Staat en Maatschappij.
Een baken ter waarschuwing.
Tengevolge van de ontbinding van den Rijksdag hadden in het eind van de vorige week de verkiezingen voor het Duitsche Parlement plaats. Tot de 206 Rijksdagleden, die bij eerste stemming gekozen werden, behoor-den 64 Sociaal-Democraten. Bij de herstemmingen zijn nog 120 candidaten van deze partij betrokken. Het aantal afgevaardigden in den ouden Rijksdag van 53 klom voor de Sociaal-Democratische fractie dus dadelijk reeds met 11. Niet minder dan vier en een kwart millioen kiezers stemden rood.
Het Volk, het orgaan van de Nederlandsche Sociaal-Democratische Arbeiderspartij is natuurlijk niet weinig in zijn schik. Het blad verklaart dat in elk geval de Sociaal-Democratie een sterke positie in den nieuwen Rijksdag zal innemen.
Deelen wij nu voorts mede, dat het Centrum de R. K. partij in Duitschland, bij eerste stemming 81 mandaten verkreeg, dan konden de andere groepen als de conservatieven, de rijkspartij, de nationaal-liberalen enz. slechts 61 zetels bezetten.
Ziedaar het resultaat van de verkiezingen in het Protestantsche Duitschland.
Maar is deze uitslag eigenlijk wel te verwonderen ?
Immers neen! Onder het Protestantsche deel der Duitsche natie wordt elke opwekking in het godsdienstige leven gemist. De Duitsche „Landeskirche" (Staatskerk) kan het volk niet bezielen, de belangstelling voor de Kerk van Christus vermindert, de gebouwen slaan des Zondags ledig; het nog ter kerke gaand publiek wordt niet meer in zijn conscientie gegrepen.
In de Staatskerk heerscht de rust van het kerkhof.
Stel daartegenover nu het opgewekt Kerkel. leven ten onzent, de opleving en de doorwerking van het gereformeerd beginsel in onze kringen. Merk op hoe hier te lande een krachtig ontwaken — ook in de Ned. Herv. Kerk komt — om weer naar het Woord Gods te gaan leven, hoe de belangstelling toeneemt, om op alle terreinen des levens voor de eere Gods op te komen, dan zouden wij het de Duitsche Overheid wel willen toeroepen: „Schudt dit dood lichaam van een Staatskerk van u af." Germanië moge voor het oog der wereld een groot en machtig Rijk zijn, maar geestelijk staat het aan den rand van den afgrond. Daar is geen kracht meer om zich uit den geestelijken ondergang op te heffen en staatkundig wordt het op den langen duur een prooi van het Socialisme.
Mr. Troelstra heeft het eens gezegd, dat de grootste tegenstanders van de Sociaal-Democratie de Antirevolutionairen zijn.
Dit is te begrijpen. In de antirevolutionaire partij komen de Calvinistische beginselen tot uiting, en daar waar de religie geëerd en geliefd is, daar kan de worsteling tegen de partijen des ongeloofs niet uit uitblijven.
Niets profijtelijker voor het Socialisme, dan wanneer het godsdienstig bewustzijn in een volk slaapt, geen hoogere geesteseenheid wordt gekend, en de Kerk als zoodanig haar roeping niet verstaat.
Een bodem, waarop het modernisme tiert, is ontvankelijk voor het zaad van het Socialisme, maar de plaats waar naar Gods Woord wordt geleefd, daar krijgt de Socialist den scheidsbrief.
Zoo staat Duitschland in het leven der der volkeren ook voor ons land tot een baken ter waarschuwing.
Zondagsrust voor de post.
Sinds 15 Jan. zijn op de postkantoren verkrijgbaar strooken, waarop afgedrukt staat: „Niet bestellen op Zondag." De brieven of drukwerken, die van zulk een strook voorzien zijn, blijven des Zondags op het postkantoor onbesteld liggen.
Alhoewel wij ons over deze beschikking van den Minister van Waterstaat verblijden — en wij hopen dat velen zich die strooken zullen aanschaffen — omdat daaruit blijkt dat ook de Overheid met den Zondag rekening wil houden en dit goede voorbeeld allicht door anderen wordt nagevolgd, zijn wij met dezen maatregel toch nog niet voldaan.
Wij hadden zoo gaarne de genomen beschikking anders gezien én wel zoodanig, dat er ten postkantore, zoo er bestelling op Zondag moet plaats vinden, strooken waren te verkrijgen geweest: „Op Zondag bestellen." Dat het dus regel zou zijn, om de brieven en drukwerken op Zondag niet te bezorgen, en alleen dat in het geval men eene bestelling op dien dag wenschte, men dien wensch door het aanhechten van de strook uitdrukkelijk moest te kennen geven.
Thans volgt men den omgekeerden regel. En dit spijt ons.
Nog geen gelijkstelling.
De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft in een aan de Tweede Kamer overgelegden staat enkele belangrijke cijfers medegedeeld, die een overzicht geven van het aantal gesubsidieerde bijzondere lagere scholen benevens het aantal leerkrachten aan en leerlingen op die scholen, zoomede van de subsidiebedragen ten behoeve van die scholen door het Rijk uitgekeerd, een en ander gesteld naast gelijksoortige opgaven betreffende de openbare lagere scholen.
Uit dien staat blijkt, dat het aantal scholen waar bijzonder onderwijs gegeven en subsidie genoten werd voor het jaar 1909 bedroeg 1839 scholen met een aantal leerkrachten van 8473. Het aantal leerlingen dat die scholen bezocht was 320418, . terwijl aan subsidie werd uitgekeerd f6, 300, 811, 81. Op de openbare school 3273 in aantal waaraan 16148 leerkrachten verbonden, ontvingen 56343 kinderen onderwijs en was het bedrag der subsidie f 7, 717, 555.525.
Deze cijfers hebben de bladen der linkerzijde aanleiding gegeven om aan de voorstanders van bijzonder onderwijs de vraag te stellen, wat er nu eigenlijk van de klacht overblijft dat er geen gelijkheid zou zijn tusschen het openbaar en bijzonder onderwijs. Sommige bladen dikten hun vraag nog aan door te gewagen van een „legende". Immers zoo schrijft men van dien kant, dat de subsidie die het bijzonder onderwijs verkrijgt ten bedrage van f 6, 300, 811, 81 met een cijfer aan leerkrachten van' 8473 en een aantal leerlingen van 320418 ten behoeve van 1889 scholen vergeleken met een subsidie aan 3273 openbare scholen m. 16148 leerkrachten en 563438 kinderen van f 7617, 555, 52 ten nadeele van laatstgenoemde scholen komt en ten voordeele van het bijzonder onderwijs.
Nu moge zoo op het eerste gezicht op deze opmerking van de linksche pers niet veel zijn in te brengen. Toch mogen wij voorshands op twee punten even de aandacht vestigen die een geheel ander licht op de subsidie-kwestie werpen.
In de eerste plaats wordt volgens art. 53 der wet tot regeling van het lager onderwijs heel wat aan extra subsidie aan de gemeenten uitgekeerd tot een behoorlijke inrichting van haar lager onderwijs; subsidies die de Minister naar het ons toelijkt in dien Staat niet in rekening heeft gebracht.
Maar in de tweede plaats wordt het tekort aan subsidie voor Schoolbouw benevens de minima traktementen der openbare onderwijzers voor het openbaar lager onderwijs enz. door de gemeenten bijgepast, terwijl voor die aangelegenheden bij de bijzondere school de aanvulling door de schoolbesturen moet plaats hebben.
Aan de gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs ontbreekt dus nog heel wat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 januari 1912
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's