De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ned. Herv. Jongelingsbond.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ned. Herv. Jongelingsbond.

12 minuten leestijd

Rooster van Werkzaamheden.

A. Nederl. Geloofsbelijdenis.

Wie niets gelooft heeft ook geen geloofsbelijdenis.

Waar geloof is komt ook een geloofsbelijdenis groot of klein. Want 't geloof heeft behoefte om zich uit te spreken, om zich te verdedigen — met begeerte ook om zich voort te planten onder anderen. Rom. 10:10, Matth, 10:32, 33; 1 Petr. 3:13.

De Gereformeerde belijdt, dat de kerk van Godswege geroepen is haar geloof te ontvouwen, hebbende de gave des H. Geestes, die inleidt in alle waarheid.

Vandaar dat de Gereformeerde de Ned. Geloofsbelijdenis liefheeft, als de belijdenis der kerk; als een gave Gods. Want wij gelooven in onze Ned. Geloofsbelijdenis een stuk te hebben conform d. i. in overeenstemming met Gods Woord.

Vandaar de vijandschap tegen die belijdenis, omdat er zooveel vijandschap is tegen Gods Woord; bij spotters, maar ook bij velen die alleszins godsdienstig zijn.

Des te meer ligt er de roeping voor gereformeerde jongelingen (de toekomst van onze kerk!) om de geloofsbelijdenis te kennen, te onderzoeken, te bespreken. En de Heere schenke dat de onderzoeking er van gericht moge zijn op de eere Gods en dat het nog Geestes vruchten mag achterlaten voor hoofd en hart. (lees 2 Tim. 3:5.)

Onze Ned. Geloofsbelijdenis in 37 art. is opgesteld door Guido de Bres (of de Bray) in 1562. Lees hierover wat in de Waarheidsvriends gestaan heeft no. 45, 1ste jaargang, 7 Oct. 1910 en volgende nos. en wat te vinden is in het boekje  "de Drie Formulieren van Eenigheid" uitgegeven door Ds. M. van Grieken (bij Kemink & Zoon te Utrecht.)

ART. I.

De belijdenis des christens is niet opgelegd, maar springt als water uit de fontein, 't Is een vrije geloofsuiting. En 't voorwerp van het geloof is niemand anders dan ... 't Gaat niet over 't geen de mensch is, maar wij gelooven dat er is ....

Geenszins kunnen wij God beschrijven. Waarom niet? Job 36:26. Daarom moet God zich aan den mensch openbaren. Uit die openbaring kennen wij Hem. Daarom de gebondenheid van den christen aan Gods Woord. Waarin we lezen, dat God is  Joh. 4:24.

Een Wezen d.i. God is uit en van zich zelf. Hij is de Bestaande, die onafhankelijk is van iets of iemand. Ex. 3 : 14.

Een .... Wezen. De dingen Gods worden ook alleen .... verstaan. De aanbidding moet ook zijn in .... en .... Joh. 4:24. God is onstoffelijk, onzichtbaar. Hand. 17 : 2g, 1 Tim. 1:17; Ex. 33 : 20, Jes. 40 : 18.

Van dat geestelijk wezen belijdt de christen dat het is eenig en eenvoudig. Eenig : Deut. 6 : 4, Deut. 32:28; Ps. 73:25, 26, 1 Cor. 8:5, 6. Eenvoudig: niet saamgesteld; Hij is alles wat Hij zijn kan. Ex. 3:15. Alles wat in God is, is God zelfs zegt a. Brakel. 't Geldt de bestaanswijze Gods. Niet zijn eigenschappen. (No. 8 de Waarheidsvriend, 2de jaargang). Dan over Gods eigenschappen, die we gewoonlijk onderscheiden in ."... Waarom ?

Art. 1 zegt dat God eeuwig — onbegrijpelijk — onzienlijk — onveranderlijk — oneindig — almachtig — volkomen wijs — rechtvaardig — heilig — goed — een zeer overvloeiende fontein van alle goed is.

Werk dit alles kort en duidelijk uit.

Gebruik vooral: Sions roem en sterkte van Ds. A. Rotterdam. Zie daar 't inleidend woord, de voorrede en 't historisch overzicht der geloofsbelijdenis.

B. Vrij onderwerp.

De wonderen van Mozes en de tooverkunst der Egyptenaars.

