Onze Belijdenis.
Art. 7c. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben zeggende; beproeft de geesten of ze uit God zijn. Desgelijks: zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet.
XXXIV.
God is waarachtig, maar alle mensch leugenachtig. Vandaar dat ook niet het woord van alle mensch, maar dat alleen het Woord van God onfeilbaar is en dies de eenige toetssteen van geloof en leven kan zijn.
Alles wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt moet door ons verworpen worden.
Hieruit volgt dat er dus een zeer nauwkeurig onderzoek door ons moet worden ingesteld naar alles wat cp de geestelijke markt te koop geboden wordt.
De apostel Paulus zegt van die te Berea dat zij dagelijks de Schrift onderzochten of deze dingen alzoo waren. Zij wenschten dus te weten of datgene wat Paulus hun verkondigde wel in overeenstemming was met de objectieve Waarheid in Gods Woord geopenbaard. En wel verre van hen hierover te laken prijst de apostel de Bereërs hierom en zegt dat zij deswege zelfs edeler waren dan die van Thessalonika.
Daar in Thessalonika schijnt men dus zonder onderzoek aanstonds geloof aan de woorden van Paulus geslagen te hebben. En dat nu vindt de apostel niet goed. Integendeel ook zijn apostolisch woord mag niet alleen, maar moet aan het Woord des Heeren getoetst worden. En daarom verblijdt hij er zich in dat die van Berea dat deden.
Eu wanneer zelfs aan de woorden van Paulus de maatstaf van het Woord des Heeren moest aangelegd worden, zou dat dan niet moeten geschieden met de woorden van hen de niet met apostolisch gezag zijn bekleed?
Ja, zou het inzonderheid in onze tegenwoordige dagen niet noodig zijn om met den toetssteen van Gods Woord in de hand te voldoen aan het bevel dat de apostel Johannes ons in het vierde hoofdstuk van zijn eersten zendbrief gegeven heeft: „Geliefden, gelooft niet eenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn"?
Is er ooit een tijd geweest toch waarin allerlei vreemde leeringen hetzij meer openlijk of bedektelijk worden ingevoerd, dan is het de tijd dien wij thans beleven. Op ieder terrein van ons menschelijk saamleven worden leerstellingen verkondigd, die vaak een schoonen schijn hebben en niet zelden op den klank af met Gods Waarheid in overeenstemming schijnen, maar waardoor toch in werkelijkheid niet anders dan kettersche gevoelens worden vertolkt. Allerwege wordt op het veld dezer wereld en niet zelden ook op den akker van Gods Kerk een zaad uitge strooid dat vaak o zooveel overeenkomst vertoont met het zaad van Gods Woord, maar dat toch straks, als het opschiet, onkruid zal blijken en waardoor niet anders dan bittere bezien zullen worden voortgebracht.
Daarom is het zoo noodig dat er onderscheid gemaakt wordt tusschen waarheid en leugen, tusschen wezen en schijn, tusschen licht en duisternis, tusschen den Geest die uit God is en den geest van den vorst der duisternis.
En nu mag dat vaak moeielijk.zijn om het juiste verschil te weten tusschen wat eenerzijds vrucht is van den Geest uit God en anderzijds vrucht van den geest die in de kinderen der ongehoorzaamheid werkt, maar als we het Woord des Heeren als maatstaf nemen, dan kan toch met dat Woord als richtsnoer de waarheid, van de leugen onderkend worden.
Daarvoor is het echter zoo noodig dat wij in het Woord des Heeren onderlegd zijn en dat we kennis hebben niet slechts van de verschillende stukken der Waarheid, maar ook van het verband waarin deze stukken onderling tot elkander staan. Hebben we dat niet, dan komen we er zoo gemakkelijk toe om een tekst uit Gods Woord te grijpen en met zulk een tekst trachten we dan niet zelden juist het omgekeerde te bewijzen, als wat de Heere daar krachtens bet verband van zoo'n tekst heeft bedoeld. En dan komen wij er in de tweede plaats zoo gemakkelijk toe om ons zelf te verheffen en daardoor menigmaal onbillijk in ons oordeel over anderen te zijn.
O, hoe vaak komt het niet voor dat verschillende gemeenplaatsen der H. Schrift gebruikt worden om de Waarheid tegen te staan en hoe menigmaal geschiedt het niet dat men met het aanhalen van een los Schriftwoord zijn tegenstander geheel meent verslagen te hebben, terwijl deze er straks een tekst tegenover zet, die schijnbaar juist het omgekeerde bewijst. Het zou niet moeilijk zijn dit met enkele voorbeelden te staven.
