Uit het kerkelijk leven.
Kerk en Overheid.
De historie van onze Vaderlandsche d. i. van onze Gereformeerde Kerk is er bewijs voor, dat de financieele band die de Kerk aan den Staat bond, dikwijls tot groot ongerief en groote schade voor het kerkelijk leven is geweest.
De Overheid was beheerder geworden van een kapitaal, dat uit kerkelijke goederen was saamgevloeid. Zij administreerde het kerkelijk goed en zorgde dan, dat de inkomsten voor kerkelijke doeleinden gebruikt werden.
Zij betaalde aan de predikantstractementen, zij vergoedde de synodale kosten enz. enz., niet zoo zeer uit de landsmiddelen maar uit de inkomsten van kerkelijke en geestelijke goederen.
Dus de Overheid had de pretentie de beheerende Voogd van de Kerk te zijn.
En zij betaalde aan haar minderjarig pleegkind de onkosten uit de spaarpot van dat kind zelf.
Althans in hoofdzaak.
Gij vindt dat misschien, wat vreemd, dat de Overheid alzoo deed. Maar, denkt gij verder - behalve dus die minderwaardige positie, dat de Kerk zelf haar goed niet mocht beheeren ! - verder zal de Kerk dan van de Overheid wel geen last gehad hebben.
De Overheid zal de Kerk verder dan wel vrij gelaten hebben, in de vrijheid waartoe zij 'geroepen is door haar Heer en Koning Jezus Christus?
Het kerkelijk goed beheerende, zal de Overheid zich verder wel niet gemengd hebben in kerkelijke zaken; Staat en Kerk blijvend ieder op eigen terrein; souverein in eigen kring ?
Ja .... was dat eens waar geweest! Maar.... Ieder kenner van onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis weet wat de „zilveren Koorde" al ellende en verdriet na zich gesleept heeft 1 In die financieele verhouding, in die uitbetaling van tractement en vergoeding in de kosten van synodale vergaderingen, maaltijden enz. enz. school het groote middel, waardoor de Overheid in menig ding over de Kerk den baas speelde. En de Overheid die zoo belust was op macht in kerkelijke zaken, heeft heel goed ingezien, dat juist in dat beheeren van de kerkelijke goederenen het betalen van tractementen enz. de Kerk telkens gedwongen kon worden, om naar den wensch van de Overheid te luisteren en naar den wil van de Overheid te handelen.
Hoe onrechtvaardig toch.
Want wat de Overheid gaf, was niet een vrijwillige bijdrage uit de landsmiddelen, maar het was een rechtvaardige uitbetaling uit de inkomsten van het bezit der Kerk zelve.
En dan die aanmatiging!
Niemand kan de moeilijkheden, welke de Kerk van den kant der Overheid heeft moeten ervaren, opnoemen of beschrijven.
Niemand kan optellen al de plagerijen, tot welke die verhouding van. Kerk en Overheid geleid heeft.
Niet één Kerk was zóó gebonden als onze Vaderlandsche, Gereformeerde Kerk.
B. V. vóór dat de Overheid „handopening" verleende (d. i. toezegging van uitbetaling van het rijkstractement aan een te beroepen predikant) wilde zij eerst gaarne weten, welke predikant er beroepen zou worden; welk persoon hij was, kalm van aard of twistgierig; van welke richting. Gereformeerd gezind of wat vrijer in de leer; enz. enz. En als het dè Hooge Overheid niet aanstond, weigerde men eenvoudig de uitbetaling van rijkstractement.
Was er een kerkeraad die een predikant berispte en vermaande, ten slotte tot schorsing of afzetten overgaande, wee ! indien zulk een predikant de gunsteling van de Overheid was. Zij bleef heel kalm aan den uit zijn ambt gezetten leeraar het rijkstractement betalen en van een plaatsvervanger was geen sprake!
En omgekeerd, wanneer de Overheid een predikant lastig of onaangenaam vond, dan verklaarde ze eenvoudig, dat ze dien predikant als afgezet beschouwde en hem daarom geen tractement meer uitkeerde.
De Kerk stond tegen dit alles machteloos. Zij kon klagen maar de Overheid die betaalde meende de opperste machthebber te mogen spelen.
Wat ook uitkwam bij het houden van de kerkelijke samenkomsten.
De Overheid betaalde (uit de inkomsten van de kerkelijke goederen n.l. al de kosten van synodale saamkomsten, reis-en verblijfkosten der afgevaardigden, maaltijden tijdens de Synode gegeven, vergoeding van deputaatschappen enz. Een som, die niet gering was!
Maar daaruit volgde dan weer, dat de Overheid, die van haar roeping ten opzichte van de Kerk en van het recht der Kerk zelve weinig begreep, ook in alles eerst gekend wilde worden.
