De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

8 minuten leestijd

Art. 5. Alle deze Boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof naar dezelve te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen."

XXVIL

De Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds zijn niet slechts op verschillende wijzen ontstaan, maar de Heerè heeft er ook voor gezorgd dat zij als een geheel tot ons zijn gekomen, dat wij ze voor heilig en canoniek hebben ontvangen.

In de eerste plaats echter dient er op gewezen te worden dat de oorspronkelijke handschriften door de profeten en apostelen zelven geschreven, alle zonder onderscheid zijn verloren gegaan. Wat er nog van over is, zijn alleen afschriften. Wat het Oude Testament betreft dagteekenen de oudste dier handschriften uit de negende en wat het Nieuwe Testament aangaat dagteekenen de oudste dier handschriften uit de Vierde eeuw na Christus.

In de tweede plaats moet er aan herinnerd dat de verschillende Bijbelboeken niet op zich zelf zijn blijven staan, maar dat zij ook verzameld en tot een z. g. n. kanon vereenigd zijn. Met de boeken des Ouden Verbonds is dat reeds geschied in den tijd vóór Jezus en met die des Nieuwen Verbonds heeft dat in 4e eeuw na Christus plaats gehad. Daarna zijn de algemeen erkende geschriften van Oud-en Nieuw Verbond beiden samengevat en op de Synode te Hippo Regius in het jaar 393, en op die van Carthago in het jaar 397 is de kanon van onzen Bijbel als zoo danig vastgesteld en geregistreerd. De indeeling in hoofdstukken is eerst afkomstig uit de dertiende, de indeeling in verzen uit.de zestiende eeuw. Maar in de derde plaats moet ook op de vertalingen van onzen Bijbel even de aandacht gevestigd worden.

Immers ieder gevoelt dat Gods Woord, zooals het in het oorspronkelijke voor ons ligt voor verre weg de meesten onleesbaar en dus ook onverstaanbaar is. Daarom heeft God er ook voor gezorgd dat het Oude Testament uit het Hebreeuwsch en het Nieuwe Testament uit het Grieksch in verschillende talen is overgezet.

Reeds in de 3e eeuw vóór Christus verscheen er in Alexandrië een Grieksche vertaling van het' Oude Testament. Zij wordt gewoonlijk aangeduid met den naam van de Septuagint of de vertaling der zeventig, omdat zij volgens de overlevering op last van een Egyptischen koning vervaardigd zou zijn door 70 Joodsche Schriftgeleerden.

Later verschenen ook vertalingen in het Latijn — de z. g. n. Itala en de Vulgata. — In de Middeleeuwen begon men de Schrift ook in andere talen over te zetten en vooral na de Hervorming, toen door het humanisme de taalstudie was bevorderd en door de uitvinding der boekdrukkunst de verbreiding der Schrift vergemakkelijkt was, werd meer en meer de behoefte naar vertalingen van den Bijbel gevoeld.

Bekend is uit die dagen de vertaling van Lulher die in Duitschland, de vertaling van Wiliam Tyndal die in Engeland en de vertaling van Calvijn en Beza die in Frankrijk en Z'Aitseilaud werd gebruikt.

In ons vaderland was in 1526 de eerste complete bijbelvertaling verschenen. Aangezien deze 'echter veel te wenschen overliet drong de bekende Marnix van St. Aldegonde aan op een nieuwe vertaling uit den grondtekst. Zelf heeft deze de laatste jaren van zijn leven aan dezen arbeid gewijd maar door zijn dood werd hij verhinderd dat werk te voltooien.

Daarop heeft de Synode van Dordrecht in 1618—'19 besloten den Bijbel opnieuw uit grondtekst te doen overzetten. Verscheidene predikanten werden daarvoor benoemd die zich van 1625 tot 1637 te Leiden met dezen arbeid hebben beziggehouden. Het grootste aandeel in de vertaling van het Oude Testament hebben gehad de predikanten Bogerman van Leeuwarden en Baudartius van Zutphen en voor de bewerking van het Nieuwe Testament hebben zich het meest verdienstelijk gemaakt de bekende Antonius Walaeus en Festus Hommius van Leiden.

Aangezien dat werk mede op last van de Staten-Generaal was ter hand genomen en deze er ook de kosten van droegen is deze vertaling nog altoos onder den naam van „Statenvertaling" bekend. Deze Statenvertaling was een belangrijk en gezegend werk dat ook uit wetenschappelijk oogpunt groote waarde bezit. Later heeft men getracht dit werk te verbeteren. Zoo is o.m. in 1822 een bijbelvertaling verschenen van Van der Palm en in 1901 hebben Prof. Kuenen te Leiden, en anderen, er een uitgegeven die in zeer vrijzinnigen geest was bewerkt, maar deze hebben onze Statenvertaling die mede om zijn vaak belangrijke kantteekeningen voor ons Christen-volk van onschatbare beteekenis is niet kunnen verdringen.

