Staat en Maatschappij.
Arbeid op Zondag.
(Slot.)
De Overheid — en daarmede eindigden we ons laatste artikel — heeft zich als dienaresse Gods te houden aan de ordinantie des Heeren van het heiligen van den Sabbath. Zij moet uit dien hoofde het al hare ambtenaren en beambten mogelijk maken, om in beginsel op den Sabbath van den arbeid te rusten. Alleen in gevallen van noodzakelijkheid mag ze het verrichten van arbeid op den dag des Heeren toelaten.
De Overheid heeft zich af te vragen, welken arbeid naar de natuur der dingen op den Sabbath moet verricht worden en is verplicht daarbij in de allereerste plaats dien arbeid te doen ophouden, welke als onnoodig werk te beschouwen is. Zij is er niet mede af om ten gerieve van hen, die in haar dienst zijn, op Zondag' ander personeel aan te stellen. Dit doende handelt ze niet recht, maar verplaatst slechts het kwaad. Na het onnoodige werk op den Sabbath uitgeschakeld te hebben, heeft de Overheid daarna te overwegen, of arbeid, die anders op den Zondag plaats vond, ook op andere dagen te verrichten is.
De Overheid heeft alzoo te ziften en het noodzakelijke van het minder noodzakelijke werk te scheiden. Waarbij dan in onzen gedachtengang alleen maar het verrichten van den noodzakelijken arbeid kan bestaan.
Het zal een ieder duidelijk zijn, dat, na hetgeen we hier neerschreven en ook in vorige artikelen betoogden, het scheren van allen arbeid óp Zondag over één kam niet opgaat.
Er bestaat onderscheid en dit onderscheid mogen we niet voorbij zien.
Brengen wij nu de roeping der Overheid inzake het Sabbaths vraagstuk rnet eigen verantwoordelijkheid in aanraking, dan past het hem noch haar die zich voor Gods Woord buigt, om in dienst der Overheid zijnde, zulk werk op Zondag te verrichten, waarvan het vast staat, dat het onnoodige arbeid is. We kunnen ons dan ook niet voorstellen, dat iemand, wie dan ook, die op de ordinantie des Heeren in Genesis 2 : 2 en 3 ja en amen zegt, vrede kan hebben met b. v. op Zondag dienst te doen op een tram of op eenig daarmede gelijkstaand vervoermiddel.
Men zal opgemerkt hebben, dat we in het artikel „Een ernstig gevaar", dat we in het nummer van 14 Juli schreven, juist op de roeping ten deze van de Overheid wezen. Daarmede bedoelden wij er de aandacht op te vestigen, dat zoo de Overheid niet tot groote beperking van den Zondagsdienst overgaat, het de mannen van Christelijke levensbeschouwing niet mogelijk kan zijn bij haar in dienst te treden. En wij noemden het in dit verband een ernstig gevaar, dat bij niet voldoen van dezen eisch, de uitvoering van tal van takken van het grootbedrijf in handen komt van vaak niet gewenschte elementen onder de arbeiders.
Nu zij echter een ieder die bij de Overheid in dienst is, en verplicht wordt om op Zondag arbeid te verrichten, in zijne eigene conscientie ten volle verzekerd; waarbij hij dan tevens ook voor zichzelf heeft uit te maken, of zijn arbeid op Zondag als noodzakelijk te verrichten arbeid te beschouwen is. Op die noodzakelijkheid komt het ten slotte aan.
De inzender van het stuk in het nummer van 28 Juli — en voor wij eindigen, willen we op diens opmerkingen nog even de aandacht vestigen — schrijft, dat bij het uitspreken van een of andere meening overwogen behoort te worden, of de Christen-arbeider soms in Overheidsdienst zijnde, in zijne betrekking een roeping te vervullen heeft en iets verder: „dat wij hebben te gelooven, dat waar wij ook worden geplaatst, wij geplaatst worden door Hem , die alles regeert en bestuurt naar Zijn welbehagen." Zeker dit is zoo, maar dan hebben wij ook te overwegen of wij werkelijk in Gods weg zijn. Die weg kan inmiddels nooit er een zijn, welke in strijd komt met Zijne heilige ordinantiën.
De inzender zal misschien nog, na alles gelezen te hebben wat wij betoogden, zijn klacht van liefdeloosheid blijven volhouden. Toch zijn wij, en dit neme onze vriend uit Alphen aan, niet zonder liefde jegens zoovele Christen-arbeiders, die vaak tegen hun wil in verplicht zijn om op den Dag des Heeren te arbeiden. Wat wij echter over het Sabbathsgebod schreven, konden we niet anders uitdrukken.
Veel van wat de heer Blijleven betoogt, heeft onze volle instemming. Bijzonderlijk gaan wij met het slot van zijn schrijven accoord.
Geve de Heere het nog eens, dat ook ten onzent de Overheid meer hare roeping leere verstaan en schenke Hij het Goddelijk licht in de harten van ons volk, opdat het door Zijnen Geest geleid, den weg, welke naar Zijn Woord en Zijn getuigenis is, ook die door 't aardsche leven leidt, leeren vinden.
Het is in dien weg, dat onze levensroeping ligt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's