De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

10 minuten leestijd

Cijfers.

Dat de opgaven van de laatst gehouden 10-jaarlijksche volkstelling nog al de aandacht zouden trekken in betrekking tot het kerkelijk leven, dachten we wel.

Jammer, dat die opgaven zoo weinig gepubliceerd worden en onder zoo weinige oogen komen.

Zou b.v. de Synode onzer Kerk niet voor een volledige statistiek kunnen zorgen, en deze, het kerkelijk en godsd. leven van gansch Nederland in cijfers voorleggend, kunnen toezenden aan alle Kerkeraden en alle predikanten ?

In de pers is er al menig woordje over gevallen.

Nu ook weer in „de Heraut."

Vooral Amsterdam trekt de aandacht.

De Hervormde Kerk ging geducht achteruit. De Roomsche Kerk breidde zich uit. Meer nog „de Geref. Kerken."

Vooral dat laatste verheugt „de Heraut" bizonder.

In antwoord aan „de Tijd" zegt „de Heraut" wel te besefifen, dat „de Geref. Kerken" in vergelijk van de Herv. Kerk klein zijn. Ook zelfs worden „de Geref. Kerken" overtroffen in leden-aantal door de Luthersche Kerk.

Maar — zoo zegt „de Heraut" wanneer we op het Kerkgaand publiek en op de collecten letten, dan durven we ons nog wel te vergelijken met de Herv. Kerk !

Nu willen we daar niet al te veel over zeggen, hoewel we deze soort van redeneering wel wat gevaarlijk en bedenkelijk vinden. Als een ander dat nu zegt, dan gaat het nog. Maar als „de Heraut" dat zelf zoo zegt, en het uit den treure telkens met zooveel omhaal herhaalt, dan krijgt men wel eens de gedachte : zou „de Heraut" ook verschijnselen van bedenkelijke hoogmoedige neigingen hebben? Wat we evenwel zeggen willen voor 't oogenblik is dit:dat men het kerkgaand publiek in de Herv. Kerk niet altijd, wat aantal en wat offervaardigheid betreft, moest minachten.

„De Heraut" weet, minstens even goed als wij, wat deel der Gemeente nog kerkt en wat op allerlei gebied ook door Hervormden geofferd wordt.

Waarom beluisteren we een toon als 9 Jan. '10' werd aangeslagen, in een paar regeltjes van een jaaroverzicht, zoo weinig ? Toen toch schreef „de Heraut": „maar ook in de Herv. Kerk is er een wederopleving gekomen, die we trots alle verschil van standpunt dankbaar begroeten? "

dankbaar begroeten....

Ééns in een héél jaar. Eventjes.

En dan telkens weer zeer ondankbaar haar bejegenen.

Met bedenkelijke wierook offeranden aan eigen adres.

Of is het niet wat wonderlijk, dat „de Heraut" nu de bloemetjes van „de Geref. Kerken", zoo naar buiten draagt en zoo uitbundig prijst?

„En in het kerkgaand publiek èn in de collecten met do Herv. Kerk minstens gelijkstaand."

Alles rozengeur en maneschijn!

En 12 Dec. '09 schreef „de Heraut" nog — over de Amsterdamsche Kerkelijke toestanden in het midden van „de Geref Kerken": „zooals de toestand thans is, kan en mag hij niet bestendigd worden. Van eenige belangrijke uitbreiding van het ledental is reeds lang geen sprake meer; de loop naar Gereformeerde predikanten in de Hervormde Kerk neemt toe; en financieel gaat men elk jaar achteruit.

Dat zijn teekenen, die reden tot ernstige ongerustheid geven. Er moet hierom op den een of anderen weg naar een geneesmiddel worden gezocht."

Terwijl 7 Nov. '09 de Commissie van Beheer in „de Amsterdamsche Kerkbode" meedeelde, dat de collecten in „de Geref. Kerken" in de laatste jaren geregeld achteruitgingen, en wel zóo, dat in 1908 de som van f6000 minder gecollecteerd was dan in 19J1, waarbij de Commissie nadrukkelijk wilde verklaren „dit mag niet verklaard worden door bizondere omstandigheden doch als uitvloeisel van regelmatigen teruggang."

Dat zeggen we niet uit leedvermaak.

Want wanneer het hen, die de Geref waarheid hartelijk liefhebben, goed mag gaan, dan verblijden wij er ons over, 't zij] ze binnen onze Herv. Kerk leven, of daar buiten. En ook weten we zeer wel het vele goede dat in „de Geref. Kerken" gevonden wordt.

