Stichtelijke overdenking.
Wat is het grootst?
De werken des HEEREN zijn groot. Ps. 111:2a.
God wil bewonderd worden, want alles wat God doet is groot.
Groot is de Heere, waar Hij het werk der scheppiiig voltooide en met het werk der onderhouding en regeering niet ophoudt.
Groot is Hij des morgens, als de zon op Zijn bevel te voorschijn treedt uit de zalen des lichts, groot als des avonds op Zijn wenk de maan lachend verschijnt om der zonne plaatse in te nemen.
Des daags strooit Hij goud op aarde, van den koninklijken zonnewagen nedervallend op mensch en beest; 's nachts doet Hij rivier en meer glanzen onder het zilverlicht van maan en sterren.
Groot is de Heere in de stilte van den zomeravond, waarbij de vogels vroolijk zingen, groot is Hij bij het loeien van de herfststormwinden, - waarbij de woudreuzen t hoofd buigen en vallen in het stof.
Groot is Hij wanneer het water stijft tot ijs en de rivieren daar liggen als kristal, groot, als de sneeuw de aarde bedekt met een wit, smetteloos kleed, waaronder akker en weide zoet sluimeren.
Groot, groot is de Heere. Altijd en in alles, 't zij Hij het menschdom bezoekt met Zijn zegen of met Zijn vloek.
De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
Ja — wel past het Sion om uit te roepen: o HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw naam-op de gansche aarde! Gij, die Uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen" (Ps. 8:2).
En het is Sion tot zonde, dat er helaas! maar zoo weinig van de grootheid des Heeren wordt opgemerkt. Dat de Heere er zoo weinig in geprezen wordt.
Want terwijl de psalmdichter mocht uitroepen, tot groote vertroosting voor eigen ziel en tot eere Gods: van daar de zon in 't Oosten straalt, tot daar ze in 't Westen nederdaalt, zij 's HEEREN name lof gegeven!" (Ps, 113:2), zoo is het oog van Gods kind dikwijls te dof, om de heerlijkheid in deze te bespeuren, wat van de ziele het blij vertrouwen voor geen klein deel wegneemt.
O! de Heere is zoo groot en Hij is zoo te vertrouwen door Zijn volk. Sion heeft zooveel juichensstof.
„De Heere regeert, de aarde verheuge zich." „Het is goed, dat men den HEERE love en Uwen naam psalmzinge, o Allerhoogste!"
Groot is de Heere als Hij zich beweegt onder de menschenkinderen om te betoonen Zijn barmhartigheden. Om te openbaren Zijn genade en vrede voor een arm zondaarsvolk.
O! wat heerlijk in grootheid is Hij, wanneer Hij de trotsche, halsstarrige dienstmaagd van Abram bezoekt in de woestijn, als zij, Hagar, daar eenzaam ronddwaalt en levenszat tot stervens moe is geworden.
En als Hij dan ook nadert met Zijne goddelijke voetstappen, om tot haar te komen met troostwoorden en een overvloed van beloften, dan voelt en dan bekent Hagar, dat liet een groote daad Gods is, overvloeiend van ontfermen en blij-verrukt noemt zij de plaats der ontmoeting: Lachaï-Roï, want, zoo zegt zij, de Heere is de God des aanziens, die omgezien heeft naar haar, die niet omzag naar Hem. (Gen. 16:5, 7, 13, 14.)
O! de engelen hebben het wel geweten van ouds, dat de Heere groote dingen voorhad om te doen onder de menschenkinderen, groote daden onder Zijn oude Bondsvolk.
En de Cherubim boven de ark hebben nacht en dag nederwaarts hun blikken gericht, als om in te zien in de dingen die daar onder het verzoendeksel verborgen waren. Hoe het mogelijk was, dat daar naast den vloek der wet nog hemelbrood kon liggen in .de kruik; hoe het bestaan kon dat een dorre amandelstok bloesemde en rijke vrucht beloofde.
Groot is de Heere, de God van Sion.
Jesaja heeft het gezien en gevoeld. Hij is er grootelijks door vertroost geworden in bange dagen. En hij heeft het voor de ooren van een moedeloos volk uitgejubeld : „heft uwe oogen óp omhoog en ziet Gods groote werken. Die God, de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde wordt noch moede noch mat. En die Hem verwachten zullen de krachten vernieuwen." .
Groot is God.En die God is is Sions God.
Ja — zoo roept Jesaja uit — dat is juist het grootste van al het groote, dat die God de God wil zijn van een arm, in zonden gansch verloren, volk.
