Stichtelijke overdenking.
Oudjaar
Er blijft dan eene ruste over voor het volk van God. Hebr. 4 : 9.
Rust na onrust.
OUDEJAARSAVOND.
De mensch is van nature een rustzoeker. Maar deze aarde biedt hem geen rust voor zijn voet. Ook aan den christen niet, die Davids bede kent: „Ik ben, o Heer' een vreemd'ling hier benêen; laat Uw gebóon op reis mij niet ontbreken!"
't Is meest zooals een zeker dichter het uitdiukte:
Mijn hart is rusteloos meer dan de popelblaren, Meer dan aan 't oeverstrand het ritselende riet. Meer dan het woest geklots der fel bewogen baren.
De aarde en alles wat daarop is kan zijn ziele ook niet verzadigen en verkwikken. Slechts zijn onveranderlijke, eeuwig-getrouwe Verbonds God bezit het brood waar naar zijn ziele hongert, het water, waar zijn hart naar dorst.
En daarom dat zijn de uren van rust, wanneer hij die vinden mag in het leunen op den sterken arm van zijn Verbonds-Middelaar Jezus Christus. Dan is 't feest voor zijn ziel. Dan mag zijn harte zich verheugen in God.
Doch 't zijn helaas! dikwijls oogenblikken zoo kort van duur.
De wisseling des jaars roept ons dit bij vernieuwing toe. Wat is dat jaar weer spoedig voorbij gegaan, en wat is alle heerlijkheid als gras.
We vliegen daarheen. Er is geen seconde verpoozing. De vleugelen des tijds bewegen zich onophoudelijk. En ze jagen ons voort naar — dood, graf en eeuwigheid.
Dan zal er geen tijd meer zijn in de eeuwigheid. In Openb. 10 : 6 lezen we daarvan. Wij, stoffelijke wezens, gebonden aan ruimte en tijd, kunnen ons er geen rechte voorstelling van vormen, hoe dat wezen zal, als er geen tijd meer is. 't Woord „eeuwigheid" zegt ook 't rechte niet, want ook dat is een tijdbegrip. De schrijver .Love komt ons eenigszins te hulp met een beeld: Wanneer er ergens op het strand eener zee een berg van zand stond, en er kwam alle jaar één keer een vogel van over de zee aanvliegen en pikte één korrel weg van dien zandberg, zoo zou daar ten slotte een eind aan komen, doch aan de eeuwigheid komt nimmer een eind.'' Hoe groot zal daarom het verschil wezen tusschen: voor eeuwig zalig of voor eeuwig rampzalig! De eeuwigheid zal den verlosten in den hemel niet te lang vallen om God en het Lam de eere toe te brengen ; edoch, hoe zullen zij het maken, die eeuwig eene plaats des berouws zullen zoeken zonder die te kunnen vinden ?
Hoewel ons leven kort is, en de tijd voortsnelt, kunnen we nochtans hier veel ondervinden. Ook 't heengesnelde jaar heeft heel wat aangebracht. Gelijk een ruiter, die over den zandweg heenrent, zijn diepe sporen nalaat, zoo ook kon het oude jaar niet onvergeten voorbijgaan. Voor den een wel was 't heel anders dan voor den ander. Aan sommigen onzer gaf de Heere wellicht grooten voorspoed : er stond schier géén wolkje aan de lucht, en slechts een enkel regenbuitje bedierf het genoegen. Doch verreweg de meesten zullen nevens hun lief ook wel hun. leed ontmoet hebben; sommigen misschien bijna enkel smart en enkel teleurstelling.
Of de laatste dan 't slechtste af waren ? Dat is nog niet zeker. Waar dankbaarheid in den voorspoed zeker een niet minder groote eisch is dan geduld in tegenspoed, daar gebeurt het ook nog al eens, dat de Heere moeilijke en diepe wegen met den mensch houdt, om hem uit het diensthuis der zonde, uit te leiden of hem nauwer aan Zich te verbinden. Zoo ging Manasse met een onbekeerd hart in de gevangenis; doch in den kerker mochten zijne oogen opengaan voor zonde en schuld, leerde hij Jehova kennen, dat Hij God is, en door lijden geheiligd, verliet hij die donkere plaats, om een beter leven te beginnen. Voor Hiskia is het geen schade geweest, dat de Heere hem aan het krankbed kluisterde; werd zijn leger niet. een huis des gebeds voor hem? en blijkbaar heeft hij zelden in zijn leven zoo hartelijk, met blijdschap en dankbaarheid, tot Gods eer de snaren zijner harp mogen stemmen, dan toen de Heere hem weer had genezen en gezondgemaakt.
We hebben het afgeloopen jaar een Christin ontmoet, van wier zijde de Heere haar man wegnam. Dat was voor haar eene zaak van groote droefheid. Toen we haar op een somberen dag bij de geopende groeve van den geliefden doode zagen weenen, hadden we innig met haar te doen. Nochtans mocht ze menige vertroosting uit den hemel ontvangen; 't gemis is groot en blijft groot, doch ze verklaarde: „Mijne smart en droefheid is niettemin een middel in 's Heeren hand geweest, eene strenge geeselroede, om mij nader met mijn Ziele bruidegom te vereenigen, met den Schoonste van de menschenkinderen, die de banier draagt boven tien duizend." Wellicht zijn er onder onze lezers ook wel, van wier hart de gevreesde Koning der verschrikking dierbare panden heeft weggerukt. Mocht 't ook u gegeven worden, dat ge uwe bekommeringen op den Heere werpt! dan zullen alle dingen medewerken ten goede.
