Onze Belijdenis.
Art. "7b. Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zoo blijkt daaruit wel dat de leer deszelven zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijken bij de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte bij de Waarheid Gods (want de Waarheid is bovenal), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten: want alle menschen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve.
XXXIII.
Het Woord des Heeren is een afgesloten geheel. Dat wil niet zeggen dat in de Schrift alles is opgenomen wat ooit door Christus of te voren door de profeten of daarna door de apostelen geschreven zou zijn. Immers op verschillende plaatsen worden we gewezen op profetische en apostolische geschriften, die in onzen Kanon niet te vinden zijn en die dus hoogstwaarschijnlijk zijn verloren gegaan. Johannes zegt aan het einde van zijn evangelie dat er veel meer woorden door Jezus gesproken en veel meer teekenen door Hem gedaan zijn dan die welke ons beschreven staan.
Maar dat het Woord dés Heeren een afgesloten geheel is, beteekent dat er naast de Heilige Schrift geen ander Woord des Heeren in beschreven of onbeschreven vorm bestaat, dat met het beschreven Woord Gods op één lijn mag gesteld worden.'
Aan de Heilige Schrift hebben we genoeg. In Christus, den hoogsten Profeet en Leeraar, is de openbaring Gods voltooid, en daarom handhaven wij de genoegzaamheid van wat Hij door Zijne profeten en apostelen te boek heeft doen stellen.
En juist omdat onze Kanon een afgesloten geheel is waaraan wij genoeg hebben, gelooven wij dat van dat Woord niet alleen niets mag worden afgedaan, maar dat er ook niets aan mag toegevoegd worden. Wij gelooven niet dat het toevallig is dat juist op de laatste bladzijde van onzen Bijbel de woorden geschreven staan: „ik betuig aan een iegelijk" die de woorden der profetie dezes hoeks hoort: indien' iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afdoet van de woorden des hoeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens en uit de heilige stad en uit hetgeen in dit boek geschreven is",
„Tot de Wet en tot de Getuigenis" moet dus worden opgeroepen, want daar vinden we de Waarheid waarin de Heilige Geest Zijne gemeente leidt.
Maar dan spreekt het ook wel vanzelf dat, gelijk onze Kerk in art. 7 belijdt, geen menschen-geschriften, hoe heilig zij geweest zijn, bij de Goddelijke Schrifturen vergeleken kunnen worden. De beste werken immers, die ooit door een mensch zijn gedaan, dus ook de beste boeken die ooit door menschenhand geschreven zijn, zijn onvolmaakt en met zonden bevlekt. Het goede dat er in gevonden wordt is altoos gelijk aan een beek, die voortvloeit uit de rivier van Gods Woord. Maar zulk een beek is nooit de rivier zelf.
En evenmin mag het schoonste boek, dat een gewrocht is van den menschelijken geest, zelfs maar in de verte op één lijn gesteld of in één adem genoemd worden met dat Woord dat een bijzonder gewrocht is van den Geest onzes Gods.
En niet slechts geen enkel boek, maar daar zijn ook andere dingen, die voor vergelijking met de Heilige Schrift niet in aanmerking komen. Zoo wordt in art. 7 gesproke» over de gewoonte. En metterdaad, daar zijn vaak vele menschen — en men behoeft daarvoor waarlijk nog niet tot de Roomsche Kerk te behooren — die de gewoonte gelijk stellen met en niet zelden zelfs boven Gods Woord. Wanneer iets altijd zoo geweest is dan meenen zij dat het daarom ook altoos zoo blijven moet. Wanneer vader en grootvader iets gedaan hebben dan meenen zij dat niet alleen zij, maar ook hun kinderen en hun kleinkinderen het precies zoo moeten doen. Nu is het natuurlijk in velerlei opzicht goed dat wij de oude palen niet verzetten, maar dan moeten die oude palen ook gefundeerd zijn in Gods Woord, en als dat niet zoo is, dan mogen we iets, alleen omdat het gewoonte is, of alleen omdat het in de oudheid ook zoo geschiedde, niet laten bestaan. Integendeel, dan dient er hoe eer hoe liever mee gebroken te worden. Vandaar dat onze Belijdenis het conservatisme bestrijdt als zij ons leert dat geen gewoonte en ook geen oudheid met het Woord des Heeren vergeleken mag worden. De gewoonte immers om te liegen maakt nooit een leugen tot waarheid, en dat het oudste niet altoos het beste is bewijst zeker wel de oudheid van het rijk van den vorst der duisternis.
Maar niet slechts geen gewoonte en geen oudheid, art. 7 leert ons zoo terecht dat ook geen groote menigte op één lijn met de Schrift mag worden ge3teld, en dat dit evenmin geschieden mag met successie of opvolging van tijden en personen, ja ook zelfs niet met conciüën, decreten of besluiten. En ook deze waarschuwing mag niet alleen voor de leden der Roomsche Kerk, maar ook voor onze Protestantsche kringen niet overbodig geacht.
