Voor Jong en Oud.
Een „Proletariër."
De wind, in de schuinte, blaast door de steeg, dat de lantaarn in 't midden, met een vleermuisbrander nog, dreigt uit te waaien.
'n Enkel pakhuisluik rammelt in z'n roestige hengsels, 'n magere armoehond knort dreigend, bij 't zoekend loskrabbén van 't gootvuil; maar andere geluiden worden in de steeg niet gehoord.
Achter luikjes en gordijntjes, kruipt en krimpt de wereld der armoe dicht op en in elkaar, bleek van kou, stijf van vocht.
Om den hoek komt 'n man van middelbaren leeftijd.
Bij elken stap bezuigt de straatmodder z'n schoenen, stuk en nat, zwaar van 't vocht. Met moeite sleept hij z'n stramme beenen voort.
Z'n handen steken diep in de zakken en de ellebogen drukt hij stijf tegen 't lijf.
Zóo, voorover gebogen, boomt bij tegen den wind op, die hem door 't dunne ondergoed dringt, of z'em met natte doeken langs z'n oksels wrijven.
Midden in de steeg houd hij stil, licht een klink op en komt in 'n klein portaal, met roode tegels, waarop hij z'n natte moddervoeten wat afstampt.
Een deur gaat half open.
„Vader!" zeggen vijf, zes stemmen. De rnan treedt binnen; vol angstige verwachting kijken vrouw en kinderen hem aan.
't Is 'n droevig gezicht, 'n Leeg, hol vertrek, met glimmend natte kalkmüren, waar 't water langs sijpelt. De vloer van steen, heeft slechts voor 't raam 'n kleine houten ophooging, waar de tafel op staat.
De klok aan den wand, is naar den lommerd, 'n Paar „pullen", 'n schilderij en andere „weelde"artikelen gingen denzelfden weg, gelijk ook 't horloge en de duffelsche jas van den man, de mantel der vrouw en de laarzen van 'n paar kinderen.
'n Kleine staande olielamp geeft wat licht op tafel, maar laat de muren en hoeken in 't halfduister. In de kachel glimt een weinig vuur, en onder den schoorsteen ligt wat hout, door de kinderen met moeite bijeengesprokkeld.
'n Korten groet, en somber zwijgend gaat de man zitten, trekt met veel moeite z'n natte schoenen uit, drukt z'n voeten tegen de kachel, dat sissend het water uit z'n kousen verdampt.
"Mis? " vraagt de vrouw, even opziend van haar naaiwerk, waarvoor ze morgen enkele stuivers hoopt te beuren.
„Mis", zegt de man, dof, 't hoofd op de borst.
„Geen loopwerk ook? "
„Niks D'r is geen werk, nou. Overal hebben ze d'r eigen volk. Bij Van der Haer komt wat, maar pas over 'n maand; dan moest 'k maar weer komen hooren."
„'n Maand" zucht de vrouw, terwijl een traan op haar wang rolt.
Zoo'n winter hadden ze nog nooit gehad.
't Was altijd tobben en d'r moest weleens wat worden weggebracht. Vijf kinderen en geen een, die wat inbrengt nog, .je moet d'r niet licht over denken.
Maar die staking had het' em gedaan. Van begin September had de man nu niet gewerkt. Eerst kreeg ie nog wat ondersteuning, maar sinds half November niet meer: nu was de staking opgeheven, maar 't werk lei stil.
Dat gaat zoo in de bouwvakken; 's winters is 't de slappe tijd; en als je dan 's zomers niet iets kunt overleggen, dan wordt het bang!
Z'n vrouw had 'm zoo gewaarschuwd. 't Was geen staking waar je zegen op hebben kon.
Ze wouen den „baas" dwingen, om eenige arbeiders te ontslaan, die met den grooten hoop niet meededen.
Dat móést verkeerd uitkomen. Ze had het d'r man gezegd ook; en hij — een goede vent! — wou wel werken, maar z'n kameraads hadden 'm telkens weer bepraat.
Eens op 'n keer, had ie ze vast beloofd, dat ie morgen naar den baas ging; maar 's avonds was-ie naar 'n meeting geweest, waar meneer Van de Werff sprak en dat had 'm voorgoed 't hoofd op hol gebracht.
Wat ze - zei, sinds dien tijd, ketste af, als regen op 'n rots. Hij moest „de solidariteit hooghouden", zei die. Wat dat precies was, wist z'n vrouw niet; maar 't liep uit op hongerlijden, dat zag ze wel.
Brood had ze niet meer. Voor morgenochtend stond nog een „prakje" in de kast, 'n waar hutspotje; maar 't gaf toch wat in de leege maag.
Maar dan ... maar dan , .. ? Ze moesten eten, stoken, olie in de lamp koopen ...; d'r man zou ziek worden in zoo'n dunne jas, met die kou; en er is geen cent om 'z'n duffelsche te gaan lossen.
Met betraande oogen kijkt ze den kring der kinderen rond. Niet één is er, die klaagt; ze weten 't wel, dat moeder doet, wat ze kan !
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 september 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's