Lees Exod. 7:10, 11, en Joh. 3 : 10, 11. Een wonder in den eigenlijken zin des woords, is eene buitengewone openbaring van Gods macht en werkzaamheid, terwille van een bepaald, gewichtig doel. De schepping, zoowel als de alom werkzame voorzienigheid of regeering van God, zijn gewone openbaringen van Gods macht, een wonder daarentegen is een buitengewone openbaring, zegt een zeker schrijver. Daarom verdeelt hij de wonderen in 2 klassen en wel »oorspronkelijke« n.l. die welke God zelf gedaan heeft, en «ontleende«, n.l. die bij welke iemand door God gebruikt wordt als werktuig. Wonderen V. d. Heere Jezus oorspronkelijke, van Mozes, Elia enz. ontleende.

Wonderen van Jezus teekenen Zijner Goddelijke Zending. Zie daarover Joh. 3:11— 15:24. Lukas 7 : 20, 21, 22— Jes. 35 : 4, 5, 6. Nikodemus handelde dus zeer verstandig, terwijl hij van Jezus' wonderen tot diens Goddelijke Zending besloot.

Tusschen de wonderen, die Mozes verrichtte en dat, wat de Egypt, toovenaars deden, is groot onderscheid.

a. Mozes en Aaron Gods dienstknechten; de toovenaars goochelaars van beroep.

b. Mozes' wonderen oorspronkelijk; de kunsten der toovenaars nabootsingen.

c. Mozes' wonderen in 't openbaar en troffen gansch Egypte, de toovenaars voor Farao en zijn knechten.

d. Mozes' wonderen in de kracht Gods en tot verheerlijking Gods, Egypt, toovenaars deden het voor den koning en voor hun voordeel.

e. Mozes' wonderen verlossende en zegenrijke daden Exod. 8:8—15; de kunsten der toovenaars verderfelijk.

f. Doel van Mozes' wonderen (bevrijding van een arm, onderdrukt volk) — van de kunstenaars verblinding.

Werk deze punten beknopt uit. Voorts blijkt dat men de kunsten der toovenaars verkeerdelijk wonderen noemt.

God laat zulke kunsten soms toe zie Exod. 7:11— Deut. 13:3, I Cor. 11:19. Zie verder Matth. 24 : 24— 2 Thess. 2:9, Openb. 13:13. Zie ook 2 Tim. 3 : 8.

Beschrijf 't ongeloof dat niet gelooft aan Gods wonderen, maar wel de tooverijen van menschen, als kaartlegsters — zwarte kunst enz. Zeer juist schrijft een zeker schrijver: "Het ware door Gods Geest bewerkte geloof bevrijdt van alle bijgeloof, en het ware Christendom verafschuwt alle geestdrijverij en toverij. Hij kent geen wonderen, dan slechts die, welke God, hetzij dan middelijk of onmiddelijk, doet en gedaan beeft; zij zijn het ook, welke alle ter eere Gods en tot heil der menschen strekken, terwijl de ijdele kunsten der menschen noch het een, noch het ander doen. En gelijk God wonderen gedaan heeft, zoo doet Hij er ook thans, voor welke de meesten, helaas! geene oogen hebben. De schoonste van al zoodanige wonderen, als Hij er dagelijks nog verricht, zijn de bekeeringen van arme, verlorene zondaren, de bevrijding van ellendige slaven uit het diensthuis van Farao en der zonde. Dat zijn genadewonderen, wonderen Gods, die Hem zelf de grootste eer bereiden, al mogen de menschen er ook mede spotten en de duivelen woeden, toch verheugen er de engelen zich over en roemen ze Gods kinderen, en niemand is er die deze wonderen kan nabootsen.«

C. Voordrachten.

Wie geen enkel voordrachtboekje heeft, vrage maar bij bewerker van het rooster.

B. te H.

Vergaderingen.

Wilnis. Maandag 29 Januari hoopt voor onze Jongel. Ver. alhier, in een gewone godsdienstoefening, op te treden, de WelEerw. Heer Ds. J. H. F. Remme van Rijssen. Deze vergadering in de Ned. Herv. Kerk begint des avonds 6 1/2 uur. Alle belangstellenden worden dringend uitgenoodigd deze samenkomst in Godshuis bij te wonen, om het Woord te hooren bedienen in betrekking tot het Jongelingsleven. HET BESTUUR.

ZEIST. Dinsdag 30 Januari zal D.V. Ds. J. H. F. Remme van Rijssen, 2de Voorzitter van onzen Jongel. Bond, voor onze Vereeniging "de Heere is mijn Banier" optreden. Het onderwerp, door Z.Eerw. alsdan te behandelen is nog niet bekend. De Heere geve veel belangstelling en een goeden avond!