Hoe dikwijls toch heeft ook onder ons de meening geen ingang gevonden dat de Waarheid aan de zijde der meerderheid ligt. Wanneer de meeste menschen of in sommige leerstukken de meeste kinderen Gods er zoo over denken, dan is men zoo vaak geneigd om te gelooven dat het dan ook zoo wel wezen zal. En toch, als we een weinig nadenken dan komen we vanzelf tot de overtuiging hoe dwaas het is zich bij de opinie der groote menigte neer te leggen, of zich te voegen naar wat de meerderheid nu eenmaal gelooft en belijdt. Of heeft — om van het voorbeeld bij uitnemendheid ons hier te bedienen —-de groote menigte der Joden den Heiland voor Pilatus niet van oproer beschuldigd, en toch weten we dat Hij onschuldig was. Ja heeft de Heere zelf in Zijn gansche leven hier op aarde niet de groote meerderheid tegen zich gehad en toch weten' we dat Hij was de Weg, de Waarheid en het Leven.
En evenals met de groote menigte is het ook met de successie of opvolging van tijden en personen. Dat het priesterschap in den stam van Levi erfelijk was, sloot niet uit dat eenmaal een Kajafas met den priestermantel was bekleed, en dat het geslacht van David op den troon van Israel zitten zou, belette niet dat straks een Achaz de koninklijke kroon op het hoofd heeft gehad. En zoo' ook nu. Dat de Heere in vroeger dagen het licht van Zijn Waarheid in ons vaderland zoo heerlijk schitteren deed en dat Hij in de dagen onzer vaderen de wonderen Zijner genade onder ons volk zoo krachtdadig verheerlijkt heeft moet ons niet beletten te zien dat thans „het goud zoo verdonkerd" is, en dat „de steenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen" zijn.
En wat met de successie of opvolging van tijden en personen zoo is, dat is ten slotte ook het geval met de concilies, decreten of besluiten. Conciliën, dat waren van ouds de samenkomsten van leeraars en opzieners der Kerk, tegenwoordig meer Synoden genoemd, en decreten, dat zijn de besluiten die daar genomen zijn. Het is weer voornamelijk tegen de Roomsche Kerk met haar traditiën of overleveringen, dat dit zeer streng moet worden vastgehouden, dat deze besluiten nooit op één lijn met de H. Schrift mogen gesteld. Maar ook in onze Protestantsche Kerken is het waarlijk niet overbodig hieraan te herinneren. Hierdoor toch wordt door onze Belijdenis zelf de meening afgesneden alsof haar gezag gelijk zou staan met het gezag van Gods Woord, Ieder weet dat men dat van zekere zijde vooriiamelijk den Gereformeerden verwijt dat zij de belijdenisschriften der Kerk gelijk stellen met het Woord van God. Indien dit waar was dan gevoelt ieder dat de Gereformeerden met hun eigen belijdenis in strijd zouden zijn. Neen, hier wordt het ons zoo duidelijk geleerd dat het gezag der belijdenis, dat wij, o zeker, verheven achten boven de veranderlijkheid der persoonlijke meeningen en gevoelens, toch altoos ondergeschikt is aan het gezag der H. Schrift,
Alléén in de Schrift vindt de Kerk des Heeren den grond van haar geloof en haar belijdenis is niet anders dan de uitdrukking van dat geloof. Daarom staat dus ook de belijdenis, die voor herziening vatbaar is, niet gelijk met, maar wel beneden de Heilige Schrift, die nooit herzien, veel minder veranderd mag worden,
Hoe zou het ook anders kunnen. Immers ook de Belijdenis is ten slotte het werk van feilbare menschen geweest. En ieder mensch, ook een kind des Heeren dus, kan zich bedriegen. Ja uit zichzelven, zegt artikel 7, zijn alle menschen leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Alleen God de Heere bedriegt zich niet. Alleen in Zijn Woord ligt dan ook de onfeilbare regel des geloofs en wat de Belijdenisschriften betreft zijn wij het eens met wat Groen van Prinsterer daar eenmaal van gezegd heeft, dat zij zijn „een reeks van gedenkteekenen der strijdende Kerk; onwraakbare getuigen van het geloof dat éénmaal aan de heiligen overgeleverd is, schakels van dezelfde keten; mijlpalen van één weg, waardoor het afgelegde deel aangeduid wordt; niet om te blijven staan, maar om voort te gaan in de richting waarin de Gemeente overeenkomstig de belofte van haar Goddelijken Voorganger, met onbedriegelijke strekking geleid wordt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's