Uit het kerkelijk leven.
Het valsche in onze Ned. Herv. Kerk.
Wij zeggen niet dat onze Ned. Herv. Kerk een valsche Kerk is.
Maar in onze Herv. Kerk, die niet de valsche Kerk is, is wel veel aan te wijzen wat niet echt — en dus valsch — is.
Het niet-echte — en dus valsche — in onze Ned. Herv. Kerk bestaat hierin, dat er in den loop der jaren zooveel ingeslopen en ingehaald is, wat niet overeenstemt met Gods Woord.
Nu is er wel geen enkele Kerk, die in alles met Gods Woord overeenstemt.
En een geheel zuivere kerkstaat zal op aarde wel nooit gevonden worden. Ja, het behoort tot de natuur van déze bedeeling, dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn. Dat in den schoot der Kerk Jacob en Ezau worstelen en blijven worstelen. Dat de oude zuurdeesem nooit zal kunnen worden uitgezuiverd.
Eerst in de triumfeerende Kerk zal getuigd kunnen worden: Satan gaat niet meer rond en „geen Kanaaniet is in het huis des Heeren - der heirscharen" (Zach. 14:21b).
Maar.... het maakt toch groot verschil, of in de Kerk des Heeren een krachtig getuigenis mag gehoord worden: „wij weten dat wij in het huis Gods naar den regel van Gods Woord moeten wandelen"'— of dat zoo ' in 't algemeen aan den mensch in veel dingen méér gezag wordt toegeschreven dan aan Gods Getuigenis.
En daarop ziende zeggen we: er is in onze ' Herv. Kerk veel wat valsch is.
In de bediening des Woords, in de bediening der Sacramenten, in de uitoefening van de tucht is er veel, dat meer naar des menschen goeddunken is dan naar uitwijzen van Gods Woord.
Veel, héél veel is zelfs is in strijd met Gods Getuigenis.
En het blijft toch maar waar, dat alles wat met Gods Woord in strijd is, dwaasheid en zonde moet genoemd worden.
Dwaas — al denkt men, dat men nóg zoo wijs is.
Zonde — al zegt men, dat men het o zoo goed meent.
„Tevergeefs eeren ze Mij, leerende leeringen die geboden van menschen zijn", zegt Jezus. „Die Mijn Woord verwerpen, verwerpen Mij", spreekt de Heere.
Dat mag niet ontkend worden. En daarom is het met onze Kerk zoo diep treurig gesteld.
Waar de mensch op den troon klimt, daar wordt de Heere verstooten en gehoond.
Daar wordt de waarheid verdrukt. Daar wordt Gods volk benauwd. Daar wordt het Koninkrijk Gods tegengestaan.
Neen, nog eens, er is geen enkele Kerk, die in alles met Gods Woord overeenstemt. Er is nergens een geheel zuivere kerkstaat. Want de zonde doet overal haar vreeselijke kracht gevoelen.
Maar wanneer we ónze dagen vergelijken met de tijden die onze Herv. Kerk in de 16e eeuw doormaakte, dan zeggen we: overal verflauwing der grenzen; overal afdoen van de waarheid; overal een kronen van menschelijke ordinantie en een verachten van 's Heeren geboden.
Dat heeft vele menschen reeds doen besluiten om onze Herv. Kerk maar den scheidsbrief te geven. Vele menschen, die eerbied hebben voor Gods Woord en die het zonde weten te zijn, van Gods Woord af te doen.
Iets, wat we wonder goed verstaan kunnen. Hoewel we het niet kunnen goedkeuren. Ja, we meenen het te moeten betreuren en het te moeten veroordeelen.
Want schrikkelijk is de afval in onze Herv. Kerk. Gruwelijk is het zondebedrijf. En alom wordt gepoogd den mensch toch maar méér gezag toe te schrijven dan Gods Woord.
Maar gelijk het bij den strijd tusschen den ouden en den nieuwen mensch gaat, de Heere die onze Gereformeerde Kerk hier plantte, heeft nog altijd betoond het werk Zijner handen niet te laten varen en aan onze Vaderlandsche Kerk den scheidsbrief nog niet te hebben gegeven.
Ja — Hij werkt, tot prijs van Zijne genade, nog wel droefheid in de harten van velen, die Zijne kinderen genoemd mogen worden, om te treuren over de breuke en om te leeren strijden tegen alles wat de eere des Heeren wil krenken en de zaligheid van Sion wil schenden.
Dat mogen we bij tijden weleens opmerken. En. dat mag ons dan grootelijks verblijden en bemoedigen.
Want ja — het is met onze Herv. Kerk ellendig gesteld.
