Stichtelijke overdenking.
Zijne discipelen nu, dit hoerende, werden zeer verslagen, zeggende: wie kan dan zalig worden ? En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen : Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Matth. 19 : 25, 26.
't Onmogelijke mogelijk
Opdat liefelijk zullen zijn op de bergen de voeten desgenen, die den vrede boodschapt, zal 't noodig zijn, dat zondesmart gekend, zielenood gevoeld wordt. Zonder smart geene vertroosting; zonder nood geene verlossing. Als de Wet niet opschrikt en uitdrijft, wordt ook niet gesmaakt van de liefelijkheid des Evangelies.
Aan woorden is in deze geen gebrek, doch 't komt aan op waarheid en oprechtheid in het binnenste. De zonde van den mensch in 't algemeen wordt breed genoeg uitgemeten, maar zoolang het bij ons geene persoonlijke werkelijkheid wordt, is de algemeene mensch de kapstok, waaraan wij den mantel onzer verdorvenheden ophangen, opdat wij zelf er niet door ontsierd zullen worden.
Bij de discipelen des Heeren was dit anders geworden. De verslagen vraag: „wie kan dan zalig worden? " was oprecht bij hen.
De Heiland had dat ontzaglijk woord gesproken van den kemel, die lichter gaat door het oog van een naald, dan een rijke in het Koninkrijk der hemelen, en dat had hun ziele zoo ter neer geslagen. Want ze voelden wel, die jongeren, dat hier niet maar gesproken werd van den rijke in aardsche goederen, maar dat hier een rijkdom was bedoeld, die voor eiken mensch een onoverkomelijk struikelblok legt op den weg ten leven. En zoo was 't hen op eenmaal klaar geworden, klaarder dan ooit, dat uit den mensch geen vrucht is in der eeuwigheid; dat al 't hunne niet bestand was in de wan van Gods gerichten, niet opwoog tegen de zwaarte van de eischen der Wet.
Een kemel lichter door het oog van een naald dan een rijke, d. w. z. dan een die leunt op 't eigen ik, in het Koninkrijk der hemelen!
Kent ge een kemel, lezer ? Wat een gevaarte, niet waar? Neem daarnaast nu het nauwelijks zichtbare oog eener naald. En merk dan op: licliter gaat nu dat logge gevaarte door die luttele spleet, dan een in zichzelf verrijkt zondaar in het Koninkrijk der hemelen! De onmogelijkheid zelve.
't Ondoenlijkste van alle ondoenlijkheden. Een vergelijking, die een glimlach te voorschijn zou roepen, ware het niet, dat ze zoo'n verpletterend vonnis over ons inhield.
De jongeren des Heeren hebben 't verstaan. Dit ontzettende oordeel zonk in hunne ziel. Deze ontzaglijke waarheid drong als een tweesnijdend scherp zwaard in hunne ziel; vergruizelde als een moker, die de steenrots vermorzelt, alle verwachting in hen opgebouwd op hun ijver en goed bedoelen. En 't bevreemde ons niet. Immers 't woord van den Heiland beduidde de volslagen onttrooning van het eigen ik, dit woord is als de stormwind en regenslag, die 't huis op den zandgrond verzwelgen.
Den natuurlijken mensch is deze rede te hard, te scherp, te snijdend, te ontmoedigend voor den mensch, die zich beijvert. Hij verdraagt 't niet. Afkeer laait op in zijne ziel tegen een Heiland, die zoo openlijk 's menschen schande tentoonstelt.
Met zulke woorden heeft Jezus in 't Israelietische volk doen ontbranden dien haat, die straks niet rusten zou voor Zijn bloed den kruisheuvel verfde en Zijn Naam aan 't vloekhout was gespijkerd.
Dat wist de Heiland, maar dat weerhield Hem niet. Hij was de Waarheid. Daarom had Hij niet om 't hoofd op neer te leggen. De wereld wil bedrogen zijn, en wie haar daarin stoort, kan op haar vijandschap en haat bedacht zijn.
Doch dit is niet de eenige uitwerking, die de Waarheid op haar hoorders geeft. Ziet maar de discipelen.
