De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Lieve heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ? en zij zeiden : Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Hand. 16:30 en 31.

Gij kent allen zeker wel de geschiedenis, waaraan deze woorden zijn ontleend. Ze verplaatsen ons in Philippi, werwaarts Paulus en Silas, gehoorzaam aan des Heeren roepstem, heengereisd waren om er het evangelie der genade Gods in Christus te prediken, aan een volk, dat wandelde in dichte duisternis der zonde. En die prediking der apostelen was niet ijdel geweest. De Heere wrocht mede het bêtoonend te zijn die God, welke de doodschaduw verandert in de morgenscheraering, immers daar werden zondaars toegebracht tot de gemeente, die zalig word.

Het ging in den beginne zeer voorspoedig, doch de teleurstellingen bleven niet uit. De Satan spande al zijn kracht in, om het, opgaande licht weer te dooven.

En werkelijk, het scheen hem te gelukken den verderen voortgang van het evangelie te stuiten. Zoover kwam het zelfs, dat de boodschappers des heils in een vunzigen kerker werden gesloten, waar ze met hun voeten gekneld lagen in den folterstok. Het was voor hen wel om mismoedig te worden en toch vindt ge daarvan geen spoor. Integendeel ze bidden, ja — o hoe onbegrijpelijk voor den wereldling — ze zingen daar zelfs psalmen in den nacht.

Wat vermag Gods genade toch veel! Ze doet zelfs jubelen in de verdrukking, ja te midden van ramp en doodsgevaar doet zij zeggen: „Verheug u niet over mij, mijn vijandin, wanneer ik gevallen ben, zal ik wederom opstaan, wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij tot een licht wezen." Wanneer wij weten door het geloof het eigendom van Jezus te zijn, dan mogen wij ook vertrouwen, dat wij voor Zijn rekening staan in nood en dood, in leven en in sterven. En in de felste pijnen, in de grootste smarten blijven onze harten dan in den Heere gerust, omdat we het dan ook verstaan, dat Hij machtig is te wenden ons lot.

De Heere staat steeds over den ellendige op. Dat maakte Hij ook hier waar. Hij heeft een arm met macht. Zijn hand doet groot vermogen. Over alles gebiedt Hij. Slechts één woord heeft Hij te spreken. En als God spreekt, dan is het met macht. Beletselen bestaan voor Hem niet. De koperen deuren en de ijzeren grendels houwt Hij in stukken. Zie maar naar wat hier geschiedt. God verwekt een aardbeving, zóo sterk, dat de fundamenten des kerkers bewogen, de deuren geopend en de boeien van allen los werden.

De stokbewaarder, opgeschrikt door het geraas, snelt naar de gevangenis, hij ziet al de deuren geopend, hij denkt niet anders of allen, die hij moest bewaken, zijn ontvlucht en ... hij grijpt naar zijn zwaard om zichzelf het leven te benemen. Dit was stellig gebeurd zoo God het niet had verhoed. God, dié dezen uitverkorene, reeds liggend op den rand van den eeuwigen afgrond, als een brandhout greep uit het vuur. Want diezelfde man, die daar straks nog de dienstknechten des Heeren gegeeseld had, hij ligt binnen enkele oogenblikken nu voor hun voeten terneer met de vraag op de lippen en in het hart: „Lieve heeren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? "

Wat een plotselinge ommekeer! Zooeven zich nog niet bekommerend om de eeuwige dingen en nu ... geen rust meer vindend in wat hij vroeger als het hoogste had geschat.

Dat was de vrucht van Gods Geesteswerking, die hem getoond had, dat zijn leven verzondigd lag voor God. Alles, alles klaagde hem aan. Klaar en duidelijk zag hij zijn verloren toestand. Zooals hij zich nu bezag, had hij zich nog nooit bezien. Het was voor hem niet anders nu, dan schrik van rondom, want beladen met zijn zonden, werd hij geplaatst voor Gods heilig recht. O als mmet hem in 't gerichte trad, hoe zou hij bestaan?

Want zijn zonde, hij zag ze zóo groot en zóo zwaar, zóo straf-en vloekwaardig, dat hij God zou hebben gebillijkt als Hij hem voor eeuwig verstiet. Niet anders had hij verdiend, dat gevoelde hij diep, hij was het waard, dubbel waard, verworpen te worden van voor de heerlijkheid, Gods en Zijn sterkte. Aan zijn zijde ontviel alle hoop op behoud. Zoo is het immers nog, als wij onze zonde als zonde tegenover God leeren zien. Dan stapelen onze ongerechtigheden zich op tot hemelhooge bergen, daar blijft geen uitweg meer over, van alle kanten is het dan schuld op schuld. En waarop wij meenden te kunnen steunen, dat wordt dan als een broze rietstaf erkend. Het een na het ander moet worden weggeworpen en slechts de roep om genade blijft over.

Dat is het eenige wat den verloren zondaar overschiet, te roepen om genade voor recht, te pleiten op de ontfermingen Gods, die in Christus Jezus oneindig groot zijn. Ware ontdekking drijft dan ook naar Jezus uit. Daar kan echter geen plaats voor Jezus zijn, zoo er eerst geen plaats voor Hem is gemaakt.