Maar als het nu een plantige Gods is, gelijk wij vastelijk gelooven. En als de Heere er dagelijks nog werk verrichten wil, gelijk we zoo nu en dan mogen opmerken. Als de Heere dan worstelt om de Vaderlijke erve. En de Heere mag op die erve weer meer en meer belijders van Zijn Naam verwekken en onder hen weer meer en meer een geest geven, die begeerig zegt: opdat wij mogen weten, hoe wij in het huis Gods moeten verkeeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid (1 Tim. 3:15). Ziet, dan wordt onze geest bij tijden verkwikt, en onze hope wordt levend, dat de Heere een worsteling zal geven, waarbij de ellende telkens diep-gevoeld zal worden, maar waarbij toch óok mag worden uitgeroepen: Wij danken God, door Jezus Christus, onzen Heere."
Hoe meer dan maar het gebed mag opgaan, bij allen die aan de gebedsgenade niet vreemd zijn, om uitbreiding van het getal dergenen - die beven voor Gods Woord, hoe beter.
Want dat is het valsche in onze Herv. Kerk, dat er zooveel geleerd en gedaan wordt, wat in strijd is met Gods Woord, terwijl het naar recht is, dat in onze Gereformeerde Kerk geheel Gods Woord wordt aanvaard en geëerbiedigd en alles worde ingericht alleen naar dat Getuigenis.
En als er nu maar komen mogen, die voor Gods Woord beven, dan zal voor dat Woord ook worden gestreden; in welken strijd het zoo heeilijk is, wanneer des harten belijdenis mag klinken: de strijd is des Heeren!
Maar o! wat is het dan te bejammeren, dat er zoovelen zijn, die, naar het oordeel der liefde (de liefde is niet afgunstig!) niet geheel vreemd zijn aan de geestelijke kennis dezer dingen, doch voor het opkomen voor de eere Gods en de verdediging van Zijne Waarheid weinig of niets voelen.
De kinderen Gods onder de oude bedeeling wisten van een vurigen strijd, van een saam optrekken, van een haten der vijanden en een staan voor de eere Gods.
Die mochten elkaar opwekken ten strijde; en elkander waarschuwen voor die valsche gerustheid op de bergen van Samaria. Die mochten bidden om heilig vuur in de beenderen, om ijver en goed verstand.
Die veroordeelden de kinderen van Ruben, die daar stil thuis bleven, sprekende over allerlei mogelijke en onmogelijke dingen.
En ziet, dat, dat wordt nu zoo veelszins gemist. Er is niet dat heilig opwaken tot den strijd. Er is niet dat bevechten van de geesten, die niet uit God zijn. Er is niet een krachtig wederstaan van den booze.
En gelijk het alleen maar goed staat voor de ziel, wanneer de belijdenis is: ik weet, dat ook de allerheiligste zoolang hij in dit leven is, maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid zal leeren kennen, maar toch is door genade mijns harten diepst verlangen, om niet naar sommige, doch naar alle geboden Gods te leven" — zoo zal het ook in onzen kerkstaat alleen maar goed zijn, wanneer alle ware belijders zich leeren scharen rondom Gods getuigenis en die banier mogen opwerpen als teeken, dat men den vijand wenscht te wederstaan. Gods kinderen moeten den booze leeren wederstaan. Den duivel mag geen plaats gegeven worden. De goddelijke wapenrusting moet aan. Het zwaard gehanteerd. Geen valsche schaamte bij het belijden van den Name des Heeren. Er moet weer iets terug komen van Davids jubel: gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, die mijne handen onderwijst ten strijde, mijne vingeren ten oorlog." Ps. 144:1.
Een zwak volk moet weer opwaken en zich sterkend in den Heere, kloeke daden doen.
Een jongeling tegen een reus ten strijde trekken, belijdende den Name des Heeren. Dan mogen anderen roemen in paarden en spreken van wagenen, maar Sion weet dan te vermelden den roem huns Gods.
Neen, 't is geen tijd om bloempjes te plukken op 't veld van verkeerde mystiek. Om elkander liederen toe te zingen van kalme rust en zoet-nietsdoen.
't Is geen tijd om rustig alleen te praten over de dingen die daar verre zijn.
We moeten onze lampe leeren aansteken met de olie die van boven is en bevindelijk den Heere kennend in Zijn goedertierenheid en waarheid, die alleen ten leven is, moeten we met den dichter van Ps. 18 leeren verstaan : „ Want Gij doet mijne lamp lichten ; de HEERE, mijn God, doet mijne duisternis opklaren. Het is God, die mij met kracht omgordt — Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is. Ik vervolgde mijne vijanden en trof hen; ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had."
Dat is gezonde mystiek.