Zij hadden goed gehoord. Zij voelden, wat Jezus daar van den rijke zei, betrof ook hen. En zij werden er niet wrevelig onder; maar zeer verslagen en zeiden: „wie kan dan zalig worden? "
Zij bogen het hoofd, 't Was hun ernst, 't Had hen diep getroffen, 't Boek hunner verlorenheid was opengeslagen, zij lazen er in en 't zonk in hunne ziel. 't Duister der zielsverslagenheid daalde neer over hun binnenste.'
De Heere Jezus had hun hand gevat en hen ingeleid in het donkere AchandaL. En daar bleef hun niets over. Daar leed hun ziel bankroet.
De rietstaf, waarop zij geleund hadden, brak door en door wondde hunne hand. Zij voelden geen grond meer onder hunne voeten, 't Werd eene afgésnedene zaak. Wie kan dan zalig worden ? Uit de verslagenheid huns harten sprak hun mond.
Wien uwer, lezers, is het vergaan als dezen ? Gij moet het allen immers toestemmen, dat gij tot uwe zaligheid niets kunt toedoen.
Maar kunt gij nu ook, wanneer gij zoo spreekt, den onderzoekenden blik van Jezus doorstaan ?
Want immers, toen de discipelen hun verslagen vraag hadden uitgesproken, zag Jezus hen aan. Of 't hun ernst was, dan wel lippenwerk slechts. Of 't uit hun hart was opgeweld, dan wel een pareeren van den heiligen stoot der waarheid naar hunne ziel.
Moest hen de Heiland daartoe aanzien? Had Hij daartoe noodig van hun aangezicht, den spiegel hunner ziele, af te lezen wat daarbinnen in hen omging ? Volstrekt niet, lezer; maar zoo wilde Hij doen, zeker mede ook om hen te doordringen met waarheid in hun binnenste.
Zoo doet gij, menschen, ook onder elkander. Als één uwer iets zegt of vertelt dat van belang is, dan ziet ge op en blikt den spreker in 't gelaat, om daar als 't ware bevestiging van het gesprokene te vinden; in den ernst der gelaatstrekken zoekend een kenmerk der waarheid.
Bedenken wij het wel, mijn lezer, zoo doet de Heiland altijd, als wij spreken van Zijne Waarheid. Wij achten 't vaak zoo licht, met onware harten, met een hart dat er niet bij is, allerlei ernstige, vaak-het-eigen-ik-vernietigende waarheden te zeggen. Maar dan ziet Jezus ons aan.
Dan blikt van omhoog die heilige Hartekenner neer, om te zien of innerlijk bij ons leeft, wat uiterlijk beleden wordt.
Bijzonder als daar gesproken wordt van 's menschen groote zondaarsellende, als wij erkennen midden in den dood te liggen en genade alleen ons kan opheffen uit ónze diepe verlorenheid, o dan bijzonderlijk daalt van omhoog die onderzoekende blik van den Proever der nieren, om te zien of er waarheid in ons binnenste woont.
Aangrijpend is de gedachte, dat er met Waarheid zooveel gelogen wordt. Dat de mensch, schuilend achter deze onmacht, zoo vaak heimelijk de schuld zijner ellende op God schuift. O,dan twist de potscherf met den pottenbakker, en de zaag met dien, die ze trekt.
Jezus, hen aanziende!
Woorden, ontroerend door hun ernst. Als Jezus u aanziet, dan baat geen veinzen meer. Dan keert geen masker Zijn aldoorglurenden blik. Dan sluit geen deur of vensterluik Zijn vorschend oog buiten de kameren der ziel.
Dat dan, o lezer, uw harte amen zegge op de belijdenis uwer lippen. Zoo was 't bij de discipelen. Uit de verslagenheid huns harten klaagde de mond. In hen was iets van wat straks een Simon-bar-Jona zou , uitroepen: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ons hart verslagen is binnen in ons, en onze ziel zich nederbuigt onder den druk dier kreukelooze waarheid.
Dan is 't goed, lezer, als de Heere onder uw klachten uw hart verslagen ziet, als 't belijden van uw onvermogen ten leven geen lippentaai, maar harteklacht wezen mag.
Want als uw klacht waarachtig is, heeft de Heere een antwoord voor u, dat niet minder waar is; een antwoord, ' dat' moed en troost beide geeft: Bij de. menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. Merk op, dat de Heere nu niet halverwege terugkomt op wat Hij eerst zeide, en Zijn jongeren zoo verslagen maakte. Neen, klaar , en onomwonden spreekt Hij 't uit: bij u is dat onmogelijk. Hij pleistert niet met looze kalk. Hij dekt niet dicht met vijgeblaren.
