De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Brievenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Brievenbus.

5 minuten leestijd

SARDIS, 5 December 1911.

Waarde Vriend.

Gij schrijft, dat uwe aandacht de laatste dagen bepaald is geworden bij de geschiedenis van Uza, die zijn hand uitstrekte naar de ark, om die voor kantelen te bewaren en daar op de plaatse zelve toen dood bleef. (2 Sam. 6) Dat heeft u déze vraag in het harte gelegd: is het wel goed, dat wij ons zooveel met het verval van Sions muren inlaten en middelen beramen om deze muren weer te herstellen, want de Heere wil niet geholpen worden en de zaak des Heeren redt zich zelf wel, omdat de Heere er voor instaat.

Deze vraag heeft ook mij tot nadenken gebracht.

En ja — bij tijden kan mij het gewoel zoo druk worden en de arbeid kan mij zoo zwaar vallen. En de overlegging is mij niet vreemd: laten wij maar aflaten van ons werk en het maar aan den Heere overlaten; Die is de al wijze en almachtige God; Die weet wel wat geschieden moet en Die staat voor Zijn eigen zaak.

Maar tegelijk als ik dat denk, komt mij het woord van den Heiland, eenmaal tot Zijn discipelen gesproken, voor den geest: „zijn er niet twaalf uren in den-dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet; maar indien iemand in den nacht wandelt, stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is". (Joh. 11)

Bij deze geschiedenis werd ik de laatste dagen nog weer eens bepaald. En tusschen die geschiedenis van Uza uit 2 Sam. 6 en de geschiedenis der discipelen uit Joh. 11 is een zoo treffende overeenkomst en een zoo diepgaand verschil.

De discipelen in Joh. 11 zijn bezorgd over Jezus. Hij wil naar Judea, waar Lazerus woont, En pas nog had men daar getracht Hem te steenigen. Daarom zeggen de discipelen: Rabbi, o! doe het toch niet.

Zij zijn bezorgd, dat de zaak des Heeren vallen en breken zal. Zij strekken hunne handen uit om Jezus op de plaats rust te houden. Hij moet niet naar Judea! Neen, Neen! Evenals Petrus pas óok nog gezegd had in de deelen van Caesarea Philippe: ga niet!

Maar wat zegt de Heiland dan? Hij zegt tot Petrus: gij staat in dienst van den Satan, man, nu gij zoo bezorgd zgt over Mij, ga weg, achter Mij!

En als Hij dien Satans-steen voor zijn voeten' weggenomen heeft en achter zich geworpen, dan is de weg weer vrij voor Hem en dan zegt Hij tot zijn discipelen: „nu voorwaarts! mijn jongeren, want de dag is er om te werken en die het werk Gods werkt, wandelend bij het licht van Zijn Woord en handelend naar Zijnen wil, die heeft haast en weet, dat de Heere het tot een goed einde zal brengen.

't Komt op het onderscheiden der dingen aan. Neen, vrees toch niet voor Gods zaak, dat die wankelen, vallen en breken zal. Ga toch niet tot den Heere, om te zeggen nu moet Gij het zoo en nu moet Gij het zus doen, anders gaat het niet goed! * Ja — zoo dwaas zijn we wel. Zoo wijs in eigen oog, niet waar? Den Heere gaarne dwingend en dringend om in ónzen weg te gaan, om óns gelijk te geven, om ónzen wil te doen.

Ach, arme! Wat moeten we veel afieeren. Dat beginsel moet dood. Dat beginsel zal als een beginsel uit den duivel achterwaarts geworpen moeten worden.

Maar dan niet. op de plaats rust. Dan aan den Heere latende wat des Heeren is, maar wandelend naar uitwijzen van Gods Woord, en doende naar Zijnen wil en naar Zijne inzettingen, moeten we elkander maar telkens toeroepen: er zijn 12 uren in ien dag om te werken, weldra komt de nacht, dat niemand meer werken kan.

Om den weg van Gods Woord gaat het dan. Om hetgeen de Heere van Zijnen heiligen wil telkens openbaart, zeggende: dit is de weg, wandel in denzelve!

Daar, daar moeten we zijn. Daar, daar moeten we werken, 12 uren op een dag.

En daar wil de. Heere dan ieder, die in oprechtheid tot Hem roept, zelf tot een Leidsman zijn.

Daar wil Hij nederzenden van Zijn licht en waarheid.

Daar wil Hij aan blinden zelfs den weg zóo leeren, dat zij niet dwalen. Daar wil Hij met Zijn heillicht vóórgaan, opdat allen die Hem volgen, doende den wil des Vaders, zich aan geen steen stooten, maar gesterkt en blijmoedig mogen voortgaan, van kracht tot kracht toenemende.

O! het is wel eens goed, dat men ons in de moeite brengt met al ons gaan en staan. Want we moeten telkens weer eens gedwongen worden om ons zelf te onderzoeken en ons zelf te herzien.

En ja, dan moet sterven alles wat niet uit God is.

Dan moet weggeworpen worden alles wat ons van den weg des Heeren komt aftrekken.

En dan moet bij vernieuwing weer eens door onze ziele gaan: de Heere zorgt voor Zijn volk en voor Zijn Kerk — zeg tot de kinderen Israels, dat zij voorttrekken, zeg dat zij troffel en zwaard ter hand nemen, zeg dat zij werken 12 uur op den dag. Ik, Ik de Heere zal het volenden; en het einde zal juichen tot Gods eer.

Sla dan de oogen naar omhoog, mijn vriend, en bid den Heere om Zijn bekwaam makende genade.

Hef uwe stem op en vraag:

„Leer mij uw wet in haren rechten zin, En maak mijn hart tot Uw geboon genegen." (Ps. 119:34)

Wees den Heere bevolen, mijn waarde. Groet de huisgenooten der geloofs.

Uw vriend

FORTUNATUS,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Brievenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 december 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's