De Waalsche Synode, wier kosten door de overheid niet betaald werd, mocht zoo dikwijls vergaderen als ze wilde.
Die was vrij. Daar handelde de Kerk zelve naar eigen oordeel.
Maar de Synoden der Gereformeerde Kerk in Nederland waren niet vrij. Daar sprak de Overheid een woordje mee. En geen klein beetje ook. Zóó ver ging zelfs hare heerschappij, dat na 1619 geen enkele-Generale Synode meer gehouden is, daar de Overheid weigerde verlof te geven en weigerde de kosten te betalen, 't Bracht de rust van het land in gevaar, zei ze.
En ook ging het zoo met de provinciale Synode. B. v. in Zeeland kon na 1619 zoo goedj als geen enkele provinciale kerkelijke samenkomst meer gehouden worden.
Ach, ach, wat droeve herinneringen ! We denken nog aan die politieke commissarissen op de kerkelijke vergaderingen !!
Wat was onze Gereformeerde Kerk weinig vrij, zooals de Kerk van Christus vrij behoort te zijn op eigen terrein. Vrij om zich in te richten naar den Woorde Gods. Om te leven onder een eigen Kerke-orde. Om uit te komen overeenkomstig haar eigen belijdenis.
Niets begreep de Overheid van haar roeping aangaande de Kerk van Christus hier te lande.
Zij vergat, dat de Kerk recht had op haar eigen geld en goed.
Zij vergat, dat zij voor God de roeping had om hier dé Kerk van Christus te beschtjrmen en te steunen.
Zij vergat, dat de Kerk vrij moet zijn en Vrij moet blijven op eigen terrein, niet anders kennende dan haar Koning Jezus Christus en niet anders wetende dan de geboden des Heeren.
Gelukkig, dat hoe langer hoe meer de wensch openbaar wordt: een Overheid, die haar roeping verstaat ten opzichte van de Kerk van Christus hier te lande; en een Gereformeerde Kerk, die vrij is om zich zelf in te richten naar den Woorde Gods én tè leven onder een eigen Kerke-orde.
Gereformeerd.
Wij noemen ons gereformeerd. En b.v. niet confessioneel of orthodox of wat ook.
Gereformeerd is de van ouds bekende naam. En 't is de beste benaming die door ons gekozen kon worden.
Want in den naam gereformeerd ligt opgesloten, dat we ons aansluiten aan de geschiedenis, die de Heere met onze Kerk gehouden heeft in de 16e eeuw.
Toen heeft God haar gereformeerd (een nieuwen vorm gegeven).
In de Reformatie is zij overeenkomstig de H. Schrift van Roomsche dwalingen gezuiverd.
Toen is zij onder de tucht van Gods Woord doorgegaan.
En aan die heerlijke gebeurtenis willen we de herinnering bewaren.
In den naam gereformeerd dan uitsprekende dat wij van dit beginsel uitgaan: dat in de kerk steeds alles, leer en leven, naar de Schriftuurlijke beginselen moet worden ingericht en telkens naar uitwijzen van de H. Schrift moet worden getoetst en herzien.
Omdat wij Gods Woord boven alles willen eeren noemen we ons gereformeerd en b.v. niet confessioneel, daar wij niet van de confessie, maar van Gods Woord wenschen uit te gaan.
De confessie dan eerende als de belijdenis 'onzer Kerk, die met de Schrift overeenstemt.
Zoo kan ons ook nooit verweten worden een „partij" te zijn, daar wij héél de kerk, in leer en leven, opeischen, om den Woorde Gods onderworpen te zijn.
Gelijk wij belijden, dat 'gansch onze omgeving in persoon, gezin, school enz. voortdurend aan de Schriftuurlijke beginselen moét worden getoetst en naar het Getuigenis Gods moet worden ingericht.
„De zilveren koorde.’
De kerkelijke en geestelijke goederen, die een aanzienlijke post van jaarlijksche inkomsten geven, zijn onder beheer van de Overheid gekomen.
De Overheid zou ze voor de Kerk bewaren, verzorgen, administreeren en de inkomsten uitbetalen aan de Kerk, b.v. door rijkstractementen te verzekeren aan de gemeenten, door de onkosten aan het kerkelijk bestuur verbonden te dragen, door uitbetalen van kinderen academiegelden .enz. enz.
Waarom de Overheid nu juist de verzorging en de administratie m jet hebben, is voor een gereformeerd mensch nog altijd een raadsel. En hij kan het onmogelijk goedkeuren.
't Is toch feitelijk een beleediging voor de Kerk. Die wordt toch eigenlijk niet bekwaam geoordeeld om voor eigen bezittingen te zorgen. De Staat zegt toch eigenlijk: gij Kerk' zijt als een minderjarig kind, of als iemand, die onder curateele behoort te staan.
