Uit het kerkelijk leven.
„De zilveren koorde."
IX.
Men moet in deze kwestie niet te boud, te radicaal spreken. Men moet niet te véél willen bewijzen, want dan bewijst men niets. Maar naar voren te brengen, dat de aard en het wezen van de Kerk van Christus meebrengt, dat zij zelf moet onderhouden, wat er in haar midden te onderhouden is, en dat zij zelf moet doen, wat er in haar midden te doen is, mag als noodzakelijk beschouwd worden in onze dagen.
Want men is zoo geneigd om meer het oog te hebben op de Overheid dan op de Kerk en meer te spreken over 'tgeen de Overheid verplicht is dan de Kerk doen moet, naar Gods ordinantie.
Alles wat met het Evangelie in verband staat, moet van het Evangelie kunnen leven.
Kerk, armen en Zending; — omdat de Gemeente des Heeren in Jezus Christus een Hoofd en Heiland heeft, die leeft tot in eeuwigheid en bekleed is met heerlijkheid en macht in den hemel en op de aarde.
Die innige en rijke gemeenschap van de Gemeente met Christus is b. v. in het Avondmaalsformulier zoo heerlijk omschreven.
En dan moet het geen dood betoog zijn.
Dan moet het heerlijke werkelijkheid in het midden van de Gemeente zijn.
Waardoor de Gemeente zoo rijk is, hebbende eeuwige voorraadschuren in de hemelen, die de Heere beloofd heeft te zullen openen voor allen, die op Zijn Naam betrouwen en naar Zijn wetten leven.
Daar moeten we telkens aan herinnerd worden. Boven staat de schatkist. (Haggaï 2 : 9.)
De zilveren koorde moet opwaarts loopen om ons te verbinden met Sions Koning.
Dan zal de Gemeente geen armoe behoeven te lijden. Integendeel, dan is haar brood gewis.
Dan zal ook de Gemeente zelve opwaken. Dan leunt men' niet op de Overheid.
Maar dan komt „de sikkel des heiligdoms" weer voor den dag.
Dan gaat men niet met „kerkcenten" naar Gods huis.
Dan worden weer tienden gebracht van het inkomen; de weduwe van haar inkomen en de rijke van zijn bezittingen.
Waarom is men zoo bang om in onze dagen van die goddelijke ordinantie te spreken ? Waarom wordt niet veel meer gedaan, wat onder Israel gedaan werd, gelijk we lezen in 2 Kron. 24 : 9: en men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men den Heere inbrengen zou de schatting van Mozes." Dan kon men met koning Jójada een kist maken en aan de poort van het huis des Heeren stellen en dan zou weer geschieden wat in vers 10 staat: toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in en wierpen in de kist, totdat men voleind had, "
Laat er een kerkelijke belasting komen. „De schatting van Mozes", „de sikkel des heiligdoms." Voor allen „van twintig jaar oud en daarboven." Ex. 30:14.
Dan zal men zien, wat David en Salomo gezien hebben, dan zal er komen goud en zilver en koper.
Niemand in Israel onttrok zich aan deze dingen.
En in dezen weg hebben ook steeds de vorsten, als voedsterheeren der Kerk, zich bewogen.
In den weg van den sikkel des heiligdoms. De offerkist aan de deur van het huis des Heeren.
Nooit hebben de vorsten het op politiek terrein getrokken.
De Kerk des Heeren heeft een eigen terrein.
En wanneer men daar in geloove staan mag, dan heeft de Kerk het goed.
Eigenaardig is in deze wat in Frankrijk gezien wordt na de scheidingswet.
En door Roomschen èn door Protestanten is daar de scheidingswet een bevrijdingswet of vrijheidswet genoemd.
De heer Raoul Allier toch heeft aangetoond, dat het Protestantisme er wél bij vaart, nu de Staat zich geheel heeft teruggetrokken van de Kerk.
In 1905, het laatste jaar dat subsidie ontvangen werd, betaalde de Staat en de Gemeentebesturen aan de Luthersche en Hervormde Kerk van Frankrijk en Algerië een gezamenlijk bedrag van 2, 007, 700 francs. De Synoden en plaatselijke Kerkbesturen betaalden 309, 934 francs.
Het geheele bedrag, dat aan de twee offcieele Kerkgenootschappen in 1905 werd besteed, was dus 2, 317, 634 francs.
En thans (in 1910), vijf jaar na de scheiding, welke volgens de tegenstanders zoo noodlottig voor de Kerken moest worden, is het bedrag, dat in beide Kerkgenootschappen is saamgebracht, nog 1/2 millioen francs hooger dan vroeger door Kerk en Overheid saam werd gegeven.
Wat men nu niet zóo moet uitleggen, dat in dezen kritieken tijd veel hulp van buiten of van allerlei vereenigingen is ontvangen. Want de zendings-en evangelisatie-kassen zijn inmiddels ook aanmerkelijk toegenomen ! De oflervaardigheid in eigen kring is gestegen.
Men heeft een contributie-heffing, die uitnemend werkt. Hoewel alles nog niet voldoende geregeld is.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's