De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Geen hope hebbende, en zonder God in de wereld. Ef. 2:12b.

Zonder hope.

Stel u eens een oogenblik voor, dat gij rijk waart in geld en dat gij uw geld hadt toebetrouwd aan een kantoor, dat soilede en betrouwbaar was. Maar daar komt iemand mooi bij u praten; iemand die u hooger procent belooft; iemand die u zegt, dat uw geld bij hem óok nog veiliger is.

Gij gelooft dat. Gij neemt uw geld wèg van het éene kantoor en gij brengt uw geld op het andere."

Maar o! vreeselijk, , daar hoort gij den ..volgenden dag reeds de mare, dat uw kassier failliet is, dat het kantoor gesloten is, dat er geen cent.van uw geld meer bestaat ... zou het niet vreeselijk zijn ? Zou uw hart niet haast stilstaan van schrik ?

Gij bezit niets meer. Donker teekent zich de toekomst af. De wateren van uw levenszee ziet gij in beroering komen, en gij hebt geen kracht om tegen de golven in te roeien. Somber zet gij u neder. Gij zijt gebroken. Hopeloos. Uw hoofd leunt zwaar .op uw bevende hand. Uw oog is dof en omfloersd. Weg, alles weg !

Ik herinner mij nog levendig, dat een man onze school bezocht met een kist met een steenarend er in. We mochten dien adelaar zien als we 's middags een cent mee brachten, 't Was een prachtexemplaar ! En 's morgens vertelde de meester van den adelaar, hoe dat beest groot en sterk was en met breeden vleugelslag wist op te vliegen hoog naar de steile toppen der rotsen; hoe zijn snavel wist te dragen de buit in volle zwaarte, welke het beest bestemd had voor zijn jongen. .

En 's middags zagen we den steenarend. Maar wat viel het tegen.

De vlerken hingen zoo slap, door een stokje gepiinigd zich telkens even bewegend ; het oog schitterde niet; het beest kroop weg in een hoek.

Was dit die vogel, die sterk van oog en krachtig van wiekslag moedig en onbeschaamd der zonne weet tegemoet te vliegen ? Die in een oogenblik weet op te klimmen tot de bergen, waar de mensch niet komen kan? Beeld van den gevallen mensch!

Zoo schoon, zoo heerlijk, zoo rijk, zoo gelukkig voortgekomen uit de hand van den Schepper, geschapen voor een eeuwigheid !

Zie hem vroolijk den Heere tegemoet gaan ; zie hem met majesteit gekroond zich bewegen tusschen de dieren des velds; zie hem welgemoed den scepter zwaaien over gansch de aarde, die weelderig voor zijn voet zich uitspreidt en hem gewillig de beste voonbrenselen geeft. 't Is de beelddrager Gods die op reis is naar den hemel, om een eeuwig Koninkrijk te beërven!

Maar daar komt satan, om wantrouwen tegen God in zijn harte te zaaien. Daar komt de booze, om meer te beloven, dan de mensch genoot. Daar lokt de vrucht, die verboden was, maar begeerlijk was om te eten.

De mensch gehoorzaamt. De mensch zegt den Heere den dienst op. De mensch gaat gewillig in den dienst van den booze in.

En de reiziger naar de eeuwigheid is ontkleed van gerechtigheid; de mantel der eere is hem van de schouderen gevallen ; de hemel ontbrandt in toorn; de aarde verzet zich tegen hem in vijandschap ; de eeuwigheid ontsluit zich als een hel.

Daar gaat de mare door het land: alles is verloren ! En de dood is alles wat wacht.

De dood, om den mensch dan uit te werpen is een vreeselijke eeuwigheid.

Niets blijft er dan ook over, dan. dat de hemelreiziger zich verstopt voor God en daar bevend afwacht, dat de hel hem zal verslinden.

Hoort het gerommel des donders. Het bliksemlicht flikkert. Vervloekt, vervloekt — verloren, verloren, dat klinkt van alle kant!

O ! wat is het tegengevallen die ruil. Wat is het ontzettend die val. Donker is het heden, donkerder nog de toekomst.

Hopeloos, krachteloos zit de mensch neer. En als hij zich nog beweegt, dan spreekt alles van zijn ellende, van zijn naaktheid en armoede.

Dat is de mensch, zoo heerlijk door God geschapen, maar moed-en vrijwillig van God afgevallen, aan Satan zich overgevend, dien hij te laat leerde kennen als den menschenmoorder van den beginne.

Geen hope meer voor den mensch. Wel blijft hij nog leven, naar Gods wonder bestel. Maar als een vogel, die over de zee trekt, moet hij vliegen over der tijden bedeeling, zonder ergens ruste te kunnen vinden voor het hol van zijn voet —-om ten slotte amechtig neer te vallen, waar de diepte der eeuwigheid hem dan opvangt, om hem te doen wegzinken in eindelooze ellend.

Geen hope! Noch voor het éene geslacht. Omdat men God verlaten heeft, de bron des levens, de fontein van alle góéd.

Gescheiden van God leeft de mensch nu voor een ontzettende eeuwigheid. Omdat hij zondaar is.

Geen onderscheid. Alle vleesch ligt voor God verdoemelijk. Omdat God rechtvaardig is.

Is het zonder hope ?

Ja — gewisselijk ! Allen zijn afgeweken. Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in den weg Gods.

Er is geen sterveling op aarde of het oordeel zal hem treffen. Want de wreker is de Heere.

