Stichtelijke overdenking.
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden! Matth. 5 : 6.
Zalig die hongeren!
Honger is een scherp zwaard.
En dorst moet nog feller wonden.
Een enkele onzer misschien slechts, die 't kwellen van den honger en 't schrijnen van den dorst in 't natuurlijke leven bij ervaring leerde kennen.
Toch kunt ge u er mogelijk iets van indenken, lezer, hoe ontzettend het vooruitzicht reeds wezen moet in de stulpen der armen, als de laatste broodkruiinels spoedig-opgeteerd zullen zijn; als 't huisraad stuk voor stuk reeds van de hand gedaan werd; als straks de kinderen schreien om brood en moeder heeft niet om haar roepend kroost te verzadigen. Op de bleeke gezichten heeft de nood zijn stempel gedrukt. Daar wordt nameloos geleden onder den ijzeren druk van den honger. Ook de dorst kwelt ontzettend.
Zie den koortslijder, rusteloos woelend op zijn leger. De adem verschroeid; de lippen gespleten; de tong opgebarsten van de vuurvlam van den dorst; snakkend naar lafenis.
Geen woord is bij machte, om te vertolken hoe de dorst u kan doen lijden.
Toch spreekt de Heiland in dit woord uit Zijne Bergrede zalig, wien deze kwellingen niet vreemd zijn. Onder één beding: dat ge ze geestelijk verstaat.
Want Hij spreekt van honger en dorst naar gerechtigheid. Maar versta wel; dan schrijnen en striemen ze niet minder fel dan op stoffelijk terrein. Ja, geestelijke honger en dorst slaan de geweldige haken nog dieper in den gekwelden zondaarxlan zoo 't bij 't lichaam slechts blijft.
Zielesmart vlijmt scherper nog dan lichaamspijn. Naar gerechtigheid hongert en dorst een ontdekte ziele. Zij is 't brood, dat sterkt; de koele drank, die lafenis bereidt. Zij kan niet gemist, om voor God te bestaan.
En van die gerechtigheid, die voor God bestaat, bezit een ziel, die aan zichzelf werd ontdekt, geen kruimel, geen drup.
De eigene gerechtigheid werd dan weggeworpen. Zij bood geen voedsel: 't was steen voor brood. Zij kon den dorst niet stillen; 't droop weg als water uit een gebroken bak.
Al banger en banger begint de nood te nijpen. Voor de mokerslagen der verbolgen Wet moest alles bezwijken, wat weleer schuiling bood. Uit haar laatste verschansing werd de ziel opgeschrikt door het scherpe lemmet van het Recht Gods.
En aan den greep dier zieleangst kan de zondaar niet meer ontkomen; want door Gods eigen hand werd ze hem opgehouden.
Daar was een tijd, dat geesteshonger en zieledorst voor hem niet bestonden. Toen meende ook hij rijk en verrijkt te zijn en aan geen ding gebrek te hebben. Van honger en dorst naar gerechtigheid kon hij zich evenmin wat voorstellen, als gij weet hebt van nijpend gebrek aan uw welvoorzienen disch; zoo min als gij, van weelde omgeven, schrikt voor 't grijnzend gelaat van den honger, rondwarend in de hut des verarmden, zoo min kende die zondaar eens zielsgebrek.
Maar toen doemde 't grijnzend gelaat van den verklager der ziele voor zijn geestesoog op.
Toen moest 't door donkerheid van noodweer en zielsontblooting heen.
Toen werd 't waarheid voor hem: vervloekt is al degene, die niet blijft in al den eisch van 't boek der wet; waarheid, dat God den schuldige niet onschuldig houdt.
Dan raakt zijne ziel het omkomen nabij.
Dan welt de noodkreet op: Heere, help mij, want ik verga.
Dan woelt zich uit geprangden boezem de zuchting los desgenen, die gansch ontbloot is.
De Getrouwe Getuige spreekt waarheid tot Zijn volk, als Hij ze van zonde overtuigt. De Heere pleistert met geen looze kalk. Hij geneest de breuke Zijns volks niet op 't lichtst. Hij brengt ze tot bezinning; Hij doet ze de wonde peilen en blikken in den gapenden afgrond hunner ongerechtigheden, en als er dan voor een wijle alles op wijst, dat ze in dien afgrond omkomen zullen, dan kan de geeselkoorde van den zondenood fel neerstriemen op den ontdekten zondaar.
Dan hongert en dorst de ziele naar gerechtigheid; want die gerechtigheid is 't fijne lijnwaad, waarmee de ziele moet bekleed zijn om voor God te kunnen bestaan; 't bruiloftskleed, waarin ze alleen kan worden toegelaten tot den heinelschen Disch. Zij is 't voedsel, waarmee de ziel moet gespijsd ten eeuwigen leven. Zij is de vrede, verzoening en gemeenschap met God. Zij is de sfeer, waarin des Vaders oog met liefelijk welgevallen op Zijn menschenkind rust.
En dat alles wordt zoo jammerlijk gemist, als 't oog dés geestes ontsloten wordt voor den ontzettenden zondegruwel, die in ons woont, en ons stelt tot een voorwerp van toorn en gramschap voor den heiligen God.
De wetenschap, dat God toornt over onze zonde en Zijn aangezicht moet afwenden van ons, die Zijne wetten schonden, drijft tot den zieleschreeuw : hoe word ik rechtvaardig voor God! Dan wordt die gerechtigheid, die voor God geldt, onmisbaar. Dan is er 't hongeren en dorsten der ziele. Wat op den eigen akker wast, biedt geen spijze tot verzadiging in den nood. En door alle schijn-vervulling breekt toch ten leste weer ware zielehonger door. Die houdt niet op te schrijnen en te kwellen, voordat in Christus Jezus volkomene vervulling werd gevonden.
