De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Brievenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Brievenbus.

4 minuten leestijd

Sardis, 30 November 1911.

Waarde Vriend.

Geen grooter genade, dan dat onze ziele tot stilheid gezet mag worden, om geheel van genade te leven en geheel weg te schuilen onder de vleugelen Christi, bij ervaring wetende, dat Hij de algenoegzame Borg is, ook voor óns.

Als we die oogenblikken mogen hebben, dan hebben we het goed! Dan reizen we onzen weg met blijdschap. Dan belijden we het gaarne, dat we geen zucht kunnen toebrengen tot onze verlossing. Dan mogen we ervaren, dat Christus' gerechtigheid een eeuwige gerechtigheid is, waaronder de ziele van Gods gunstgenoot veilig gedekt is, zelfs bij de beschuldiging van Satan. O! om dan eens geheel weg te zinken in Gods trouw en waarheid, dat is zoo heerlijk.

Maar... dan komt de Catechismus aanstonds roepen: wapen u, want de vijanden staan u op te wachten. Dan komt David zeggen: hebt gij u gesterkt in uwen God ? dan voorwaarts ten strijde, in den name des Heeren.

Dan is het met het stilzitten uit. Eh dan komt Smytegelt bij de verklaring van Zondag 62 zeggen: weet het wel, dat slapende soldaten worden dood geschoten I

O! laten we de dingen toch niet door elkaar halen.

Zeker, de Heere moet het alles doen. Aan Zijn zegen is alles gelegen. Lees Psalm 127 maar eens. '

Maar moeten er daarom geen wachten meer zijn op de muren? Geen soldaten meer aan de poort? Geen gewapende macht in't veld?

Gij weet immers beter! Lees Deut. 20:3 eens..Daar staat: Hoort, Israel! gijlieden zijt heden na, aan den strijd tegen uwe vijanden: uw hart worde niet week, vreest niet en beeft niet en verschrikt niet voor hun aangezicht." De Heere wil dappere strijders om Kanaan te veroveren en de vijanden uit te drijven.

Evenals de mannen van den Geref. Bond het Vaderlijk erfgoed door de vijanden zien ingenomen en daarbij uit des Heeren mond mogen hooren: „laat geen stilzwijgen bij u zijn."

O! met dat „stille zijn", wordt zoo wonderlijk rondgesprongen.

Weet men niet, dat er een „stille zijn" is, dat den Heere aangenaam is, en der ziele tot vreugd — terwijl er ook, een „stille zijn" is, waarover de Heere toornt en satan juicht? Leg Ex. 14:14 maar eens naast Zacharia 1:11b en gij ziet aanstonds wat wij bedoelen.

En ziet, nu wordt het „stille zijn" van Ex. 14:14 zoo dikwijls gebracht naar de plaats van Zach. 1:11b — maar de Heere wil dat stille zijn van Zach. 1:11b onder Zijn volk niet hebben! Hij bedroeft er zich over. Zijn Sion moet niet stil zijn. Het volk, dat voor Gods Woord heeft mogen leeren beven, moet niet sluimeren en slapen, maar als kloeke soldaten gewapend ten strijde trekken.

We moeten de hoog-heilige roeping van den Christen maar niet wegpraten door die helaas! zoo dikwijls misbruikte woorden „de Heere moet het doen."

Want waar blijft dan Deut. 20:3, 1 Cor. 16 : 13, 1 Cor. 15 : 58, Joh. 14 : 1, 1 Petr. 5 : 8, Ef. 5 : 15, Hebr. 13 : 15, 2 Kon. 6 : 16, Matth. 26:41, Ef. 6:14—18 enz. enz.?

Smytegelt zou. zeggen: pas maar op, want slapende soldaten worden doodgeschoten!

En de Heere zendt in Deut. 20:8 de ambtlieden uit om tot alle soldaten, die anderen van en strijd willen Afhouden, te zeggen: ga henen en keer weder naar uw huis, opdat het hart uwer broederen óok niet smelte, gelijk uw hart."

Mijn vriend, het is nu een tijd als waarvan in Deut, 20:3 sprake is, De vijanden hebben stout des Heeren erfland ingenomen. Maar de Heere waakt weer op over de plantinge van Zijn hand. Hij zet Zijn voetstappen weer op het gebied, dat het Zijne is en aan onze vaderen van ouds is tóebetrouwd.

En nu brult Hij als een leeuw op den weg, tot dat het land zal verschrikken. Hij roept ten strijde, totdat allen die voor Zijn Woord hebben leeren beven in slagorden staan!

Hij beroert Zijn Volk, totdat het niet meer stil zal zijn, maar rouwe bedrijvende over de breuke van de dochter Sions, den Heere zal aanloopen, om te vragen: Heere, wat wilt Gij, dat we doen zullen.

Tot dien strijd Gods willen de mannen van den Ger. Bond in den middellijken weg opwekken. Waarbij het Woord des Heeren nooit kan te niete gemaakt worden: Hoort, Israel! gijlieden zijt heden na aan den strijd tegen uwe vijanden."

Naar het wapenhuis des Heeren dan. Waarbij Smytegelt ons toeroept: alle slapende soldaten worden doodgeschoten!

O! die Smytegelt. Ook al zoo'n Bondsman ! Mijn vriend, wees Gode bevolen.

Maranatha, Jezus komt.

t.t. FORTUNATUS,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Brievenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's