Want groot mag het wezen, dat de Heere hemel en aarde gemaakt heeft. Groot, dat Hij alles bestuurt en regeert. Dat Hij de aarde heeft gegrondvest op pilaren. Dat Hij de bergen deed geboren worden. Dat Hij de hemelen uitspant als een dun doek. Dat Hij de sterren roept bij name. Dat Hij de vorsten der aarde te niete maakt. Dat Hij de volkeren wegblaast als stof.
Maar weet Gij, zoo bekent Jesaja met ontroering des harten, weet Gij wat het grootste van Gods werken is?
Dit: „voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan."
Dit is het grootste „En het zal den HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teeken, dat niet uitgeroeid zal worden " (Jes. 55 : 13)
Om een zondaarsvolk te maken tot Zijn volk ; om een zondaarsziel te geven sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid en een gewaad des lofs voor een benauwden geest, dat maakt op 't hoogst den roem van 's Heeren naam uit.
Want hemel en aarde mogen voorbijgaan, maar Sion zal staan, tot een eeuwig teeken van Gods genade en ontfermen.
Neen, dat hadt Gij niet gedacht, dat dat de luister des Heeren op 't hoogst is, wat Hij doet aan een in zonden gansch verloren volk ; wat Hij doet aan een arme zondaarsziel.
En o 't is toch zoo'n eeuwig wonder, wat de Heere daar doet.
Of is het niet dit: alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der Verbrijzelden." Jes. 57:15.
God, de groote en eeuwige God, de God van hemel en aarde, de heilige God, inwonende in den mensch, om den mensch te doen inwonen in de hemelen!
Iets wat God Zijn eigen Zoon gekost heeft, die den hemel der heerlijkheid verlaten heeft, om den vloek der wet op Zich te nemen. Iets wat alleen gewerkt kan worden door den H Geest, die het harte kan toebereiden tot een woning des Heeren,
Geen grooter werk dan het verkiezen en vergaderen van dat volk.
Geen heerlijker werk, dan het intrekken van den heiligen God, die den hoogen hemel tot .Zijn troon heeft, in het harte van een Adamskind.
Dat kan God alleen werken.En dat kan een kind van God alleen verstaan.
De onbekeerde merkt die grootheid niet.De duivelen ondervinden het niet.
De engelen zien er en zingen er alleen van.Maar Gods kind mag het ervaren.De maagd in haar nederheid. De dienstknecht in zijn geringheid.
En 't is te groot. De mensch kan er niet bij.
Alleen wanneer de ziele in stilheid aan Jezus' voeten mag neergezeten zijn, dan wordt er iets van ervaren met verrukking van de ziele.
En dan zegt de ziele den dichter van Ps. 36 na: „hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid, o God!" Ja — groot is het wat de Heere doen wil om een arm zondaarsvolk een welgelukzalig volk te doen worden.
Groot, alles wat Hij doet om bij dat volk tè wonen ; om dat volk te zegenen, te leeren, te troosten, te bewaken als de appel van Zijn oog.
't Kan hier, ook den verst gevorderde en den meest begenadigde, maar ten deele voor 't oog der ziele voorbijgaan, want 't is te groot, wij kunnen er niet bij.
Maar éénmaal in den hemel zal het in alle heerlijkheid gezien worden.En 't zal alle voorstelling verre overtreffen. 't Zal hooger gaan dan de heerlijkste genieting ervan op aarde doorleefd.
Wat geen oog ooit heeft gezien en geen oor gehoord en niet in des menschenhart is opgeklommen, zal dan aan Gods kinderen worden uitgedeeld.
Waarvan hier de voorsmaak gekend mag worden, zóo zoet, dat Sion van ouds heeft uitgeroepen : „ 't is zoeter dan honig en honigzeem."
Alles tot prijs van Gods verkiezende genade, tot roem van Zijn liefde in de overgave van Zijn Zoon, tot lof van Christus' zoenarbeid en tot eere van het wederbarende en vertroostende werk des Heiligen Geestes.
O! wie mag er iets van kennen bij aanof bij voortgang?
Is het niet wonderlijk? Is het niet Goddelijk groot? Is het niet het grootste wat ooit geopenbaard kan worden?
Wat de Heere uitdeelt om niet.Wat Hij geeft op 't gebed. Wat Hij doet zonder ooit te laten varen wat Hij begon.
't Is te groot. Maar die er ooit iets van genoot doorzoekt dit ijverig en bestendig, waarbij het telkens nóg grooter wordt.
Enkel majesteit. Aaobiddelijke heerlijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's