Stichtelijke overdenking.
De Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. Luc. 9 : 56a.
Niet om te verderven.
Wat 'n pijnlijke onzekerheid, wanneer iemand nadert en ge kent zijne gezindheid niet. Vooral als de wetenschap bestaat: daar is iets te vereffenen, dan klopt het hart. We nemen als voorbeeld de geschiedenis uit 2 Koningen 9.
Op den toren van Jisreël stond een wachter, die rapporteerde: „ik zie een hoop. In de verte zie ik een troep krijgslieden naderen met rassche schreden."
Israels koning geeft onmiddellijk bevel: zend een ruiter hunlieden tegemoet en dat hij zegge: „is het vrede? "
De ruiter verlaat de poort en wat de wachter ziet brengt hij over: „de bode is tot hen gekomen„ maar hij komt weder."
"Weer gaat een ruiter met de vraag des konings op de lippen: „is het vrede? " maar ook wederom heeft hij zich te voegen achter de bende.
De onzekerheid, en dientengevolge de onrust ten paleize wordt nog grooter.
Zelf aangespannen — daar rijdt Joram uit met Ahazia naast zich, Jehu tegemoet. Op den welbekenden akker van Naboth ontmoeten ze elkander.
„Is het ook vrede, Jehu? " zoo klinkt het van verre.
„Wat vrede, zoolang de ongerechtigheden uwer moeder het land verontreinigen !" —; ziedaar het antwoord.
Schrikkelijke werkelijkheid — de persoon, die nader treedt, is een vijand; hij komt om te verdelgen.
De afstand is te klein om te ontkomen; wanneer de pijl, die in zijn hand is, op de boog gelegd wordt en deze doorklieft de ruimte, zoo is het verloren. De gedachte alleen doet reeds huiveren, niet waar?
Nu lezer, van 's hemelswege werd naar de stad, waar wij wonen, en die zoo terecht genoemd is: de stad des verderfs, gezonden de Eengeboorne des Vaders. , Zou de vraag niet alleszins op hare plaats zijn: „is het vrede? "
Zou het verwondering wekken, als de eene bode na den anderen te hooren kreeg: „wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter Mij." En wanneer we bij persoonlijk ontmoeten de boog op ons zagen gericht, zoo zou toch nimmer het verwijt Hem kunnen treffen: aan Uwe zijde schuilt ongelijk.
Neen, het is het wonder bij uitnemendheid, dat Hij nog niet komt als Vrederechter, maar als Vredestichter. Uit Bethlehems kribbe klimt deze prediking op: zoolang de klok van het heden der genade tikt, is er schuilplaats bij den Allerhoogste. Hij vergeldt nog niet. Hij roept met steeds klimmenden ernst: kom toch, Ik wil niet anders dan uw behoud. Hoort naar mijn eigen woorden: „de Zoon des menschen is niet gekomen om des menschen ziele te verderven, maar om te behouden."
Mogen we u dit wonder van. goddelijke genade eens teekenen?
We lezen in ons teksthoofdstuk, dat de Heiland reizende was naar Jeruzalem, de dagen Zijner opneming zouden vervuld worden. Hij neemt ditmaal Zijn weg door het land der Samaritanen. Voordat de nacht daalt, dient er voor onderdak gezorgd. Daartoe worden er boden uitgezonden: ze.zullen Hem herberg bereiden. Maar waarop de discipelen niet gerekend hadden, geschiedde. Ze weigerden beslist. Geene plaats in de herberg. Hem, die altijd hielp en ieder bijstond, gewerd geene hulpe. Neen, de Samaritanen dachten er zelfs niet aan. Een Jood op reis naar Jeruzalem, gaande naar den tempel, neen — ze wilden Hem niet.
De boden kwamen onverrichter zake terug. De Heiland wist het, - 't was voor Hem geene teleurstelling. Even goed als 't Hem bekend was, dat de dagen Zijner opneming vervuld waren, zoo kende Hij ook de gedachten der Samaritanen. Evenwel de discipelen wisten dit niet; zij gevoelden zich tegenover die Samaritanen, die ze in den grond van hun hart verachtten, beleedigd.
„Wat zouden ze wel denken, die Samaritanen! Hun Meester nachtverblijf weigeren!"
„Och Heere", zeggen ze — en daar is waarlijk Johannes ook bij — „Heere, laat ons toe, dat wij vuur van den hemel bidden, om hen te verslinden, gelijk Elia in zijne dagen ook gedaan heeft."
Maar wat is het antwoord? Iets wat er vlak tegenin gaat: eene bestraffing: „gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt."
Uw voelen, uw denken, uw spreken en uw doen gaat precies van den tegenovergestelden geest uit als de Mijne. Niet om te verderven, maar om te behouden kwam de Zoon des menschen. De poorte des hemels werd niet opengestooten door den Engel der wrake, maar de Zoon Gods werd mensch, om zielen te behouden. Men bazelt in sommige kringen van Gods liefde, terwijl men meent het wonder der menschwording te kunnen missen, en het is juist het blijk, waarop des Heeren Woord alle licht concentreert. .
Of staat het er niet duidelijk: „hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gezonden heeft." Ziet, dat is het blijk van Gods liefde. Als niet van Godswege deze gedachte was opgekomen en uitgevoerd, wie had tot den hemel kunnen opklimmen om tot den driemaal Heilige te spreken: „kom, help Gij mij." Immers niemand. Ja, - wie zou er aau hebben kunnen denken ? Geen schepsel ter wereld. Zelfs ging het der Engelen begrip te boven, de menschwording van hun Heere., De volle diepte van het wonder, ze peilden het niet. Toen Hij weerkwam met den vrijbrief van Gods kinderen in de hand, toen begrepen ze, en aanbaden.
