Uit de Brievenbus.
SARDIS, 27 December 1911.
Waarde Vriend,
Zeer wel kan ik het verstaan, dat gij de opmerking maakt: die ethische domine verwijt dus eigenlijk aan de gereformeerden, dat deze leven bij een „ leerheiligheid van een dood geloof — terwijl de ethischen dan zeggen te leven uit de heiligmaking.
En van dat verwijt aan het adres van de gereformeerden wilt gij dan niet hooren.
Gij zegt: die ethische domine weet er niets van!
Nu — in dezelfde courant, waarin die ethische domine de gereformeerden dat verwijt maakte en de ethischen die pluim op hun hoed zette, werd hij dan ook dadelijk door iemand op de vingers getikt.
Zeker, zoo schreef daar iemand, de gereformeerden brengen het niet ver in de heiligmaking. Want ze moeten met de Cat erkennen, dat hoe scherper de wet gepredikt wordt, hun oog hoe langs hoe meer open gaat voor hun zondigen aard, waarmee ze dagelijks te strijden hebben.
Hoe meer ze ontdekt worden aan de heiligheid Gods, met den eisch: „wees heilig, want Ik ben heilig'.' — hoe meer ze met Paulus, den bekeerden Paulus, moeten uitroepen: „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods". Wat de Heere aan Zijn volk dan bevindelijk doet kennen met droefheid des harten, opdat hun harte méér nog vervuld zal worden van de dierbaarheid en onmisbaarheid van Christus, die met Zijn dierbaar bloed voor al de Zijnen een eeuwige verlossing heeft teweeg gebracht. Opdat het voor Sion genade is en genade blijft tot het einde toe.
Die ethische domine begrijpt dus niets van wat de gereformeerden leeren en wat zij in hun leven doormaken, als zij den Heere mogen kennen in de rechtvaardigmaking door Christus' zoenarbeid.
Dat er „harmonie is tusschen hun leer en leven" verstaat hij niet.
Omdat hij blijkbaar niet verstaat, wat de rechtvaardigmaking is van een zondige ziel en nog minder wat de heiligmaking is, zonder welke niemand den Heere zien zal.
Ja, mijn waarde, gij zegt het terecht, dat het er op aan komt hoe de rechtvaardigmaking en de heiligmaking geleerd worden en in welke verhouding die ten opzichte van elkander geplaatst worden.
En schrijft die ethische domine dan: wij, ethischen, buigen het hoofd ootmoedig voor déze woorden, „zonder heiligmaking zal niemand den Heer zien". De gereformeerde . moet ootmoediger nog het hoofd buigen voor déze woorden: „uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, dat niet uit den mensch is, maar Gods gave".
Dat brengt verschil in beider leer-en levensbeschouwing.
Dat maakt ook het verschil uit in de prediking. De ethische spreekt anders over de verlorenheid des menschen, de onmacht ter verlossing, de vijandschap tegen God enz. dan de gereformeerde dat doet.
De ethische heeft een andere voorstelling van Gods vrije genade, de verkiezing ten leven en de alles werkende kracht des H. Geestes.
Gansch anders wordt over de wedergeboorte, de alles bedekkende gerechtigheid Christi, de diepe verdorvenheid des menschen, de onveranderlijkheid van Gods liefde gesproken. Of eigenlijk wordt er in 't geheel geen gewag van gemaakt.
Bederf, bederf uw prediking toch niet met uw dogmatiek — roept de ethische maar! 't Gaat maar over den christen, die door den doop herboren, in de Kerk ingelijfd en met God verzoend zich moet weten. Die van zijn christenplicht zich méér bewust moet worden. Die door gebed en oefening hoe langs hoe meer God moet liefhebben en ijverig zich moet betoonen in goede werken.
Neen, volmaakt is die christen niet. Zijn tekortkomingen zijn vele. Maar Jezus is toch in de wereld gekomen voor zondaren. En de wereld is toch met God verzoend in Christus. En daarom moet de christen meer uit die verzoening leven. Waarbij God het toch waardig is om Hem lief te hebben; om alles voor Hem op te offeren. En Christus is het toch niet minder waardig I
Wie, wie zou, wanneer de Christus met den doornenkroon vraagt: dat heb Ik voor u gedaan, wat wilt gij voor Mij dóen? — wie zou dan niet willen antwoorden: lieve Heiland, ik wil alles voor U doen?
En de mensch, als vijand van God, is veranderd in een vriend vol goede werken.
Van een vijand merkt men niets. Men hoort er niet van.
Ach, bederf uw theologie toch niet met uw dogmatiek, zegt de ethische. Grijp liever naar het leven, naar het volle leven!
Geen vijand van God is de mensch dus. Niet onbekeerd en dood in zonden en misdaden. 't Zou ook wel vreeselijk zijn voor een zoo lieven christen, die stil verscholen blijft zitten achter zijn goede werken.
Een Evangelie naar den mensch dus.
Een heiligmaking uit vleesch en bloed, met gebed en oefening dagelijks hooger en hooger opgeheven.
Maar... een toren van Babel. Terwijl zonder de almachtige daad van Gods verkiezende genade en de onwederstandelijke werking des Geestes geen vijand in een vriend kan worden omgezet; geen doode kan worden levend gemaakt.
Principieel, diepgaand verschil dus tusschen een gereformeerde en een ethische.
Waarbij een gereformeerde, door Gods Geest waarlijk aan zich zelf ontdekt en tot den smallen weg des levens toegebracht, het ook nooit zoo ver kan brengen als de ethische wil.
Tot troost der ziele wetend, dat het om Christus wil, ook gelukkig niet noodig is. Want een bruid die zwartachtig is mag door den hemelschen Bruidegom den Heere .lieflijk wezen.
Terwijl de rijke jongeling als een vriendelijke vijand door Christus wordt terechtgezet.
In Christus of naast Christus maakt zoo'n groot verschil.
Arm en verzadigd of rijk en ledig weggezonden; o! 't beslist over een eeuwig wel of een eeuwig wee.
Misschien schrijf ik u ook nog iets over ' de bijbelcritiek der ethischen, waarnaar gij informeert. Maar wees nu gegroet en Gode bevolen, want mijn brief' is reeds te lang.
Als altijd,
t.t.
F0RTUNATUS,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's