Dat is innig, waarachtig léven in zielsgemeenschap met God. Dat is bevindelijk kennen, proeven en smaken van Zijne goedertierenheden.
Innig zielsleven, waaruit geboren wordt: want met U loop ik door een bende, en met. mijnen God spring ik over eenen muur." (Ps. 18:30)!
Geve de Heere dan uit genade dat allen, die zich wenschen te buigen voor het Woord onzes Gods uit hun valsche ruste mogen opstaan, dan zal het valsche in onze Herv. Kerk krachtig bestreden worden en het zal gaan als in Gideons dagen : voor een kleine bende zal een groot leger vluchten!
Want 't is 's Heeren zaak. De zaak des Almacbtigen. Die een bebagen schept in een volk, dat lust en begeerte mag toonen om te strijden voor de waarheid, welke onzen vaderen en ons door Hem zelf is toebetrouwd.
't Moet.
Er moet verandering komen. Zooals het nu is schreit het ten hemel.
De Heere is zoo genadig en barmhartig, dat Hij in onze Herv. Kerk duizenden Waarheidsvrienden heeft overgelaten. Van nature niet anders zijnde dan Waarheidshaters, heeft de Heere er nog lust in om er Waarheidsvrienden van te maken. Onder mannen en vrouwen. Onder jongelingen en jongedochters. Onder predikanten en gemeenteleden.
Dat is Gods werk. Eu daar zal de mensch afblijven !
Maar wat zien we in onze Hervorrmde kringen ?
Terwijl degenen die buiten staan als één man optrekken, zijn degenen, die binnen dien kring gevonden worden hopeloos verdeeld.
O, wij weten het wel, dat het vroeger óok zoo was. In Paulus' dagen gaf men elkander zelfs klappen op de gezelschappen. Waar men in huisgemeenten samenkwam vocht men.
En in de Gemeente waren talloos vele partijschappen. De .een noemde zich naar leeraar Cefas, een ander naar ouderling Apollos, een derde naar den apostel Petrus en een vierde naar het Hoofd der Gemeente Christus.
En Petrus heulde ook met de vromen, om „Gods volk" toch meer in 't gevlei te komen, met opoffering van zijn eigene overtuigingen, waarvoor Paulus hem in het aangezicht moest wederstaan, hem openlijk bestraffend.
Neen, vroeger was het ook zoo mooi niet. En de Heere, die regeert, weet gelukkig toch door te werken. Hij bewaart Zijn Kerk. Hij doet Zijn volk zalig worden, de groeten met de kleinen.
Al verbijt en vereet men elkander hier, al gunt men hier elkander de erve der heiligen niet, al wil hier de een nog wijzer zijn dan de ander, niet zelden meer naar menschenbehagen staande, dan eenvoudig acht te geven op Gods Getuigenis — de Heere houdt alles in Zijn hand en weet het ten goede te besturen.
Niet zelden valt er nog een zegen, wanneer de ziele onder deze dingen pijn voelt. Maar dat alles neemt niet weg, dat het niet goed is van 's menschen zijde. Ja, het is ons duidelijk geopenbaard, dat het ons tot zonde moet worden.
Nog eens, de Heere weet bij alles dóór te werken. Hij regeert. En uit de verwarringen en twisten wordt de zuiverheid van de waarheid soms helderder ten toon gespreid voor veler oog. Men leert wel eens meer afzien van het schepsel, om meer te zien op den Heere. Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar, mag wel eens meer tot troost worden. Het werk van Golgotha mag wel eens meer de eenige plaats gaan innemen voor de ziele die God vreest.
Doch dat alles neemt maar niet weg, dat de zonde en de gruwel van ónze zijde vreeselijk is en roept om Gods oordeelen.
O! waar moet het heen, indien zij, die éen geloof en éen Heiland hebben, elkander niet kunnen vinden en elkander haten en vlieden ?
De duivel schept er behagen in. En ja — al weet de Heere dóór te werken met al de Zijnen, die een wederhoorig kroost genoemd moeten worden, toch is het ons geopenbaard, dat het den Heere tot smaadheid en tot smart is.
Of heeft de Heiland niet gebeden, dat al de Zijnen als belijders der Waarheid eensgezind mochten zijn? Smeekt de Apostel niet: laat de wereld toch mogen bekennen dat gij uit God zijt, daar er liefde is onder u allen?
't Moet dan ook veranderen.
En ieder zal zich eerbiedig moeten leeren buigen voor Gods Woord alleen, om, afziende van menschen of van 't geen eens menschen is, als broeders en zusters van hetzelfde huis saam te wonen. Daar waar liefde is, is dankbaarheid en vreugd. Daar is ijver en trouw. Daar is gebed en werk. Daar gebiedt de Heere Zijn zegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's