Wat al zonden zijn er bedreven in het weggevloden oude jaar! Ook door u, kind van .God I Maar, Gode zij dank! Tegenover uwe zonde stond 's Heeren genade; tegenover uw ontrouw Gods onwankelbare trouwe; en op eiken schakel van de keten des tijds, dié voortglijdt door de hand van Hem, wiens de gangen der eeuwen zijn, staat te lezen: „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt Zijn volk van alle zonde, " en dat met letteren die daar niet door de bruisende golven van den twijfel of de diepe stroomen van onze moedeloosheid kunnen worden weggewischt.
Gaan we na, hoe 't gesteld was in kerk, staat en maatschappij; nevens veel dat tot dankbaarheid stemde, was er heel wat, dat pijnlijk aandeed: In de Kerk wordt de eenige zuivere leer der vrije genade door de meesten met voeten getreden; in 't Staatkundige wordt lang niet genoeg met Gods ordinantiën gerekend; op Maatschappelijk gebied schijnt men schier geheel te vergeten, dat gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natie.
Ach, wat heeft de zonde toch teweeggebracht I Hoe geheel anders was het in het paradijs, waaruit we door eigen schuld verdreven wierden. O Eden 's lusthof, hoe heerlijk waart ge toch! Alles getuigde niet alleen van de grootheid van zijn Maker, maar was ook vervuld met de heerlijkheden van Zijne tegenwoordigheid. En de mensch, de kroon der schepping ; het hemelsch kleed der reinheid sierde hem ; de edele gaven van heilige kennis en ongerepte deugd waren zijn deel, en hij behoefde niet te zeggen: „Ik ben ziek, " of „ik ga sterven" ; terwijl thans het: „Hij of zij stierf, " het emde is van iedere levensgeschiedenis. De goddelijke liefde met hare zaligende instralingen woonden in 's menschen ziel en de hemelsche vrede met al zijn zegeningen vervulde zijn hart.
O wee onzer, dat we zoo gevallen zijn! Hoe is de kroon van ons hoofd afgevallen! In welk een ruischenden kuil en modderig slijk zijn we weggezonken!
Wat voorrecht echter, - als de Heere door de kracht Zijns Heiligen Geestes onze zieleoogen voor onze ellende heeft geopend! Hoe gelukkig, als 't ook bij ons met den Psalmist worden mag:
'k-Bekend', o Heer', aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden. Maar ik beleed, na ernstig overleg, Mijn booze daan;
Dan wil de Heere zich over ons ontfermen, ons in genade tot Zijne kinderen aannemen, ons steunen en voorthelpen op den smallen weg, in al onze nooden en behoeften voorzien en om den wille van Zijn lieven, Zoon Jezus Christus, ons tot een barmhartigen Vader zijn.
Beliefde het ook den Heere, ons op kerkelijk, staatkundig en maatschappelijk gebied tot Hem, Dien we moedwillig verlaten, te doen wederkeeren, want ook hier dient de Koning der koningen in alle wegen gekend te worden, en hebben we slechts van Hem den zegen te wachten!
Zoo snelde dan het oudejaar heen, om voor een nieuwen tijdkring plaats te maken. De Heere, in Wiens hand ons aller adem is, heeft ons nog willen sparen, dat we niet met vele anderen in den heengesnelden tijd daar zijn gebracht, waar de knecht ligt naast zijn heer, waar de dooden ons toeroepen : „ Wij wachten u!" Wat zal nu de nieuwe stroom van dagen en maanden ons aanvoeren? Voorspoed ? Tegenspoed? Den dood misschien? We weten het niet. De alwijze God weefde voor de toekomst een gordijn, waar onze zwakke oogen niet kunnen doorheenzien.
Dit echter weten we zeker: Als we Zijn Woord verachten, en op Zijne roepstemmen niet letten, dat we ons dan schatten van toorn zullen vergaderen tegen den dag der vergelding, en we niet één uit duizend kunnen antwoorden, als de Heere met ons in het gerichte treedt.
Maar dit ook, dat, als we ons door genade aan den Heere mogen overgeven, en Hem volgen, de Heere met ons wil wezen, en ons niet zal begeven of verlaten. Hij heeft het beloofd en zal het ook doen, want al Zijne beloftenissen zijn in Christus Jezus ja en amen. En belieft 't Hem, om ons te bezoeken met wegen van druk en kruis. Hij zal 't gped maken met hetgeen Hij wil. Daarom roepen we Gods kinderen bij dezen nieuwen mijlpaal toe: Na de onrust komt straks de rust; en mogen we eenmaal vóór Gods troon in Jeruzalem naderen, dan zal al de moeite van het Moerbeidal vergeten zijn.
Komt, pelgrims, troost u onderwegen! Al schijnt gij nu nog ver van huis, Het is zoo ver niet eens gelegen; Aan 't einde volgt de rust na 't kruis. Dan valt gij, met den vollen zegen. Na al het wereldsche gedruisch, Door Jezus' bloed voor u verkregen. Uw Vader in Zijn armen thuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's