Maar we zeggen dit, omdat het ons zoo vreeselijk tegenstaat en hoe langer hoe méér gaat tegenstaan, dat van zekere zijde altijd en altijd weer onze Hervormde Kerk een trap gegeven wordt en een hak wordt gezet.

Ook waar het niet noodig is.

En omdat nooit, nooit eens hartelijk iets gezegd wordt, van het véle goede dat in de Herv. Kerk, ondanks hare zonde, tot roem van Gods verbondstrouwe nog gevonden wordt. Terwijl men steeds, waar het eigen Kerken betreft, de bloemetjes buiten zet en er bij gaat staan, om aldoor te roepen en te schreeuwen: zie toch eens hoe mooi ze zijn!

Nu moet het kerkelijk leven van de Amsterdamsche Hervormde Gemeente het ontgelden en zelfs het aantal kerkgangers en het bedrag van de collecten wordt even uitgespeeld, om zich weer te verheffen.

Terwijl héel, héél kortgeleden „De Heraut" klaagde, dat „de" Geref. Kerken" in Amsterdam niet in aantal leden toenamen; dat het kerkbezoek niet schitterend was; dat tal van predikanten in „de Geref. Kerken" ook zoo oud worden; dat er zooveel uit „de Geref. Kerken" naar de Herv. Kerk gingen, om daar zich onder de bediening des Woords te scharen enz. enz.

Terwijl immers Ds. Sikkel, een jaar geleden pas, schreef: „Bestond, er maar meer samenbinding in het Gereformeerde leven in de Hoofdstad." „Maar alles breekt bij de hand af. En wie over deze dingen een publiek woord schrijft, die voelt zijn woord wegwaaien." „Alles gaat onder ons in Amsterdam dood, omdat er geen samenbinding en onderlinge steun is. De Gereformeerden zijn zelf de schuld. Ze laten elkaar en eikaars arbeid aan het lot over, en ze laten elkaar zoo dood gaan." „En allerlei Christelijke arbeid van Gereformeerden te Amsterdam gaat zoo dood. De Gereformeerden in Amstenlam mogen Zondags naar de kerk gaan, om te luisteren — en daarmee uit." „In den Kerkeraad kan voor den Christelijken arbeid in de stad niets gedaan worden. Daar wordt dit alles afgestemd, wijl het niet op den weg ligt."

Hoe is het dan nu in eens zoo schitterend en zoo volmaakt geworden?

Of kent men de leden van eigen Kerk niet meer?

Komen er duizenden in de doopboeken te staan èn duizenden in de lidmatenboeken, die men totaal niet kent als werkelijk behoorend tol en meelevend met „de Geref Kerken? "

Is er geen band tusschen Kerkeraad en Gemeente? ,

Is er een groot deel, dat dood is voor het kerkelijk leven?

Zoodat het in werkelijkheid èn met het kerkgaan èn met de collecten treurig is, terwijl het den schijn heeft van zoo schitterend mogelijk te zijn ?

Zouden er teekenen komen, die zeggen : -wees toch voorzichtig in andere kringen dag aan dag te veroordeelen, wat in eigen kleinen kring zoo onrustbarend wordt aangetroffen ?

Cijfers spreken. Vooral als ze niet met elkaar kloppen.

Dan is er een fout in 't spel.

Over de Zending.

Het geld is de zenuw van den oorlog.

Bestond er dan maar geen geld, dan was er ook geen oorlog . ..

Maar ook in den geestelijken oorlog, dien de zending voert, komt het ten slotte bij o! zooveel neer op geld.

Het geld is de nerf van den oorlog; is het minder de nerf van de zending?

Wat zou de arbeid kunnen worden uitgebreid; wat zou het bestaande beter in stand kunnen worden gebonden ; wat zou er minder bezuinigd en beknibbeld behoeven te worden; wat zouden de zendelingen van veel zorg kunnen worden ontheven.... als er maar meer geld was.

'k Zou'een reeks dingen willen opnoemen die er in onzen zendingsarbeid zijn moesten, maar waaraan eenvoudig om het geld niet gedacht kan worden ze aan te schaffen.

Het geld...

Ik weet' wel drie dingen: 1e. het woord van Mr. A. J. Grothe is nog niet gelogenstraft „er is nog nooit een zendingsconferentie bankroet gegaan." En 2e. de tekorten zijn altoos weder gedekt en de kosten van wat er dan toch op zendingsgebied gedaan wordt, nog altoos betaald. En 3e er ligt ook een zegen in voor onze zendelingen om uit te gaan zonder vasten financieelen waarborg, alleen in het geloof in hun God.

