De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

I Cor. 13 : 1—3.

Al ware het...

De brief is bijna geëindigd; hij wordt zoo opgerold en Stephanas overgegeven, die bodedienst zal verrichten. Nog een enkel regeltje tusschen de groetenissen èn het woord van zegen in.... Wat zal 't zijn? De hoofdzaak van het schrijven saamgevat en aangedrongen. En Paulus schrijft: Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking. Maran-athal

't Is om te sidderen, zoo'n slotwoord, dat naklinkt, dat ge gedurig hoort, dat u eigenlijk nooit met vrede moest laten en telkens tot onderzoek moest leiden. Jezus komt en treedt zegenend Zijnen liefhebbers tegemoet, doch toont Zijnen rechtmatigen toorn over allen, die Hem haten en daarom wenschen, dat Hij er niet was en zich allerlei dwaasheden laten wijsmaken. Dit woord uit 't slot 'des briefs past bij den inhoud, vooral bij 't geen gezegd is in het 13e hoofdstuk.

Er was over de geestelijke gaven gesproken in hoofdst. 12, omdat het in de Corin­thische gemeente droevig gesteld was. Er waren er, die met bizondere gaven hoog wegliepen en de personen schatten naar de gaven welke ze bezaten en die voorbij zagen, dat de Heere ieder in Zijn Kerk stelt op zijn plaats, tot heerlijkheid van 't geheel der gemeente en tot opbouwing van het lichaam van Christus.

Nu wijst Paulus aan, hoe ze elkander noodig hebben en zoekt hen dan in Corinthe af te brengen van dat dispuut over gaven en daardoor het wegloopen met personen in eigen kring.

Gods gemeente heeft de eeuwen door al wat nadeel ondervonden van het onkruid door den Booze gezaaid en in het 12e hoofdstuk aangewezen!

Dit hoofdstuk is nog niet en zal nooit overbodig worden; doch denk ik aan partijschappen en kringetjes in ons kleine land, dan verstout ik me om te zeggen, dat het onder ons strikt noodzakelijk is dit deel van Gods getuigenis te overdenken; te meer, omdat de meest begaafde personen lang niet altijd de meest gezegenden zijn in hunnen dienst. Op zijn gaven steunen en daarvan misbruik maken, is dikwijls de verborgen zonde ge­weest, welke de Heere zag en bezocht. Dat door zelf-overschatting of door overschatting door vrienden in eigen kring, anderen werden gering geschat, ja veracht, zag men zoo niet en trok men zich niet aan. En nu blijft remedie, ook voor onzen tijd, om wel te ijveren — heilig-jaloersch te zijn — naar de beste gaven, en bizonder te letten op den weg, die nog uitnemender is dan die van schitterende gaven, n.l. de weg der liefde. De hemelweg is 'de weg der liefde Gods in Christus Jezus en de betooning, dat men door 't geloof Gods liefde heeft bekend, m de oefening dier liefde jegens de naasten. De noodzakelijkheid van haar bezit spreekt de apostel uit in de eerste drie verzen van 't 13e hoofdstuk. Daar zijn er geweest, die dit hoofdstuk roemden, zonder te verstaan, welke liefde was bedoeld en die niet gevoelden, dat juist hier de noodzakelijkheid des geloofs en der wedergeboorte uitkwam en geen hoofdstuk, bij ernstige overweging, de noodzakelijkheid van de gerechtigheid des geloofs meer predikte. Ze waren er die Paulus in Rom. 4 b.v. en in heel den brief aan de Galatiërs met dit „lied der liefde" het zwijgen wilden opleggen.

Daar zijn er, die met dit kapittel heel de leer der genade Gods in Christus op zij zetten en de liefde (niet dezel); de plaats willen doen innemen van 't geloof; -: Tegenover de noodzakelijkheid des oprechten geloofs legden ze den nadruk op het leven der liefde, inplaats van 't voorbeeld der discipelen van den Heiland te volgen, die, toen de Heere wees op een werk der liefde (vergeven), baden: Heere, vermeerder ons geloof! Deze liefde is vrucht des Geestes en haar werk in de plaats van het werk van Christus te willen stellen, berooft van den zegen en den vrede; bij zijne liefdeswerkzaamheid te leven inplaats van door 't geloof bij Gods. liefde, benadeelt hare werkingen.

