Uit de Brievenbus.
SARDIS, 15 November 1911.
Waarde Vriend.
Gij hebt het ingezonden stuk in het laatste nummer van „de Waarheidsvriend" gelezen, schrijft gij. En gij zegt er het uwe van, mij vragende wat ik er van denk. Welnu, amice met verlof van den hoofdredacteur, wil ik daar gaarne het mijne van zeggen. Gij wilt dan misschien dezen brief ook wel even laten lezen aan den inzender te Weesp, dan weet die meteen ook hoe ik er over denk.
Die domine daar in de buurt van Weesp zei, dat de mannen van den Geref. Bond de Kerk in rep en roer brengen. En dat keurt hij af. Ik vind, dan moet domine aan den gemeenteraad zijner woonplaats maar een ververzoek (op zegel!) richten, dat toch nooit de brandklok geluid zal worden, want dat dit zoo gevaarlijk is voor zenuwachtige menschen en zoo hinderlijk voor degenen die rusten willen.
Laat de boel maar branden! Wat heb je aan dat klok-geklep.
En als er weer een gemeentegeneesheer benoemd moet worden daar in de buurt van Wéesp, dan moet die domine zorgen, dat er een man komt, die nooit een wonde onderzoekt en nooit een zweer uitknijpt, maar die alles maar toestopt met kleefpleister. Want een wonde schoonmaken en een zweer uitknijpen doet zoo zeer, weet u!
Ja, amice, men hoort vreemde dingen in deze dagen uit den mond van gereformeerde menschen. Ik zeg, van gereformeerde menschen. Maar ik verzeker u, dat ik geen dokter wil hebben die mijn zieke kind maar vriendelijk en lachend zou toedekken, met een suikertje in den mond, als het tijd is, dat de wond gepeild moet worden. En de Heere wil zulke dokters van vrede, vrede en geen gevaar ook niet hebben op de erve Zijner Kerk. Hebben de profeten er voor gevreesd om de waarheid te zeggen ? om de waarheid uit te roepen over de straten ? Wendden zij zich niet tot de koningen en tot het volk, tot de grijsaards en de jongelingen? (Jer. 6 : 16)
Wee, wee wanneer Elia, Eliza, Jezaja, Jeremia, Amos, Hosea zulke mannen geweest waren, dat zij niet aan de brandklok hadden durven trekken, uit vrees dat er iemand opgeschrikt zou worden uit den slaap. Alzoo sprak de Heere: laat alle inwoners des lands beroerd worden." (Joel 2:1.)
En is het geen tijd dat ook in onze dagen wordt uitgeroepen, aangezegd, gepredikt, alom verkondigd: wee, wee de gerusten in het midden van onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk — wee, wee degenen, die zichzelf verzekeren, dat het goed staat met de erve onzer Vaderen?
Er is oogenblikkelijk gevaar. Groot gevaar. Want .de leugen zit op den troon en men ziet het niet. De goddeloosheid voert heerschappij 'en men-treurt niet. De Godsverachting wint en men schreeuwt het niet uit op de straten. Het is zoo stil in het gansche land. (Zach. 1 : 11b. Wee, wee de Kerk, waar het mogelijk is, dat een socialist op den kansel, een sabbathschender voor 't voorlezersbankje, een kaartspeler in het gestoelte der ouderlingen, een dansschool in de kerkekamer gezien wordt.
Wee, wee de Kerk, waar de Godheid van Christus geloochend wordt. Waar een leer geleerd wordt, vierkant in strijd met de grondwaarheden onzer Geref. belijdenis. Waar stemrecht is, zonder uitoefening van de tucht. Waar bandeloosheid gevonden wordt overal.
0! dat er eens een werking des Geestes door onze gelederen mocht gaan, dat ons gebed opsteeg naar omhoog en het geluid onzer keel over de straten, omdat onze ziele verstaat dat er gevaar dreigt, dat de zonde roept tot God, dat de ongerechtigheid hoog is geworden als de bergen. Dat de Heere eens deed opschrikken en eens leerde om te getuigen. Dat het land eens beroerd mocht worden,
Amice, o! doe mee om uwe stem te verheffen, als gij er iets van voelt, hoe de nood dringt voor Kerk en volk. Doe mee Om te getuigen en tracht ook anderen te bewegen om mee te doen, want de Heere zal het stilzwijgen bezoeken, als er gesproken had moeten worden. (Cat. vr. 82). Hij zal bezoeken het stilzitten, als er gewerkt moet worden met troffel en zwaard. Hoe zullen zij hooren als er niet geroepen wordt ? Hoe zullen zij strijden als de bazuin niet wordt geblazen?
Welnu, Benjamin, zorg in de rijen der stammen Israels te zijn en laat Ruben dan maar zitten tusschen zijn stallingen, als hij toch niet te bewegen is om uit de warme stal uit te komen en als hij weigert om in te gaan in den strijd.
Zorg er voor dat Ruben, uw oudste broer, u niet verhindert, om te doen wat de Heere u beveelt in Zijn Woord.
Want wat de uitkomst zal zijn, weten we niet, daar zal de Heere voor zorgen. Maar wanneer wij onze ooren toestoppen, om de stemme des Heeren, die tot waarheid uitgaat, toch maar niet te hooren, dan zal het in den dag der dagen tegen ons getuigen. Lees Ezechiël 13 : 5 nog maar eens, voor u zelf en voor de ooren van anderen.
D. V. tot de volgende week.
Uw vriend,
FORTUNATUS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's