HET BESTUUR.

MONSTER. Woensdag 17 Jan. j.L trad in de Herv. Kerk alhier voor de Jongel. Ver. op Ds. M. van Grieken, van Delft, met het onderwerp: Babel of Jeruzalem.

DE CORRESP.

HUIZEN. Maandag 15 Jan. des avonds half 7 uur hield de Chr. Knapen-Vereeniging «Spreuken 22 : 6« uitgaande van de Chr. Jongel. Vereeniging «Samuel« onder aanwezigheid van den Eere-voorzitter Ds. v. d. Sluis, vele ouders en begunstigers en eenige belangstellenden haar derde jaarvergadering in het gebouw «Excelsior«.

De Voorzitter de heer Bongers opende deze vergadering met 't doen zingen van Ps. 25 : 3 en gebed, en las 1 Samuel 3, waarna hij alle aanwezigen hartelijk welkom heette en eenige woorden sprak naar aanleiding van de roeping van Samuel uit 1 Sam. 3.

Uit het verslag van den Secretaris bleek, dat de vereeniging 95 leden en 29 begunstigers telt.

Daarna kwamen de leden aan het woord, die ons eenige onderwerpen over Bijbelsche-, Kerk-en Vaderlandsche Geschiedenis, afgewisseld door eenige samenspraken en voordrachten lieten hooren, waarna, na een kort woord van dank aan  alle aanwezigen voor de trouwe opkomst, de voorzitter deze goed bezochte vergadering met dankzegging sloot, en een ieder zeer voldaan huiswaarts ging.

G. Kos, Secretaris.

Kerkgeschiedenis.

Petrus, met Jacobus en Johannes, de voornaamste der Apostelen te Jeruzalem zijnde, heeft na den dood van Jacobus, Johannes' broeder, die stad verlaten.

Veel weten we van Petrus' reizen en trekken niet. Alleen wordt van hem bericht, dat hij korten tijd vertoefde te Antiochië en Syrië en langer tijd in Babylonië, waar vele Joden woonden.

Waarschijnlijk is het, dat Petrus nooit te Rome is geweest. Indien Petrus de stichter van de gemeente daar geweest" was, zou Paulus (Rom. 2 : 9—13) niet zoo'n sterke begeerte gehad hebben er het Evangelie te verkondigen, daar we weten, dat hij liefst niet tot eens anders werk inging (Rom. 15:20) Ook zou dan van den arbeid van Petrus door Paulus in zijn brieven wel iets vermeld zijn geworden en in hoofdstuk 16 zou er wel een groet voorkomen aan zijn adres.

Dat Petrus met het hoofd omlaag in 67, onder Nero, aan een kruis is gehangen en zoo den marteldood is gestorven, mogen we met zekerheid aannemen.

De andere apostelen hebben vroeger dan Petrus en Johannes Jeruzalem verlaten en waren waarschijnlijk werkzaam onder de in verstrooiing levende Joden.

Tegen het einde der Apostolische eeuw bestaat reeds het meerendeel der gemeenten uit heiden-christenen. Ze zijn gevestigd in het beschaafdste deel der toenmalige wereld, in KI. Azië en de streken rondom de Middellandsche Zee.

Paulus. Als een ster van de eerste grootte schittert Paulus, die op buitengewone wijze tot het Apostelschap geroepen, met recht „de Apostel der heidenen" genoemd mag worden.

Bekeerd op den weg naar Damascus, wordt hij door Ananias te Damascus gedoopt en hoort daar hoe de Heere hem tot een groot werk geroepen had. Hij predikt aanstonds in de Synagoge, daar getuigenis afleggend van zijn geloof in Christus.

Vandaar ging hij naar Arabië, waarschijnlijk om zich in de eenzaamheid verder te bekwamen tot zijn taak (Gal. 1:17).

Na drie jaar vinden, we hem weer te Damascus, waar nu de haat der Joden losbarst. Met vriendeuhulp kan bij nog vluchten om naar Jeruzalem te gaan, waar hij 15 dagen blijft (Gal. 1 : 18) en vooral voorspraak van Barnabas, van Cyprus, ondervindt. Doch hij moet vluchten omdat de vijandschap van de Joden, eerst zijn vrienden, nu zijn vijanden, schrikkelijk tegen hem uitbreekt. (Hand. 22 : 17, 21). Hij gaat naar Caesarea en vandaar, naar Syrië en zijn vaderstad Tarsen, waar hij het Evangelie verkondigt.

