen kunnen zijn.
Vr.: Nu ja, maar ik vind die slechte weg werd ruimschoots vergoed door het schoone weer dat de Heere ons gaf en door het vele goede dat we van de sprekers gehoord hebben.
N.: Zeker, er zijn een heele boel goede dingen gezegd. Maar ik vond toch dat er sprekers bij waren die ik zoo nu en dan wel eens aan de jas had willen trekken om ze even in het oor te fluisteren: man, denk er aan dat je niet in de kerk, maar op een Zendingsdag staat.
Vr.: Wat bedoel je ? Dat sommigen er een klein preekje van maakten? Kijk, dat vind ik nu juist het ware. Wat mij betreft hadden ze allemaal maar gepreekt. Al die verhalen van dit en van dat, wat sommige heidenen geleoven en wat weer andere heidenen doen, wat heb je daar, als het er op aankomt, nu aan?
N.: Nu ja, ik laat nog daar dat we niet vergast zijn op wat gij daar nu bedoelt; ik kan zelfs ook nog wel plaatsen dat men aan hetgeen men gaat zeggen een Schriftwoord ten grondslag legt. Tot op zekere hoogte acht ik dat zelfs aan te bevelen. Maar men moet toch altoos bedenken dat men daar komt om de bezoekers van den Zendingsdag op te wekken dat zij de roeping zullen verstaan die de gemeente des Heeren op het terrein der Zending te vervullen heeft.
Vr.: Wat, jij altijd met je roeping! Wat heeft nu een onbekeerd mensch aan roeping ? En wat verstaat zelfs een kind van God daar nog van ? De menschen maar aan 't werk zetten, zeker ? En ze dan van hun Zending een grond laten maken voor de eeuwigheid, waarmee zij straks eeuwig zullen...
N.: Ho, ho wat, niet zoo doordrammen, mijn vriend. En de dingen niet zoo met elkander verwarren. Dat is juist het gebrek van zoovelen tegenwoordig.
Vr.: Maar is dat dan niet zoo ? Maakt al dat praten over roeping de menschen niet hoogmoedig en is het geen oorzaak dat velen op valsche gronden gaan bouwen? Nee, dan ben ik het meer eens met wat we van Ds. Kruyt van Zegveld gehoord hebben. Die begreep het beter. Die zette menschen niet zoo maar aan 't werk. Juist omgekeerd. Hij wees er ons op dat al wat uit den mensch voortkomt niet anders is dan doode vrucht, en dat al dat ijveren voor de Waarheid een mensch niets baat. Jongen, jongen, wat kon die het zeggen. Kijk, dat was nou een woord naar mijn hart. Dat was voor Gods kinderen teerkost op den weg. Jij hebt hem zeker niet gehoord ? Ik wil wedden dat jij naar Ds. Bieshaar ben geweest. Die sprak immers tegelijkertijd !
N.: Mis man, ik heb Ds. Kruyt ook gehoord. Wel had ik graag Ds. Bieshaar willen hooren, maar omdat ze al zooveel van Ds. Kruyt verteld hadden ben ik expres op spreekplaats no. 1 gebleven om te hooren wat hij wist.
Vr.: Nou, wat zeg je nou eens van zulke taal ? Dat is het nou wat we noodlg hebben. Hé, daar heeft mijn hart van gesmuld. Je kou zoo hooren dat hij zelf ook kennis had aan de zaak en dat zou ik van geen van de anderen durven zeggen.
N.: Hoor eens, Vroomsma, of hij er zelf kennis aan heeft en of die anderen er geen kennis aan hebben, dat is een kwestie die ik nu maar aan den Heere zou overlaten. Ik lees in mijn bijbel dat de menschen aanzien wat voor oogen is, maar dat de Heere het hart aanziet. God heeft dus ook jou geen bril gegeven om in het hart van Ds. Kruyt noch in het hart van één der andere sprekers te zien. Blijf daar met jou bedorven oordeel dus af.
Vr.: Nou ja, maar wat hij zei was toch dierbaar voor het hart. Ik weet zeker dat velen er - van genoten hebben en dat de meesten het mooi gevonden hebben.
N.: Als de meesten het mooi vonden is het nog geen bewijs dat het ook mooi is. En wat dat genieten betreft, ach, dat blijft altoos betrekkelijk. Ik moet je eerlijk bekennen dat ik niet genoten heb.
Vr.: Was je het dan niet met hem eens ? Zeg dan eens wat je op grond van Gods Woord er tegen kunt inbrengen.
N.: Niet zoozeer tegen wat Ds. Kruyt gezegd heeft, als wel tegen de wijze waarop en tegen het verband waarin hij het gezegd heb ik bezwaar. Nu wij er toch over spreken vond ik dat de manier van zijn optreden vooral voor zulk een jonge man die pas enkele maanden in de bediening is, even onwaar als onwaardig was.