In de Statenvertaling waarin de schat van Gods Woord het eigendom van ons volk is geworden en die van zoo onberekenbaren invloed is geweest op de ontwikkeling van het godsdienstig leven onzer vaderen, vonden ook wij nog de meest zuivere overzetting van hetgeen de Heere tot ons heeft te zeggen. Deze vertaling is voor ons de vorm waarin wij de boeken des Ouden en Nieuwen Verbonds ontvangen voor heilig en canoniek.

Ja, heilig zijn deze boeken voor ons. Dat wil het zeggen dat er in den vorm waarin deze boeken éa in het oorspronkelijke èn in hun vertaling tot ons kwamen eenige onfeilbaarheid ligt. Wij gelooven dan ook niet dat iemand zondigt als hij voor het Oud-Hollandsche woord „ende" tegenwoordig „en" leest en als hij in overeenstemming met ons tegenwoordig spraakgebruik voor „wijf" het woord „vrouw" gebruikt of voor de uitdrukking „al wie aan den wand ..pist" een andere n.l. „al wat mannelijk is" bezigt. Maar heilig zijn deze boeken daarom voor ons, omdat de inhoud van al deze boeken ons vertolkt niet het woord van een feilbaar mensch maar het onbedriegelijk getuigenis van dien God die niet liegen kan en die te rein van oogen is dan dat Hij het kwade kan zien. Daarom gelooven wij ook niet dat er werkelijk tegenstrijdigheden in het Woord des Heeren bestaan. Zeker, als gij sommige woorden en verzen rukt uit het verband waarin God zelf ze gezet heeft, dan is het niet moeilijk om verschillende plaatsen met elkaar in tegenspraak te brengen, maar als gij daarentegen het een met het ander vergelijkt en gij vraagt naar het verband en naar de beteekenis van zulke uitdrukkingen die dan schijnbaar met elkaar in tegenspraak zijn, dan zult gij aanstonds bemerken dat er niets ongerijmds en niets tegenstrijdigs in ligt; dan zult gij ook zien dat er in de Schrift niets onnoodig is en dat zelfs de schijnbaar meest nuchtere opmerkingen menigmaal van groote beteekenis zijn.

In dien zin gelooven we dus dat de boeken van den Bijbel heilig zijn. En in dien zin gelooven we dat zij zijn heilig en canoniek. dat n.l. de Heere er voor gezorgd heeft dat deze Boeken èn in het oorspronkelijke en in hun vertaling zóó ongeschonden tot ons zijn gekomen dat zij inderdaad een regel voor leer èn leven kunnen zijn.

In art. 5 van onze Belijdenis wordt dan ook zoo terecht gezegd dat ons geloof naar deze heilige en canonieke boeken in de eerste plaats gereguleerd moet worden. D. w. z, Gods Woord moet het paslood zijn voor ons geloof. Wanneer we dus bemerken dat ons geloof niet in overeenstemming is met de eischen die in dat Woord worden gesteld, dan moeten wij niet het Woord trachten te veranderen en het Woord in overeenstemming trachten te brengen met de vaak zonderlinge opvattingen die wij van het geloofsleven zijn toegedaan — zooals het helaas in menschelijke dwaasheid zoo dikwijls geschiedt — maar dan moet omgekeerd het Woord blijven staan en ons geloof moet daarmee in overeenstemming gebracht.

Het geloof moet gereguleerd naar het Woord, maar het moet ook gegrond wezen op het Woord. D. w. z. door het Woord des Heeren als middel zal de H. Geest het geloof in onze harten gewerkt moet hebben. Er is geen geloof denkbaar buiten het Woord om. Of heeft Paulus het in Romeinen 10 niet duidelijk en naar Waarheid gezegd dat het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God?

Daaruit blijkt dus dat er niet te miskennen verband is tusschen het Woord des Heeren en een waarachtig zaligmakend geloof. Want niet alleen dat het geloof naar het Woord gereguleerd moet wezen en niet slechts dat het er op gegrond moet zijn, maar het moet er ook mee bevestigd worden. D. w. z. tegen alle vijanden die het op de ondermijning van het - geloofsleven ja, die het op de uitroeiing van het geloof hebben toegelegd moet er gestreden worden met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Ieder ander wapen dat gij in den goeden strijd des geloofs gebruikt blijkt ten slotte nutteloos te zijn, maar tegen het „daar staat geschreven" houdt zelfs de Satan het niet uit. Alleen wie het wapen des Woords heeft leeren hanteeren, diens geloof zal tegen allerlei aanvallen van twijfel en ongeloof bevestigd worden; hij zal het ondervinden wat Paulus eens aan Timotheus schreef: al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de recht­ vaardigheid . is.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's