Staat en Maatschappij.
Het vloeken in het leger.
Er wordt in den laatsten tijd weer ernstig geklaagd over het vloeken in het leger.
Nu moge het waar zijn, gelijk men vaak hoort, dat ook in de burgermaatschappij veel gevloekt wordt, en dat zij die in de werkplaats of op de fabriek werkzaam zijn, zich ook niet altijd aan hunne omgeving, hoe die hen ook tegenstaat, kunnen onttrekken, deze beschouwing op zich zelf reeds voor het oefenen van critiek niet onaantastbaar, kan intusschen niet als bewijs gelden, dat het legerbestuur zich niet aan de klachten over het vloeken heeft te storen.
Zulk een redeneering is te dwaas om er zelfs maar bij stil te staan.
Zoo ergens het optreden van de Overheid tegen het lasteren van Gods Naam en het vloeken oirbaar is, is het zeker in het leger en op de vloot.
En nu wil het ons voorkomen, naar de ervaring die wij op dit punt hebben, dat zij die klagen over het bezigen van ruwe taal in de kazerne en op het schip tot het uiten van die klachten alleszins grond hebben. Niet alleen dat er sprake van is, dat in de lagere rangen Gods Heilige Naam ijdellijk wordt gebruikt, maar ook in de hoogere rangen wordt gevloekt en de mindere uitgevloekt, zonder dat er van verweer van die zijde sprake kan zijn.
In dit verband heeft het ons verblijd dat Minister Colijn eene Ministeriëele aanschrijving tot de autoriteiten gericht heeft, waarbij hij aandringt dat o.m. tegen het vloeken krachtig zal worden opgetreden.
Woordelijk luidt 's Ministers missive:
»Van verschillende zijden klachten bekomen hebbend over het bezigen van ruwe taal en vloeken in het Leger;
Brengt zulks, bij deze, ter kennis van autoriteiten van de Landmacht, onder uitnoodiging, stegen die misbruiken met kracht op te treden en te doen optreden.
Wij zijn den Minister voor zijn aanschrijving dankbaar. Toch gelooven we niet, dat zulk een aanschrijving zonder meer, het resultaat zal hebben, wat men er van verwacht.
Immers verbieden nu reeds de reglementen het bezigen van ruwe taal en komen ze op tegen het vloeken.
Art. 2 van het Reglement van Krijgstucht, welk reglement van het begin der 18e eeuw dateert en dat nog steeds van kracht is, bepaalt:
Daar de Godsdienst de bron is van alle geluk, deugd, waren moed en troost, moet ook in den krijgsstand een ieder zich tot betrachting derzelve en tot eene zedige levenswijze bevlijtigen; de godlasteringen, het vloeken en zweren moeten worden nagelaten; en zullen de meerderen hierin en in al wat de handhaving der goede zeden kan bevorderen, hunne .minderen met een goed voorbeeld voorgaan, en alle buitensporigheden algemeen vermeden moeten worden.?
Ziedaar een verbod, waarbij het vloeken duidelijk en onomwonden wordt afgekeurd. En toch heeft art. 2 van het Reglement van Krijgstucht nimmer tot eenig resultaat geleid. De inhoud van het artikel bleef een doode letter. En dit vreezen we dat met de ministeriëele aanschrijving ook het geval zal worden.
Eene uitnoodiging gericht tot de autoriteiten om het „misbruik" van het vloeken tegen te gaan, is niet voldoende. Een bloot getuigenis tegen het misbruiken van Gods Naam geeft niets. Eerst dan wanneer het overtreden van hetgeen in artikel 2 van het Reglement van Krijgstucht is neergeschreven door strenge straffen, zoo noodig door het ontslag uit den dienst wordt gevolgd, zal er van een met nadruk tegengaan van het vloeken sprake kunnen zijn.
En daartoe zal het moeten komen, wil er aan het veelvuldig vloeken in het leger een einde worden gemaakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's