En wat zou nu ons voegen?
Wanneer God de Heere in de stille eeuwigheid eens geene gedachten des vredes had gekoesterd, als de Zoon niet als Borg was ingetreden, als de regionen des hemels door Hem niet verlaten ware voor een wijle, dan — ja vul het zelf maar aan — dan waren allen, die mensch heeten, omgekomen, vanzelf in den dood weggezonken.
Ge zoudt u de menschheid kunnen denken als de bemanning op een zinkend schip. Dat schip heeft zich lek gestooten al spoedig nadat het de werf verliet. Het moet zinken en alles wat zich daarop bevindt zinkt mede als niemand hen redt. Aan den voet van den verboden boom, daar viel het lot. Sedert dien dragen wij allen het merkteeken des doods aan het voorhoofd — en ware deze dood nog maar het slot.
Wie zou er aan denken öm die bemanning te redden?
Van den Bouwmeester kunt ge 't niet verwachten. Te meer daar het scheepsvolk het kompas over boprd wierp, dat Hij hun gaf; de kaart van de zee, die zij zouden bevaren, in stukken reet voor Zijn oog. Ze hebben verdiend waarvoor Hij zelf hen eenmaal waarschuwde, den dood. Nooit ofte nimmer behoefden zij meer om te zien naar Hem.
En .... laat het" maar dadelijk gezegd, zij hebben het ook nooit gedaan.
Nooit weer omgezien. Zoo stond het en staat het van 's menschen zijde — en wat deed nu de eeuwige Ontfermer? Hij zond Zijn Eengeboorne. En hoe? wat recht was geweest, recht volgens menschelijke wet, zooals wij doen tegenover elkander, met het slagzwaard om de heupe, om onmiddellijk het vonnis te voltrekken? Neen, niet om te verderven.
Geef mij, lezer — zoek maar waar ge wilt — één .blijk van liefde, grooter dan hier. God zendt Zijn eigen Zoon, als een lam temidden van de wolven. Hij wist het te voren, ze zullen Hem niet aannemen, zij zullen Hem nog verder wegwerpen dan ze eens deden met wat Ik eerst hun gaf. De eerste zonde zal kinderspel schijnen bij wat Hem wordt bereid.
Dit te weten en het dan toch te doen — , Noem mij de naam van dit wonder.
Bij ons was het van tweeën één geworden: of de wereld laten wegzinken in haar eigen jammeren, of de Zoon gezonden om te verderven.
Gods wegen zijn hooger dan onze wegen.
De Zoon des menschen is niet gekomen om te verderven, maar om te behouden. Wat laten deze enkele woorden zich daar gemakkelijk neerzetten, maar weet ge wel, lezer, wat hieraan vast zit?
Het recht moet zijn loop hebben. Als die menschenzielen niet zullen verdorven worden, zal Hij Zijne ziel moeten geven. Al was het slechts om ééne ziel begonnen, zoo moest dit offer gebracht. Golgotha's kruis wordt reeds bij Bethlehem's kribbe gewezen.
Om menschenzielen te behouden moet de Zoon des menschen Zijn ziele overgeven in den dood.
Vraagt eens welk een prijs dit is geweest.
Daalt, eens in het Kedronsdal af en vraagt aan de olijven in Gethsémané of daar niet een zucht heeft geritseld: mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe.
Vraagt eens aan de wacht bij het kruis, of ze de klachte gehoord hebben: „mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten."
Hier is Zijn reine ziel nedergezonken tot op den bodem van de zondezee.
Hij heeft dóór deze overgave van ziel en lichaam dat volk, dat het verdiend had, voor altijd aan het verderf onttrokken.
Hij heeft zich — om nog eenmaal het beeld te gebruiken van zooeven — midden in de zee geworpen, waarin Zijn volk wegzonk. Met dat reuzenpak hunner zonde op Zijn schouder moest de kokende zee van Gods toorn worden doorkliefd. Wat niemand ooit zou hebben gekund, dat kon Hij, als God, zijnde de Eengeboorne. Hij kwam door de branding heen, de kust werd beklommen, maar 't had Zijn dood gekost.
Doe nu ééne schrede naderbij, lezer. Zie dit wonder eens van dichtbij.
De zonde, die Hij op den schouder had, is weggezonken en de zondaar, dien Hij kwam redden, behouden.
't Was bij Zijn geboorte reeds gezegd: Gij zult Zijn naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden.
Zijt gij reeds door Hem behouden, lezer, of hebt ge nog nooit gezien, dat buiten Hem overal de dood grijpt?
Behouden, daaraan gaat „verloren" vooraf.
Als ge dit. nog niet verstaat, vraagt er den Heere om zonder ophouden, of Hij 't u leeren wil. Bij Hem klopt nimmer iemand tevergeefs. En wie het bij ervaring weet, dat de Heere niet kwam om te verderven, maar om te behouden, hij kleve aan zijn Redder vast.
Wat dichter bij Hem, wat heerlijker leven. Wat dichter bij Hem, wat zaliger sterven.
Dat het gebed van uw lippen niet wijke:
Heer, ik voel mijn krachten wijken En bezwijken. Haast U tot mijn hulp, en red. Red mij, Schutsheer, God der goden, Troost in nooden, Groote Hoorder van 't gebed. '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's