Vr.: Ik kan wel hooren dat je een vijand ben van het arme volk van God, en dat je niets moet hebben van een arm zondaarsleven ....
N.: Stil vriend, niet met groote woorden gaan schermen ; want zulke dikke woorden, zooals jij daar nou bezigt, zijn gewoonlijk een bewijs dat een mensch in de war zit. Ik zal je heel kalm trachten duidelijk te maken, wat ik bedoel.
Zie eens, wat betreft de belijdenis dat uit den mensch zelf geen levende vrucht geboren wordt, daaraan doe ik niets toe of af. Ik geloof evengoed als Ds. K. en als jij dat de mensch van nature een vijand van de Waarheid is en dat hij zich ook bij het ontdekkend licht des Heiligen Geestes als zoodanig moet leeren kennen. Ik geloof ook dat een kind van God uit zich zelf onwillig is om de roeping te vervullen die hij op Zendingsterrein en op ieder terrein van het leven te vervullen heeft en dat Gods volk alléén gewillig is op den dag van Gods heirkracht. Dat alles is ook het geloof van mijn hart en de belijdenis van mijn mond.
Vr.: Maar wat hadt je er dan op tegen dat Ds. Kruyt het heeft gezegd.
N.: Dat hij het eenzijdig gezegd heeft en op een plaats waar hij niet geroepen was om het te zeggen, althans waar hij er niet de hoofdinhoud van zijn betoog van mocht maken. Dat heb ik er tegen dat er op de wijze waarop Ds. Kruyt zijn onderwerp behandeld heeft een geheel seheeve tegenstelling gemaakt wordt tusschen „zenden" én „gezonden worden."
Vr.: Maar is dat dan geen verschil of iemand zelf zendt of dat hij gedreven door Gods H. Geest gevoelt dat hij gezonden wordt ?
N.: Zeker, is daar onderscheid in ! Maar niet zóó dat „gezonden worden" eigenlijk alleen het ware is en dat „zenden" uit den booze zou zijn. Als dat waar is dan begrijp ik niet dat gij lid zijt van en dat Ds. Kruyt optreedt voor een Bond die zich niet noemt „gezonden wordende" maar die zich wel terdege noemt „Zendings"bond. Gevoelt ge nu niet hoe dwaas het in den grond der zaak is om van „zenden" en „gezonden worden" een tegenstelling te maken ? In het woordje „of" van zijn onderwerp ligt de fout die, naar het mij voorkomt, door Ds. Kruyt is gemaakt.
Vr.: Maar ik geloof meer dat het Ds. Kruyt te doen was om te doen uitkomen dat er tegenwoordig zooveel menschen zijn die maar zenden zonder dat zij zich om dat gezonden worden bekommeren, en ik geloof ook dat hij zoo gesproken heeft om nu eens recht te spreken naar het hart van Gods volk.
N.: Dit laatste geloof ik ook, als je er maar bij denkt dat wij wel eens spreken naar den mond wanneer wij meenen te spreken naar het hart van Jeruzalem. En wat het eerste aangaat moet gij mij goed verstaan, Ik heb er volstrekt niet op tegen dat Ds. Kruyt er op wijst hoe het menigmaal is, als hij er dan ook maar bij zegt hoe het wezen moet naar 's Heeren ordonnantiën. Doet hij dat niet, komt hij dus niet met de roeping die de gemeente des Heeren op Zendingsgebied te vervullen heeft, dan beweer ik dat het woord van Ds. Kruyt, hoe vroom het ook klinke, ons de penning der Waarheid slechts aan ééne zijde doet zien en dat nog wel van een zijde die door onze Gereformeerde menschen toch reeds al te vaak wordt misbruikt.
Vr.: Maar hij heeft toch degenen die hij „het volk" noemde wel ter dege gezegd dat als zij maar goed gesteld war«n zij dan ook van zelf wel aan de Zending zouden gaan doen.
N.: Als dat vanzelf komt dan had hij het niet behoeven te zeggen, dan is dus heel zijn optreden overbodig geweest. Maar bovendien, hij heeft daar niet te spreken tegen degenen die hij „het volk" noemt. Hij heeft de roeping die van Godswege op de gemeente des Heeren ligt aan allen zonder onderscheid voor te houden en dan heeft hij het aan den Heere over te laten, hoevelen er nu zijn zullen die die roeping verstaan.
Wil ik u eens wat zeggen, Vroomsma? Ik vind het zoo gelukkig dat de Heere het oordeel wie er al dan niet tot Zijn Volk behooren en wie er Waarheidsvrienden en Waarheids vijanden zijn, niet aan een Zegveldschen dominé heeft overgegeven, en ik verheug mij dat we te doen hebben met een God die niettegenstaande de dwaasheid van menschen Zijn Waarheid in de geslachten heerlijk maakt. Zij ook onze Zendingsdag daartoe een middel geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's