De Overheid doet wat de Kerk zelf moest doen.
En als de Kerk zelf het mocht doen, dan behoorde de Overheid daarenboven te-doen, wat zij van Godswege verplicht is, n.l. de Kerk dos Heeren in dit land te beschermen, te steunen en te helpen.
Wij zijn er vóór, dat de Kerk vrijheid ontvangt om haar eigen bezit te beheeren, haar eigen zaken te regelen en zich in te richten naar den eisch des Heeren, voor de Kerk in Gods Woord geopenbaard en in de geref. belijdenistjchriften nader uiteengezet.
De aanmatiging van de Overheid van rechten, die haar niet toekomen, moet een einde nemen.
En der Kerke recht doende, moet zij zich meer bewust worden van hetgeen zij dan naar Goddelijke ordinantie moet doen om zelve de Kerk van Christus hier te lande te beschermen, te steunen en te helpen.
Want door te doen wat zij niet mag doen, vergat zij maar al te veel wat üy behoorde te doen.
Gelijk in Gods Woord en onze gereformeerde belijdenisschriften van haar geëischt wordt volgens goddelijke ordinantie.
Wij zijn in beginsel voor deze zaak: dat de Kerk haar eigen goed terug krijgt, haar eigen goed administreert; haar eigen goed beheert en over de inkomsten van haar eigen goed de beschikking krijgt.
Dan wordt de Kerk vry in sake de predikantstractementen, de kerkelijke samenkomsten, kinder-en academiegelden enz, enz.
Dan kan de Kerk zorgen voor haar leeraars, voor haar kerken, voor haar armen, voor predikantsweduwen en weezen enz. enz. Gelijk betamelijk is voor de Kerk van Christus. Dan komt héél die taak voor de Kerk zelve. Dan is de Kerk verantwoordelijk. Dan is de Kerk vrij, om te doen naar het Woo'rd des Heeren, waaraan de Kerk in alles gebonden is.
Vrij onder de regeering van haar Koning, die haar Zijn heilige inzettingen gaf.
Vrij in haar eigen element, dat geestelijk is. Dan zal de belangstelling in de Kerk voor al deze goddelijke zaken toenemen.
Dan kunnen weer tienden betaald worden, gelijk voor den dienst des Heeren betamelijk en goed is.
Saam vereend in de wegen des Heeren wandelend, zullen ook de vrijwillige offeranden komen.
Dat is Gods ordinantie.
Die niet wil, dat de Kerk zelve in va.dsig niets-doen neerzit en voortstrompelt op een paar geleende krukken.
O! er liggen zulke heerlijke beloften voor degenen, die op den Heere mogen vertrouwen en mogen wandelen naar Zijne inzettingen. Om er maar één te noemen: 'oprechte, vol ontferming, mild in 't geven, bezit deez' aard als 't erf, dat God hem gaf." „'k Ben jong geweest en draag nu grijze haren. Maar ziag nog nooit rechtvaardigen door nood zóo zwaar gedrukt, alsof hen God liet varen, noch ook hun zaad, al bedelde 't om brood. Hun mildheid schijnt te groeien met hun jaren; de zegen vloeit hun nakroost in den schoot." (Ps. 119 : 11 en 13.)
Heerlijk, wanneer we dat in oprechtheid en in eenvoudigheid gelooven mogen.
Of de Overheid dan niets doen mag aan de Kerk des Heeren ?
Zeer zeker! Sterker nog, wij beweren dat de Overheid iets doen moet aan de Kerk van Christus.
Maar immers, dit stellen we allen voorop: de Kerk is er op aangelegd en de Kerk is er van den Heere toe geroepen om voor zich zelf te zorgen, zooveel mogelijk is, hebbende de rijkste beloften van Hem, die hemel en aarde in Zijn hand heeft en het goud en het zilver Zijn eigendom noemt.
De Kerk zelve moet zich haar roeping in deze bewust zijn.
De Kerk zelve moet levendig gevoelen, wat zij van den Heere als taak kreeg.
En als we zien, wat de mensch voor zijn gouden kalveren opbrengt en dat vergelijken met hetgeen de Kerk opbrengt voor den dienst des Heeren... ach, arme! 't Schreit ten hemel en is voor den Heere, die heilig is in Zijn richten, niet verborgen.
De gierigheid heeft haar in haar strikken gevangen. Én ze wordt mager.
Terwijl een zegenende ziel wordt vetgemaakt."
En dan de roeping van de Overheid.
lo. Om zich te onthouden van hetgeen waartoe zij van God geen recht ontving.
2o. Om te doen, wat de Heere van haar eischt in Zijn Woord, 't geen nader omschreven is in onze geref. belijdenisschriften.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's