Is het zonder hope ? Van 's menschen zijde wel. Want wal men uitdenke op aard, het kan de zonde niet verzoenen, het kan niet bevrijden van den dood, het kan niet verlossen van onder Gods geschonden recht !

Maar, o ! eeuwig wonder van genade en ontfermen, van Gods zijde is er nog een weg tot verlossing en bevrijding.

En een arm zondaarsvolk, van onder den vloek der wet bevrijd, zal door Jezus Christus, die een vloek geworden is voor hen, zalig worden en eeuwig bij den Heere wonen. In het dal der schaduwen des doods wil de Heere een deur der hope openen.

Hij heeft dat middel uitgedacht. En ziet — daar steekt nu boven de wateren des doods, die alle vleesch verslinden, een olijfboom zijn kruin, zijn takken breed uit. Als een wonder voortgekomen. Niet uit de aarde. Maar uit God. Voor een vervloekte aarde bestemd, om daar te groeien.

En daar is nu een rustpunt. Die daar mag landen, om daar als een vermoeide vogel neer te vallen, die zal daar ervaren, dat er genezing is voor een kranke ziel. En met vernieuwde krachten zal hij mogen opvaren als een arend om over der tijden zee het oog te richten naar de stad der eeuwigheid, met een takje van den olijfboom in den bek, voortvliegend met breeden wiekslag.

Neen, dat is geen uitvinding of maaksel van de wereld. Satan toovert de plaatsen der ruste, maar laat telkens wegzinken in nameloos verdriet. Maar de Heere heeft naar Zijn eeuwige barmhartigheid deze plaatse der genezing willen voortbrengen. En ziet, nu is er nog hope voor een arme zondaarsziel, die hopeloos is. Hope voor een gevangene van Satan, die verloren is. Hope voor een mensch, uit een vrouw geboren en daardoor Gods vloek waardig.

Hope — uit God. Uit Hem, die de Vader is van onzen Heere Jezus Christus.

En o! iedere ziel, dié er door genade kennis aan krijgen mag, om van onder het oordeel bevrijd, onder de bladeren van dien Boom des levens genezing te vinden, en van den toorn bevrijd vrede met God te smaken, en van den dood bevrijd een erfgenaam des eeuwigen levens te mogen zijn — die slaat de oogen bewonderend op en roept: „eertijds zonder hope — geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die ons heeft wedergeboren tot een levende hope."

Wat een verschil: Zonder Christus, zonder hope — met Christus, hope voor den tijd en voor de eeuwigheid! O ! weten wij het al, dat wij van nature zonder God en zonder Christus in de wereld staan en daardoor zonder hope voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid ?

De schijn bedriegt zoo. Er is zooveel rust, zooveel troost, zooveel blijdschap in de wereld. De mensch kan zoo hoopvol zijn weg beginnen. Hij kan zoo blijmoedig spreken.

Maar de mensch is een zondaar. Hij is van God gescheiden. Hij staat zonder God in de wereld. Hij is voor God verdoemelijk en den dood onderworpen. Het uitnemendste van het leven is moeite en verdriet. En het einde is, om te vallen in de handen van den rechtvaardigen Rechter, die zal zeggen: „ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend I"

Weten wij reeds, dat dit ook óns rechtvaardig deel is ? Gansch de wereld ligt voor God verdoemelijk.

En wie we óok zi.jn, maar wij zijn een zondaar voor God. Wij hebben den Heere moed-en vrijwillig verlaten. Wij zijn voor tijd en eeuwigheid aan Zijn oordeel onderworpen.

Ook wij zullen onze ziel niet kunnen bevrijden van het graf en niet kunnen redden van Gods verbolgenheid.  En ziet, dan is daar voor een volk, dat waarlijk zonder hope is en niets anders heeft overgehouden dan verloren te moeten gaan voor Gods heilig aangezicht, dan is voor dezulken door den Heere in Jezus Christus een zoo wonder en kostelijk middel tot verlossing bereid.

In Christus — die als een rijsje uit een dorre aarde is voortgekomen, maar als de Levensboom Zijn kruin heerlijk omhoog draagt. In Christus — die in de golven van Gods toorn is ondergegaan, maar als de sterke  Held triumfantelijk aan de wateren van Gods grimmigheid is ontworsteld en gekroond is met eere. In Christus — die dood is geweest om der zonde wil, maar die leeft om der gerechtigheid wil.

O! wondere weg van genade. Waarin de Heere Zijn Sion hope geven wil op een eeuwig zalig leven, om die hope van oogenblik tot oogenblik te sterken, opdat de ziele onder de bladeren van den Boom des Levens schuile en daar vrede vinde.

O! wat rijke bedeeling der genade voor arme zondaren, van wat volk of natie ook zijnde.

Verlossing en heil voor verlorene zielen. Waarbij de Heere in de Adventsweken nog weer bevestigen wil: Ik ben hierin niet veranderd, in Christus is voor Jood en heiden een deur der hope en een weg ter zaligheid ontsloten.

O! de Heere doet groote wonderen. - Kostelijke zaak, om voor 't eerst of bij vernieuwing daarheen te mogen vluchten, waar de Heere een toevlucht wil zijn voor Zijn Sion van alle tijden en alle plaatsen. Naar die plaatse, waar Christus staat, als de Boom des levens.

Om daar te mogen zeggen: ik weet, mijn Verlosser leeft.

Wat een verschil: Zonder hope — of met hope. En 't gaat al om Ohristus.

Mijn Br. en Z. wat geldt voor u ? Zonder hope nog ? Of hope hebbende in Christus ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's