Voor Jong en Oud.
Jan de Bakker verbrand.
(Slot.)
De menigte ging uiteen. Maar velen, die gekomen waren of uit bloote nieuwsgierigheid of om te spotten, keerden, zwijgend huiswaarts. Het sterven van dezen ketter had diepen indruk op hen gemaakt.
Was het wel een slechte man geweest ? Was zijn belijdenis wel uit den duivel ? Zou hij dan wel zóó heerlijk hebben kunnen sterven?
Deze brandstapel zou door meerdere terechtstellingen van ketters gevolgd worden.
Een menigte van Christusbelijders zoude worden gedood door vuur en zwaard, of wel gesmoord in water. Maar de Heere, die in Nederland het licht der waarheid op den kandelaar geplaatst had, wilde niet, dat de woede der vijanden het zou verdooven.
Met elke nieuwe vervolging breidde zich het getal uit der ware belijders van zijn Naam en werd het schoone gezegde bevestigd: het bloed der martelaren is het zaad der Kerk.
De eerste Hage-Preek.
Het moet een aangrijpend gezicht zijn geweest, die schare van omtrent 5000 mannen en vrouwen uit onderscheidene standen der maatschappij van heind en ver saamgestroomd, om Gods Woord te hooren en gesticht te worden. De welgeboren vrouw, in gestikte zijden kleederen met kanten kraag, naast de nederige dienstmaagd met het laag uitgesneden jak en de eenvoudige, gladde muts; de edelman, in fluweel met goudomboord, nevens den armen daglooner, wiens ruwe vereelte hand alleen geschikt scheen, om ploeg of spade te hanteeren! Welk een verschil — en toch, welk eene overeenkomst! Zondaren is de naam, dien Gods Woord den rijken en den armen gelijkelijk toekent. Voor Hem, die door de kleederen in het hart des menschen ziet, bestaat geen onderscheid, geen aanneming des persoons. Te zamen afgeweken, te zamen onnut geworden, hebben armen en rijken dezelfde verlossing noodig. Eén Heere is het, in Wien alléén zij kunnen behouden worden; één Bloed, dat alléén van zonde reinigen kan; één Geest, door Wien allen moeten geleid worden.
Te Overveen, op het grondgebied van den heer van Brederode, niet ver van het kasteel, dat dien naam draagt, had men zich verzameld. De zachte glooiingen der duinen kwamen den redenaar uitmuntend te pas, om de menigte te overzien. Twee lansen in den grond gestoken, en een dwarshout daaraan vast gebonden, om steun in den rug te geven, ziedaar den predikstoel. In de onmiddelijke nabijheid des leeraars zaten de vrouwen en jonge dochters; achter deze zaten of stonden de mannen in wijde kringen; terwijl nog verder, aan de uiterste rijen der menigte, eenige lieden heen en weder liepen, om, den komenden godsdienstige boeken en geschriften aan te bieden.
Soms hadden de mannen zich van wapenen voorzien, om bij mogelijken overval geweld met geweld te keeren. Dit schijnt bij deze bijeenkomst echter te zijn nagelaten; althans een oog-en oorgetuige rept in zijne gedenkschriften daarvan geen woord.
Toen de gansche vergadering had plaats genomen, vertoonde zich de leeraar. Hij plaatste zich-op den geïmproviseerden predikstoel en las een psalm af, om gezongen te worden.
Krachtig klonk dat gewijde lied uit de duizenden monden en golfde over de duinheuvelen. Na het gezang deed de prediker een kort en krachtig gebed, waarna hij zijnen tekst opgaf; Efeze 2:8, 9, 10 „want uyt genade zijt gy saligh geworden door hei geloove: ende dat niet uyt u, het is Gods gave. Niet uyt de wercken, opdat niemant en roeme. Want wij zijn syn macksel, geschapen in Christo Jesu tot goede wercken, welcke Godt voorbereyt heeft, opdat wij in deselve souden wandelen".
Daar stond nu de kleine, tengere man, de eerwaarde Peter Gabriel, sterk en gesterkt in zijnen God. Door den Heere met een voortreffelijk stemgeluid begaafd, kon men hem met eenige inspanning tot in de uiterste rijen verstaan. En de aandacht was groot, zéér groot, gelijk op de gezichten van groot en klein duidelijk te lezen stond. De gansche vergadering hing als aan de lippen van den spreker, terwijl hij met al den ernst zijner ziel sprak van de genade Gods en het geloof in Jezus, die op aarde was nedergedaald, om den geringste en meest afgedwaalde onder de menschen te redden, zoekende Zijn Kerke te vergaderen uit een krom en verdraaid geslacht, ten koste van Zijn dierbaar bloed. Beurtelings met geestdrift vervuld of tot tranen toe bewogen, hadden zijne hoorders geene oorén dan voor hem die sprak.
De uren vlogen voorbij: men dacht aan geen tijd. De zon brandde fel, maar niemand scheen er hinder van te hebben.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's