De mensch, die in dit-hoofdstuk slechts leest van natuurlijke genegenheid, vrucht van algemeene goedheid Gods, en van hare betooning tegenover zijne medeschepselen, verstaat ook dit schoone lied niet.

Er is hier bedoeld, die liefde Gods uitgestort door den Heiligen Geest in 't harte van Gods uitverkorenen, waarvan de wortel is het geloof en de ware bekeering merkteeken.

In het 13de vers staat danook, dat deze drie blijven en van die drie wordt 't geloof 't eerst genoemd. Zonder geloof geen liefde, in de beteekenis van dit woord in deze verzen, zoodat dan ook daar waar deze liefde woont, het oprechte geloof is, dat alles van den Heere verwacht, voor Hem buigt en bedelt om Zijne gunst en die gunst bizonder, om in de bewustheid van Gods liefde te leven en door die liefde Gods gedrongen te worden in 't spoor, geteekend in ons hoofdstuk.

Zonder deze liefde, is zonder Christus, want Christus woont door het geloof in 't harte Zijns volks en dat geloof is „door de liefde werkende."

Daarom is het gemis van haar door niets te vergoeden en is er zonder haar geen vruchtbaar leven.

Al ware het, dat gij .... neen! dat ik, zegt de apostel, die door van zichzelven te spreken in wijsheid te meer vrucht zoekt van ernstig vermaan. Hij stelt zich op ééne lijn met zijne lezers en zóó dringt hij bij hen aan de ernst van zelfonderzoek.

Paulus stond hoog in achting bij anderen en had zeer vele gaven. En nu stelt hij zichzelven ten exempel en is het alsof wij hooren: ik heb vele gaven, spreek meer „talen" dan gij (ja, hij had vrijmoedigheid om te zeggen: „Weest mijne navolgers, gelijk ook ik van Christus"), en toch, indien ik de liefde niet had, zoo ware ik niets", en later: „zoo zou het mij geene nuttigheid geven."

Paulus had geene beteekenis gehad voor anderen' en geen voordeel voor zichzelven, indien Christus niet in hem leefde; Paulus niets zonder Christus en Christus heerschappij door „geloof en liefde"; Paulus niets zonder liefde.

Zijn spreken van „talen der menschen," of zelfs van Engelen, zoetvloeiend, aangrijpend schoon, wegsleepend zonder de liefde Gods (d. i. tot God en om Zijnentwil tot Zijn volk en de menschen in 't algemeen) was niets en gaf zijn taal geen warmte, geen gevoel; dan is zijn spreken „ijdel geklap." Wat weet het metaal er van, dat het klinkt en twee koperen bekkens tegen elkaar geslagen maken geen muziek! 't Is koud, eentonig, soms zoo dof. Een hoorder gevoelt het vaak, dat 't woord goed is, zelfs met talent uitgesproken, doch koud en dan laat het geen indruk na; ook een spreker weet er van, dat vorm en woordenkeus niets te wenschen overlaten, maar 't-is zoo harteloos, soms hard, en zekere bewegelijkheid (soms opgeschroefdheid !) kan het gemis aan warmte, aan liefde niet vergoeden.

Al ware het, dat ik. de' gave der profetie had (en zij is veel!) en wist al de verborgenheden en al de wetenschap (en zij is groot bij mij!); alles van Gods geheimen wist en de geheimen der rnenschen, ja zelfs van 't geen op de aarde is èn in de aarde en boven haar; en er niets voor mij te hoog of te diep was in den kring der natuurlijke en der geestelijke dingen; en als ik dan nog krachtige overtuigingen had van Gods Almacht en van Zijnen wille om door mij groote daden te doen, niet slechts koningen verslaan en duivelen uit te werpen, maar bergen voor mijn woord te doen wijken.... met dat alles was ik niets, dat alles gaf mij geen wezenlijke waardij; aan mijn persoon geen beteekenis voor den Heere, al zouden de menschen mij ook deswegens roemen. Want dat zouden ze doen! Dan zouden ze spreken van Paulus den „groote", den wijze, den machtige, tot op dezen tijd; nu, wie spreekt er, buiten de Kerk des Heeren, van hem; nu telt hij niet mee en de schouderen worden opgehaald over wat men noemt "paulinisch leerbegrip of dogmatiek" en deze „dwaas" wordt nog, als in Athene, door de wijzen uit hun midden doorgaans weggezonden.