En merk nu op, lezer, die zulk hongeren en dorsten kent, wordt zalig gesproken.
't Klinkt wonderspreukig.
Hier past 't, de schoenen te ontbinden, want deze plaats is heilig land. Hier treden wij in de binnenkameren der goddelijke wonderheden. Hier gaat 't alles tegen onzen schijn en eigendunk in. Hier wordt 't voor den natuurlijken mensch onverstaanbare taal, onverklaarbare klanken. Hiertegen botst onze wijsheid aan. Dat honger en dorst u zalig zou doen zijn. Dat willen wij beter weten. En daarom grijpt de hand in dien weg nog telkens weer naar allerlei spijze, die geene verzadiging biedt!
Alle eigen-bereide spijze moet worden losgelaten, en als er dan niets overblijft dan honger, dan een om vervulling schreeuwend ledig, dan zegt de Heere: Zalig, gij krijtende ziele!
Maar speelt de Heere dan met een ellendige? Maar lezer, dring toch zulk gruwelijk vragen terug!
Neen, als Hij zoo spreekt, dan spant zich Zijne liefde, en dan wordt kostelijk in Zijne oogen de dood Zijner gunstgenooten; dan drijft Hij door geboortewee het nieuwe leven uit.
Hoe dit te verstaan zij?
Luister. Waar zielehonger is werkt God, en draagt als zoodanig de profetie der verzadiging in zich. De H«ere wekt in Zijn kind den honger, niet als einddoel, maar als middel, opdat de zondaar in dien weg zal worden afgebracht van zichzelf èn van al 't schepsel, om enkel op den Heere geworpen te worden.
Eigenlijk spreekt de Heiland een ziel ook om dien honger niet zalig, maar om de verzadiging, die dezen honger vastelijk volgt. Die honger is om zichzelf niet zulk een begeerlijk goed, maar omdat hij zekerlijk verzadiging vindt, daarom is zalig, wie 't schrijnen van dien honger kent.
Die honger is onfeilbaar levensteeken. Waar die gemist wordt, daar is de verdooving en verdwazing zoo bang.
Daar wordt niet gekend 't schrikkelijk gevaar eener ziele, die zonder God en vreemd van Christus bleef, en niet leerde kennen dien Eenigen Naam tot zaligheid, en niet leerde schuilen bij dien eenigen Herder. Die kan zeggen: niemand rukt Mijne schapen uit Mijne hand.
Niet omdat die honger zalig is, maar omdat hij de bedding uitgraaft, waardoor zich straks op Gods tijd 't water des levens zal jiitgieten over de ziele, daarom moet zalig geprezen, wie dat hongeren kent. Zoo worden de schatkameren des harten ontledigd van al onze nietswaardigheden, opdat er straks de schatten .en weldaden.van Christus Jezus in zullen worden opgetast.,
Zalig, die zoo hongeren, want zij zullen verzadigd worden.
Dus niet om wat 't is, maar om wat 't wezen zal.
Die honger dringt henen naar 't Lam; doet schuiling zoeken bij Hem, Die 't Brood is, dat uit den hemel is nedergedaald; drijft de zielen onder de vleugelen van Hem, Die gereed staat om in allen nood vervulling te bereiden.
Kent gij dat hongeren naar gerechtigheid, mijn lezer? Wordt ook bij u dat nimmerfalende levensteeken gespeurd?
Ja, zegt ge, maar van die zaligheid ervaart ge nog zoo weinig. Gelukkig, want bij honger kan 't niet blijven; honger kan in levenden in sterven nooit 't eenig rustpunt uwer ziele zijn. Bij dien honger moogt ge ook niet stilhouden, kunt ge, zult ge ook niet stilhouden; want honger laat geen rust, maar bevat den prikkel, die zoo lang drijft, tot ge 't Brood des Levens hebt gevonden. Dat die prikkel nooit afstompe. Dan zoudt ge in de vlakte omkomen, als eens de vrouw van Lot.
Hoe vreemd 't daarom ook klinke, maar hier moet \ge vaak met honger gevoed; hier moet ge vaak door dorst gekweld, opdat ge eenmaal daar zult' moge zijn, waar gij niet meer hongeren, niet meer dorsten zult; waar 't Lam u zal weiden en u een Leidsnan zal zijn tot levende fonteinen der wateren.
O, laat 't dan zijn, dat uw hongeren en dorsten, hier vaak zijn tot persing uwer ziel, straks, aan de boorden van de Levensstroomen in 't Paradijs Gods, valt u de vrucht van dezen boom der smarte als eeuwige heerlijkheid in den schoot.
Maar zoo ge nog dat hongeren niet kent, en van zulk dorsten geen weet hebt, o laat u dit tot ernstig vermaan zijn. Dit - gemis verraadt nog de hoovaardigheid uws gemoeds; dit gemis doet u nog kennen als een die meent geens dings gebrek'te hebben.
En God wederstaat den hoovaardige. Laat uw oog hiervoor geopend worden, dat gij jammerlijk en ellendig zijt, opdat ge voor uw God verootmoedigd wierdt en 't ervaren moogt, dat Hij den nederige genade geeft.
Hij heeft, na lang geduld,
Met goederen vervuld Der hongerigen monden.
Hij zag geen rijken aan; Maar heeft ze in hunnen waan Gansch ledig weggezonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 oktober 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's