Allerlei.
Iemand.
Een man knielde bij het altaar en bad....
„O God", zeide hij, „ik ben geheel onrein van buiten en van binnen. Mijn ziel is zwart vanwege de vuilheid mijner zonde en mijn schouders zijn neergebogen onder haar gewicht. O God aller genade, wees mij een ontfermend God, mij den voornaamste der zondaren!"
Toen hij wegging, ontmoette hij een vriend.
„Waar zijt gij geweest? " vroeg zijn vriend.
„Ik ben naar het altaar geweest", zeide de man, „om mijn zonden te belijden."
„Van zonden gesproken", zeide de vriend, „er is een gebrek, dat ik dikwijls in u heb opgemerkt."
En hij wees hem op zijn gebrek.
„Leugenaar!" zeide de man, dié bij het altaar zich den voornaamste van de zondaren genoemd had, en hij sloeg zijn vriend op den mond....
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's