Daarom moeten we nooit, wat wel eens genoemd wordt, schermen met teksten. Vaak toch verraadt het meer zwakheid dan kracht.
Integendeel we moeten kennis hebben van de eeuwige beginselen die de Heere in Zijn Woord heeft neergelegd. En naar die beginselen, die op ieder levensterrein hun toepassing eischen, moet altoos een zaak beoordeeld worden. We moeten de gansche Heilige Schrift kennen in zijn onderling verband, en mogen Gods Woord niet beschouwen als een wetboek dat ons voor ieder speciaal geval een artikel aan de hand doet, waaraan ge zoo aanstonds maar zien kunt hoe ge handelen moet. Eerst als we na ernstig onderzoek uit de teksten de beginselen leerden kennen, die de Heére voor gansch ons leven in al zijn verhoudingen in de Heilige Schrift heeft neergelegd, dan alleen zullen we het goede kunnen verkiezen en het kwade kunnen verwerpen; dan alleen zullen aan de hand van Gods Woord de geesten beproefd kunnen worden of ze uit God zijn en zijn zij dat niet dan zullen zij door ons onherroepelijk verworpen moeten worden, ja, dan mogen we zelfs naar het woord des apostels, waarmee artikel 7 besluit, zoo iemand tot ons komt en deze leer niet medebrengt hem in ons huis niet ontvangen.
Om dat woord recht te verstaan moeten wij letten op een gewoonte die in de dagen toen-Johannes dezen brief schreef bestond. Het is van algemeene bekendheid dat men in het Oosten gewoonlijk zeer herbergzaam was, en vooral in dien tijd der eerste Christenheid achtte men het zich tot een voorrecht en tot een eer wanneer men den plicht der herbergzaamheid aan de rondreizende gezanten van Christus bewijzen mocht. Voorbeelden daarvan waren het huis van Simon den lederbereider te Joppe waar Petrus tehuis lag en de woning van Lydia te Filippi waar Paulus en Silas zoo gastvrij ontvangen zijn. Door nu zulke rondreizende discipelen of leeraars, die zich voor Christenen uitgaven, te herbergen, gaf men hun natuurlijk ook gelegenheid in zulk een plaats hun leer te verkondigen. Was die leer nu in overeenstemming met het Woord van God, dan kon dit geen kwaad, dan kwam het veeleer de uitbreiding van het Godsrijk ten goede. Maar was die leer met het Woord des Heeren in strijd dan werd door het herbergen van deze menschen niet zelden veel kwaad gesticht. En vandaar dat de apostel Johannes de vrouw Kuria, aan wie hij zijn tweeden zendbrief richt, vermaant om toch met dat herbergen voorzichtig te zijn.
De apostel wil dus met dit woord volstrekt niet zeggen dat wij tegenover degenen die een andere leer brengen, onbescheiden moeten zijn. Dan zou hij in strijd gekomen zijn met het Schriftwoord dat „onze bescheidenheid aan allen bekend" moet zijn. Hij wil alleen te kennen geven dat wij er niet toe. mogen medewerken dat de dwaalleer in onze omgeving zal worden verbreid. Integendeel, hij legt ons den plicht op om de leer der dwaling met alle kracht tegen te staan en ook te dien opzichte is hij geheel in overeenstemming met het woord dat de Heiland zelf eenmaal sprak: „Wacht u voor de valsche profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven."
Wanneer wij dus overtuigd zijn dat er, door wien en in welk opzicht dan ook, leeringen verkondigd worden die in strijd zijn met het Woord onzes Gods, dan mogen we niet slechts niet meewerken dat zulk een dwaalleer ingang bij anderen vinden-zal, maar dan hebben we een roeping om door de verkondiging der zuivere Waarheid dergelijke dwalingen zooveel mogelijk onschadelijk te maken.
Alles wat met de Schrift niet overeenkomt, moet door ons gemeden èn bestreden worden. Zoo blijve het Woord des Heeren het eenig richtsnoer van gansch ons leven, de eenige regel van al ons laten en van al ons doen. Het woord des apostels worde ons niet tevergeefs herinnerd: „Zoovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid en over het Israël Gods."
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's