Uit de Brievenbus.
SARDIS, 23 November 1911.
Waarde Vriend.
En dan wat de tweede zaak betreft: „de menschen van den Geref. Bond zijn menschen, die zelf de reformatie ter hand nemen, zulks doende in eigen gerechtigheid en eigen kracht." Ach, mijn vriend, wat zal ik daarvan zeggen?
Boos worden? Neen, dat niet. Maar wat is het toch eigenlijk een eigengerechtigheid om zoo'n oordeel uit te spreken over anderen. Als men niet over den nood der Kerk spreekt en de bazuin niet aan den mond zet en het geluid der keel niet laat hooren op de straten, is men dus in Gods weg ? (Zach. 1:11).
Maar als men over de verbreking Jozefs treurt en spreekt (Amos 6 : 6b ), als men over de verachting van de oude paden mediteert, en handelt, als men de wonde peilt en de verrotting bloot legt, dan staat men in des menschen weg? (Joel 2:1)
Broeder, word niet boos op zulke lieden. Maar heb medelijden met zulke lieden en bid van den Heere, dat Zijne barmhartigheid toch geopenbaard mag worden, om nog treurenden in Sion te verwekken, bij wie geen stilzwijgen gevonden wordt.
Neen, de steen wordt niet in ééns uitgehold, maar het gestadig druppelen neemt telkens toch wat van den steen weg..
De wonde geneest niet in éen dag, maar bij een nauwkeurige en ernstige behandeling is er voortgang in de heeling te bemerken.
De boom valt niet bij den eersten slag, maar bij gestadig hakken, gaan de wortelen los.
En zoo mogen degenen, die een oog hebben ontvangen, om het gevaar van onze Hervormde Gereformeerde) Kerk te zien en een oor hebben gekregen, om te beluisteren het bedrijven der ongerechtigheden in het midden van onze Vaderlijke erve, hoop koesteren, dat het roepen van de treurenden Sions niet zonder vrucht zal blijven, juist omdat zij weten, dat de sterkte Godes is, die maar te spreken heeft en het is er, en te gebieden en het staat er.
Men preekt — en men geeft de uitkomst over aan den Heere.
Men catechiseert — en men belijdt, de wasdom is uit God.
Men doet huisbezoek — en men spreekt het uit, dat de vrucht van boven is.
Men zet zich neer aan de ziekbedden — en men legt het woord neer voor den troon des Allerhoogsten.
En men gaat dóór, men gaat dóór, wetende dat de Heere gezegd heeft: „Mijn woord zal niet ledig wederkeeren, maar doen wat Mij behaagt/'
Welnu, laten ook degenen, die iets voelen mogen van de schuld onzer Gereformeerde Kerk, van de breuke Sions, van de ongerechtigheden die bedreven worden in het midden van onze Vaderlijke erve, laten zij spreken en getuigen, laten zij troffel en zwaard hanteeren, laten zij zich opmaken en bouwen en laat meer en meer gehoord worden de bede van Mozes: „de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods, zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen, bevestig dat."
Het is u opgevallen, schrijft gij, dat die domine in de buurt van Weesp wel sprak over den weg der bekeering des zondaars, maar dan niets wilde weten van „de roeping van den christenmensch", zooals onze gereformeerde vaderen dat uitdrukten. Nu, zoo sterk is het misschien niet. Maar dat hij de dingen wel wat door elkaar haalde en daardoor de roeping van den christenmensch geheel vergat, dat geloof ik ook wel.
We halen de dingen zoo gemakkelijk door elkaar, wanneer wé ze niet nauwkeurig onderscheiden. Zoo had ik onlangs een gesprek met iemand, die zeide: de Heere heeft er toch maar lust in dat we stille zijn en op Hem wachten, maar ach, wij werken toch zoo graag".
Daar was ik het volkomen mee eens. Geen grooter genade, dan dat onze ziele tot stilheid gezet mag worden, om geheel weg te schuilen onder de vleugelen van Christus, ervarende, dat Hij de algenoegzame Borg is, óok voor óns. Dat is die geestelijke blijdschap, waarvan Paulus spreekt in Pilipp. 4:4.
D. V. schrijf ik u hierover de volgende week nog iets.
Wees Gode bevolen, mijn vriend, en de Heere geve u en mij maar getrouw makende genade.
Ook genade, dat wij Gode meer gehoorzaam mogen zijn, dan de verkeerde raadgevingen des menschen.
Ga door, ga recht door. De Heere regeert en weet groote wonderen te doen, kleine menschen tot beschaming. Zijne genade is genoeg voor allen die op Hem betrouwen en voor Zijn woord beven.
Uw vriend,
FORTUNATUS,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 november 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's