Maar toch, niet de Paulus uit 1 Cor. 13? !Ons wederwoord is: gij zoudt hem wel wegzenden, als hij u zeggen kon: u moet mij recht laten wedervaren en ook dit hoofdstuk niet nemen buiten verband met al wat ik, door genade Gods, mocht kennen en op schrift stellen door den Heiligen Geest.

Er is meer door den apostel opgesomd. Al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud (n.l. der armen) uitdeelde stuk voor stuk; niet slechts vermaakte aan allerlei goed doel en Christelijke inrichting na mijn verscheiden, „als ik er zelf niet meer van kan profiteeren", doch bij mijn leven zelf uitdeelde, zoodat ik niets overhield (dat zou dwaas zijn, zegt een mijner lezers, maar hij bedenke wel, dat eigengerechtigheid altijd dwaze dingen doet), dan had ik toch mogelijk den schijn van iets goeds te doen en goed te zijn in veler oog, doch het zou mij geene nuttigheid geven. Al kwam er bij „dat ik mijn lichaam overgaf om verbrand te worden", voon mijne overtuiging of in zelfovergave aan de grootste smart zelfbehoud zocht, 't zou mij geen voordeel doen. Ook zelfovergave, zonder offerande te zijn „Gode tot eene welriekende reuk", is niets dan zelf misleiding.

De historie bewijst deze „stellingen".van den apostel. Voor 's Heeren eere, eigen zaligheid en 's naasten stichting geen vrucht. Alles ijdel, en met dat alles arm en bedrogen.

Wie wou met zijne liefde voorkomen en daarvan grond van hope stellen en daarin zijne gerechtigheid zoeken? Dat gaat toch niet, dat gaat nooit en nergens.

De liefde kleurt de werken zacht en lieflijk  en geeft er beteekenis aan voor den Heere; maar niet: „liefhebben" rechtvaardigt, doch bewijst alleen de rechtvaardigheid door 't geloof in Christus.

De gewonde wereld (en zij bloedt uit vele wonden) roept om liefde, om liefde Gods, als de balsem Gileads. Ook de samenleving in de Christelijke maatschappij, ook het leven in Gods Kerk, ja 't verkeer van mannen, die Gods Waarheid liefhebben en voorstaan, roept om liefde, welke hare wortels heeft in de hartelijke genegenheid tot den Heere en beoefend wordt om Zijnentwil.

Ik vrees met groote vreeze, dat de Heere Zijn aangezicht verbergt en Zijne hand terughoudt wegens de liefdeiooshëid van en onder Zijn eigen volk.

De oprechten van harte zien dit met smart; en  bij de  gedurige vrees en schaamte over zichzelven; bij de belijdenis, dat "al hun arbeid zoo weinig geschiedt uit de. troostrijke verzekering van Gods liefde in Christus van voor de grondlegging der wereld, moet toch ; • gezegd worden aan hen voor wie geen kruis zoo zwaar is, dan dat ze zich niet verzekeren mogen van de liefde Gods en de gerechtigheid van Christus, dat gebrek in de liefde beschreienswaardig is, maar geen bewijs van gemis dezer genade. Het treuren wegens gebrek is bij de oprechten, die God minnen, bewijs van bezit.

Dat er maar veel leeds zij over eigen liefdeloosheid; en is er volstrekt gemis aan 't beginsel der liefde, dat de Heere dat gemis nog doe gevoelen en leere vragen: och, dat ook ik van harte mocht zingen:

God heb ik Hef; want die getrouwe Heer'

Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp. Hij redt mij keer op keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's