Eu verre is dan ook van mij de onzinnige gedachte God te beschuldigen van ons al zuchtende het ons door Hem aanbevolen werk te laten verrichten.

Maar dit is het droevige dat, ten gevolge van dezen toestand de zending veel te veel geïdentificeerd wordt met gebedel om geld.

Iemand-die over de zending komt spreken, is per se een bedelaar.

Bij de zendingssamenkomsten heeft het vaak den schijn als ware het vooral om de collecte te doen.

Zendingskringen zijn er vooral om geld bijeen te brengen. Én welk predikant of kerkeraad kent niet de verveling van die periodiek terugkeerende circulaires, nu eens van deze dan van gêne corporatie, de een al dringender dan de andere, om toch nog eens een extra-collecte te houden. Zij kunnen in onze toestanden nu eenmaal niet gemist worden; en toch, als er iets gedaan moest worden om de zending in, discrediet te brengen, er zou misschien geen beter middel voor te vinden zijn !

Er is in dit alles zoo iets afmattends en dat geheel in strijd is met het wezen der zending. Ik kan mij de ergernis en droefheid begrijpen die voor enkele jaren een zendeling aangreep toen hij weinige weken na zijn terugkeer in het vaderland een grooten bazar in een van onze hoofdsteden bijwoonde. Waar werkelijk niets kwaads plaats greep, maar waar het toch natuurlijk alléén ging om het geld, om veel te verkoopen, om veel loten te plaatsen en om door allerlei aardigheden de menschen te nopen veel te geven.

Ik hoor hem nóg vragen: is dat nu de wijze waarop. wij tot ons heerlijk werk in staat gesteld moeten worden ?

In de laatste jaren zoeken wij het voor een groot deel bij de subsidies van de Regeering. Hoe hooger deze kunnen worden opgevoerd, hoe beter. Ik sprak reeds met een enkel woord over de beteekenis die deze hebben èn voor het zendingswerk als zoodanig èn voor de Regeering zelf. Maar men mag toch ook niet over het hoofd zien welk een gevaar daaraan voor de zending verbonden is.

Van Regeeringswege worden uit den aard der zaak aan die subsidies voorwaarden verbonden. Ik zal van deze geen kwaad zeggen; verre van dien. Maar zal de zending daartegenover altoos haar zelfstandigheid kunnen bewaren en het kunnen volhouden haar eigen weg te gaan?

De zending heeft een anderen blik op de dingen, op het karakter en de behoeften van de bevolking, op de wegen die ingeslagen moeten worden en op de eischen die dit alles stelt.

Het werk der Regeering mist uit den aard der zaak het paedagogisch karakter, dat de zending kenmerkt of althans moet kenmerken

Zal bij de eischen die voor de subsidie gesteld worden en bij de gelijkstelling van de gouvernements-en de zendingsinrichtingeu altoos genoeg met dit onderscheid rekening gehouden kunnen worden? en zullen de zendingsbesturen niet vaak staan voor de keuze — hebben zij er niet reeds vaak voor gestaan ? — tusschen het subsidie en hetgeen uitzendingsoogpunt noodig en wenschelijk is ?

En als de geldnood dan nijpt?

Tegenover dit alles kan men niet zeggen noch op klagenden noch op verwijtenden toon, dat de gemeente dan maar méér geven moét en dat het haar eigen schuld is, wanneer de zendingsbesturen haar telkens komen vervelen met vragen om geld, om veel geld voor een werk dat het werk der gemeente zelve is.

Zeker — de zendingsbesturen moéten wel telkens vragen. En niemand mag er hun een verwijt van maken, dat zij het met nadruk doen en telkens nieuwe middelen zoeken om aan de oude vragen weer eens een nieuw tintje te geven.

Waarlijk, ook in dit opzicht heeft het Bestuur eener zendingscorporatie niet altoos een benijdbare taak. Maar aan den anderen kant, laat ons dankbaar erkennen, dat de gemeente geeft en véél geeft en over 't algemeen met liefde geeft.

In de telkens herhaalde aanvragen om geld mag de toon van dankbaarheid nooit ontbreken en dat niet voor den schijn, maar omdat er werkelijk oorzaak tot dankbaarheid, ik ben geneigd te zeggen: tot bewondering is.

Wij hebben God te danken, maar ook de zendingsvrienden voor alles wat zij doen.

En toch moet er nog veel meer gedaan worden.

Wat dus weer is: er moet nog veel meer gegeven worden !

(Uit„De Protestantsche Zending” No.1.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's