Hij geeft aan wie tot Hem de toevlucht neemt, geen rietstave in de hand; neen. Hij heeft en geeft den stok en staf, die vertroosten tot in het dal der schaduwen des. doods.
Bij de menschen onmogelijk. Dat voorop! 't Afzien van onszelf moet radicaal zijn. Van dien kant daagt nimmer heil.
Zie naar die zijde dan niet uit; zie hooger op. „Maar bij God zijn alle dingen mogelijk"! Zie daar het licht uitstralend in de donkerheid van den nacht der zonde en verlorenheid.
Ziedaar, nu 't water aan de lippen was, de redding gekomen; 't uur der bevrijding geslagen. Dat alleen is machtig, om uit verslagenheid op te beuren, in droefheid te vertroosten. De morgenstond der hope breekt door de nevelen van den zondenood heen.
Hier ziet ge 't, mijn lezer, dat het beter is in de hand des Heeren te vallen dan in die der menschen, want Gods barmhartigheden zijn vele en Zijn ontferming is alvermogend.
Wie van Gods woorden nog klaagt: ze zijn hard, wie kan dezelve hooren, hij ziet met, dat de Heere doodt om weder levend te maken, om 't ware leven te schenken; dat Hij doorwondt, opdat Hij heelen zal; dat Hij smart aandoet, maar opdat Zijne handen verbinden zuilen. Zoo doet God.
Hij spoelt door den golfslag Zijner gerechtigheid den zandgrond weg, opdat Hij er de Rots der Eeuwen voor in de plaats stelle.
De Heere leidt ons in het donker, in de groote wateren, in de branding, opdat wij in de benauwdheid tot Hem leeren roepen, en Hij ons genadig zij. Als tot op den grond de luchtkasteelen hunner eigene verwachtingen en gerechtigheden zijn afgebroken, plant de Heere den Naam Zijner ontfermingen in 't midden van een arm en ellendig volk, als een sterke toren en vaste burcht, als een Hoog Vertrek, opdat de bedrukten Zijns volks daarin schuilen zouden.
Bij God zijn alle dingen mogelijk.
Zoo roemt de barmhartigheid tegen het oordeel.
Zoo roept de stem des Redders, Die uitgaat om weggedrevenen weer te brengen.
Volstrekt, afdoend, geen zweem van twijfel overlatend! Alle dingen.
Dus ook de redding mijner verlorene ziele? vraagt een door onweder voortgejaagde.
Ook die; tot prijs van Gods genade, die wonderen doet.
Hoe zal 't den discipelen onder deze dingen te moede geweest zijn. De weg door 't verloren Paradijs naar den boom des levens was voor eeuwig toegemuurd; dat maakte hen verslagen. Nu echter wordt voor hun voet opengelegd die versche em levende weg, door God zelf gebaand, de weg der genade. En die weg leidt naar den hemelschen Boom des Levens, in het eeuwige Paradijs Gods.
Welbewaard, veilig geborgen is de ziel, die zich in leven en sterven aan den Heere mag toevertrouwen. Als 'tscheepke ondergaat in de woelende branding, en alle redding lijkt afgesneden, ruischt 't van omhoog boven het rumoer der golven tot dien, die in verschrikking is: Wees stille, als ziende den Onzienlijke; want bij Hem is alles mogelijk, ook uwe redding.
Zijt ook gij ïn die veilige schutse reeds geborgen, mijn lezer? Schud die vraag niet van u af. Vertrouw uw eigen wegen niet. Eens voeren ze u in den dood. Lichter gaat een kemel door 't oog eener naald dan gij, omhangen en beladen met uwe eigene gerechtigheden, door de nauwe poort in het eeuwige leven.
Kniel dan voor Immanuel. Laat toe, dat Hij u ontledige, opdat uwe ziele hongere naar Zijne gerechtigheid. Opdat Hij u geve sieraad voor asch, en 't gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Schuil onder Zijne vleugelen. Bij Hem wordt 't onmogelijke mogelijk; 't ondoenlijke tot eeuwige werkelijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's