Uit de Brievenbus.
SARDIS, 12 December 1911.
Waarde Vriend!
Ja, — waar zou het aangekomen zijn, indien de geloovige mannen en vrouwen eens niets anders gezegd hadden dan dit: „de Heere moet het doen!"
Noach zou niet gepredikt hebben en niet aan de ark hebben gebouwd. Gideon zou geen keurbende gewapend hebben en den vijand niet listiglijk hebben aangevallen. Samuel zou geen profetenscholen hebben gebouwd. David zou geen zorg over de ark hebben gehad en geen tente hebben gemaakt. Salomo zou geen huis des Heeren hebben gebouwd. Elia zou niet voor Koning en volk gestaan hebben om te prediken en zou de Baalspriesters niet hebben geslacht. Obadja zou de priesters des Heeren geen brood en water hebben gebracht. Hiskia zou niet geijverd hebben om den dienst des Heeren te herstellen. Manasse tot God bekeerd, zou niet hebben afgebroken wat hij had opgericht en niet opgericht hebben, wat hij had afgebroken. En Ezra en Nehemia? Paulus en Thimotheus? Willebrord en Bonifacius?
De broeders des gemeenen levens en Husz ; Luther en Calvijn, de Dortsche Synode en de gereformeerde predikanten? Ach — als ze met Ruben eens in de warme stal waren gaan zitten, om honderd uit te redeneeren en meer niet — wat zou het allerongelukkigst uitgekomen zijn. Want de Heere is een jaloersch God en wil dat Zijn dienstknechten en dienstmaagden Zijne getuigen zullen zijn en zullen werken, zoolang het dag is.
Hij wil dat Zijn volk in diepe afhankelijkheid van Hem, in ootmoed des harten, zal leven; zoekende de dingen die boven zijn. Hij wil dat Zijn Sion de verborgen omgang Zijns Geestes en Zijner genade zal ervaren en uit Hem zal leven; om nauwkeurig op Zijne bevelen acht te geven.
En o! mijn waarde, dan is het nu een ongelukkige tijd. Het is een tijd van veel praten, maar van weinig onderzoeken. Een tijd van rooken voor het vleesch maar van weinig verborgen omgang met God. Een tijd van uitvliegen naar den mensch, maar van weinig schuilen bij Christus, den Heere der gerechtigheid.
Want indien er meer bevindelijk leven was, meer smaken van den verborgen omgang met God, meer schuilen bij Christus, meer geestelijke kennis — dan zou die geestelijke plant uitbotten en het zou naar buiten gezien worden: dat God een Licht is en gansch geen duisternis is in Hem.
De Schrift is zoo eenvoudig, zoo helder, zoo klaar. Er is zoo duidelijk in geopenbaard wat strekt tot eere Gods en tot zaligheid van Sion en tot welstand van Christus' Kerk.
En nu is iet door alle tijden heen gezien, dat het ware volk van God zonder een verborgen omgang met God niet leven kon; en dan begeerde om uit de binnenkamer van Gods gemeenschap naar buiten te gaan, om den name des Heeren te vermelden, Zijn waarheid te verbreiden en Zijn zaak te verdedigen.
Dan trad de ziele 'uit de binnenkamer, zachtkens zingend: „Heer', ai maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend". En met vertrouwen der ziele klonk het dan : „Godvruchte schaar, houd moed; Hij is getrouw, de bron van alle goed."
Dan riepen de kinderen Gods elkander toe: „'t is Israels God die krachten geeft; van Wien het volk Zijn sterkte heeft — verheerlijkt Hem, gij vromen!"
O! nog eens, het is nu een tijd als in Deut. 20:3 ons geteekend wordt. De vijanden hebben stout des Heeren erfland ingenomen, maar de Heere waakt weer op over de plantinge van Zijn hand, waarbij Hij in het midden Zijner Gemeente doet roepen: Hoort, Israel! gijlieden zijt heden na aan den strijd tegen uwe vijanden."
Zal men leeren opmerken ? Wij vreezen!
Satan is zoo listig. Satan is zoo'n Bijbelverknoeier. Satan is zoo gemaakt-vroom.
En ach — als hij als een engel des lichts rondgaat om met Gods Woord in de hand zijn werken der duisternis te doen, dan vreezen we zeer I
Want wie, wie zal zijn strik ontkomen? Wie zal niet struikelen en vallen?
Als de booze Gods eisch maar te niet kan maken en Gods Woord maar krachteloos kan maken, dan is hij tevreê.
Laten de menschen dan maar meenen, dat zij vroom zijn en in Gods weg gevonden worden — als ze intusschen „maar zonder waarachtigen omgang met God en zonder gehoorzamen aan Gods Woord blijven I
Vreeselijke omleidingen des boozenl Voor jong en oud zoo diep rampzalig !-
O! dat er weer eens gehoord mocht worden uit veler hart en mond:
„Laat ons alom Zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
Omdat wij op Zijn naam vertrouwen,
Dien naam zoo heilig groot en goed!"
Wees Gode bevolen, mijn vriend.
De Heere laat het werk Zijner handen niet varen en Hij heeft nog nooit beschaamd, degenen die op Hem betrouwen.
t.t. FORTUNATUS,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's