Wanneer een mensch niet in waarheid zichzelf als zondaar voor God leert kennen, hoe zou er dan bij hem behoefte zijn aan den Zaligmaker? Dat kan immers niet. Wat zal een zichzelfgenoegzame, eigengerechtige mensch met Jezus doen? Zulk een heeft Hem immers niet noodig. Rijk en verrijkt heeft hij geens dings gebrek. Daar kan eenvoudig geen begeerte naar Jezus gevonden worden bij iemand, die nooit in zijn armoede voor God kwam. Zullen we den Heere Jezus in al Zijn onmisbaarheid en dierbaarheid kennen, dan zullen we eerst gansch en al ontledigd moeten zijn van al het onze. Eerst moet onze leeftocht op tot het laatste kruimpke toe, voordat we zullen hongeren naar de volkomen gerechtigheid, die in Christus Jezus voor een verlorene is. En hoe dieper wij neerzinken in schuld en schaamte onder onze zonde, des te meer zullen we zoeken naar Hem, die met Zijn ééne offerande alles heeft verkregen, wat tot zaliging noodig is.

Al de werkzaamheid Gods met de Zijnen is dan ook daarop gericht, dat zij zich ten laatste laten nederzinken op Jezus Christus, den eenigen onwankelbaren Rotssteen des heils. Daarom alleen voor dezulken, die daar hopeloos worstelen met hun zonde, die daar wegdruipen van treurigheid en klagen vanwege hun ongerechtigheden, is de Heere Christus en de volkomenheid van Zijn werk het eén en het al. Die zien naar Hem uit meer dan de wachters op den morgen. En als daar dan door zulke ellendigen wordt uitgeroepen met den stokbewaarder: „ Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? " dan komt tot hen uit het Woord Gods dat lieflijk antwoord: „Gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult. zalig worden."

Nu spreekt het echter wel vanzelf, dat de Heere de toepassing daarvan moet leggen in de zondaarsziel. We kunnen niets aannemen tenzij het ons van boven wordt geschonken. Alleen de Heere kan dan ook waarlijk troosten door Zijn Christus in Zijn volheid te openbaren aan het verslagen hart.

Dat is Gods werk bij uitnemeudheid. Wij kunnen zelf het licht niet te voorschijn brengen, maar de Heere doet steeds het licht in de duisternis opgaan. Hij leert de Zijnen zien op Jezus, die er Zijn lust in vindt de vuile kleederen van zijn Josua's te verwisselen met den mantel der Gerechtigheid.

En nu heeft de Heere alleen daarvoor den tijd en de gelegenheden in Zijn hand. Den een brengt Hij spoediger tot de volle ruimte dan den ander. Wij mogen Hem daarvoor geen perken stellen. Hij doet, wat Hem behaagt. Daar zijn van Gods kinderen die jaren,  ja soms heel hun leven in het donker, geslingerd tusschen hoop en vreeze, hun weg moeten gaan.

Staan we dan maar naar klare ontdekking. De-stokbewaarder kwam in korten tijd tot het waarachtige leven. Zoo vrij is God in Zijn werk. Laat dit u niet ontmoedigen, verontruste ziel, die wel de levensvraag van den stokbewaarder verstaat, maar voor uzelf nog geen zekerheid bezit in Christus geborgen te zijn. 'Voorzeker heeft God daar Zijn wijze bedoellingen mee. Misschien zijt ge ook wel nog niet arm genoeg, of ook — daar kunnen andere oorzaken zijn, die u de gewisheid des heils nog doen missen.

Hoe het ook wezen mag met u, wanneer ge het vanwege uw zonde maar niet buiten Jezus kunt uithouden, dan zult ge ook niet rusten, voordat ge Hem bezit oif liever dan zal die Man niet rusten, voordat Hij deze zaak heeft voleind.

Wie in waarheid uit zijn zielenood tot God om genade riep, die zal zekerlijk worden verhoord niet op zijn, maar op des Heeren tijd. Nooit heeft God een bidder laten staan. Houd dan aan met smeeken tot God en zoo Hij toeft, verbeid Hem, Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven. Nog altoos gaat het naar het woord van den psalmist:

Wie Hem aanroept in den nood

Vindt Zijn gunst oneindig groot.

Hebt gij dat wel ooit gedaan, mijn lezer? Is de heilbegeerige vraag van den stokbewaarder wel ooit uit uw hart geweld? Of vindt gij dat een vraag van weinig beteekenis ? Misschien wel. Maar ach, bedrieg uzelf toch niet! Deze vraag is geen tijdvraag, die evenals zooveel andere vragen straks weer voor andere plaats maken, maar het is een eeuwigheidsvraag. Hoe staat het met u? Vraagt gij alleen naar de dingen dezer aarde, die voorbijgaan? Weet het toch, wat ook de wereld voor schoons, u kan bieden, straks zal het alles als een zeepbel uiteenspatten en u geen houvast geven, als gij komt te liggen voor de poorte des doods. Dat ge dan moogt opwaken uit uw valsche gerustheid en ge in waarheid moogt komen tot den Heere Jezus Christus, uit Wiens volheid genade voor genade geschonken wordt aan een ieder, die bekommerd staat vanwege zijn zonde.

Nu nog zijt ge in den vindenstijd, waarin u genade wordt geboden om niet, houd u dan niet doof voor de lok-en roepstemmen, die van Godswege tot u komen. Veracht den rijkdom van Gods ontferming niet en waar Jezus klopt ook aan de deur van uw hart, hoor Hem dan toch en uwe ziel zal leven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 oktober 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's