Barnabas brengt hem later te Antiochië, waar de moedergemeente van de christenen uit de heidenen werd gevonden en waar heerlijk verstaan werd dat Christus' Kerk niet beperkt was tot het Jodendom, maar voor alle natiën bestemd.

Toen kwam de H. Geest en zeide: Zondert Mij af beide Bèrnabas en Saulus, tot het werk waartoe Ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. Deze dan, uitgezonden zijnde van den H. Geest, kwamenaf tot Seleucië en vandaar scheepten zij af naar Cyprus." Hand. 13 : 2—4.

Dat is het begin van de 1ste Zendingsreis in de landen van het Westen (in gezelschap van Jonannes Marcus, die evenwel onderweg terugkeert), welke ons beschreven staat in Hand. 13 : 2 — Hand. 21:15, en valt tusschen de jaren 48—50 n. Chr.

Op het eiland Cyprus (het geboorteland van Barnabas) mag den landvoogd, Sergius Paulus, het Evangelie verkondigd worden, die als eersteling des oogstes wordt binnengehaald.

In Pisidië en Lycaonië werden onderscheidene gemeenten gesticht en ondervond men zooveel zegen, dat Paulus, tot de broeders terug koerende, kon verklaren, dat God den heidenen de deur des geloofs had geopend.

In de jaren 52—54 ondernam Paulus zijn 2de Zendingsreis met Silas en Lucas. De reis brengt hen andermaal door KI. Azië, terwijl daar dan het verlangen der Grieken, die, hunne goden moede, in hun eigen wegen ellendig waren geworden, hen te Troas in een nachtgezicht tegemoet komt.

Hij stak naar Europa over en stichtte daar onder den verborgen zegen van het kruis, onderscheidene gemeenten, te Filippi, Thessalonica, Berea. Terwijl hij te Athene, de stad der wetenschap, den onbekenden God predikte.

Te Corinthe, niet slechts de toongeefster van weelde en mode, maar ook in haar tempel van Aphrodite, de voorgangster zoowel in wellust als in godsdienst, had de Heere veel volks. De arbeid van Paulus aldaar, in zwakheid, vrees en beving begonnen, werd eerlang bekroond door de stichting eener talrijke gemeente, die hij het zegel van zijn Apostelambt noemde.

In de jaren 55—58 ondernam hij zijn 3de Zendingsreis vergezeld van Lucas, Titus en zijn getrouwen geestelijken zoon Timotheus. Voornamelijk in Efeze, waar hij het heidendom diepe wonden toebracht, vond hij zijn arbeid en vormde zich in deze stad een gemeente, die de moeder werd van vele dochters in KI. Azië. Van Efeze uit bezocht hij Macedonië, drong door tot in Illyiicum toe (Rom. 15 : 19), bezocht de reeds gestichte gemeenten in Griekenland, wenschte op zijn terugreis Rome te zien, doch ging eerst naar Jeruzalem om er het Pinksterfeest te vieren.

De gemeente aldaar verblijdde hij met de door hem meegebrachte collecte uit de heidengemeenten (Rom. 15 : 26—28); ook bracht hij daar een levend Pinksteroffer, bestaande in zeven eerstelingen uit den Zendingsoogst. /Hand. 20:4).

Door de Joden aldaar echter aangeklaagd, begonnen voor hem de banden en verdrukkingen, waarvan de H. Geest op de terugreis, van stad tot stad had getuigd.

Hij werd gevangen genomen te Jeruzalem en om aan een samenzwering tegen zijn leven te ontkomen door Lysias naar Caesarea gezonden.

Twee jaar lang zweefde het zwaard van den Landvoogd boven zijn hoofd, alleen nog gespaard, omdat Felix hoopte van de Christenen geld te zullen ontvangen voor zijn vrijlating. De Apostel beriep zich, na zich eerst voor den Stadgouder Felix en daarna voor Festus verantwoord te hebben, op den keizer van Rome.

Na veel wederwaardigheden kwam Paulus te Rome en woonde daar in een eigen gehuurde woning, bewaakt door een krijgsknecht, onverhinderd het Evangelie predikende aan Joden en heidenen.

Of hij na dien tijd bevrijd is en andermaal KI. Azië heeft bezocht, of ook nog naar Spanje is geweest, valt niet met zekerheid te vermelden. Voor de tweede maal schijnt hij gevangen genomen te zijn en in het jaar 64 is hij als Romeinsch burger onder keizer Nero met het zwaard gedood.

Zijn zwanenzang is : „Ik word nu tot een plengoffer geofferd en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad."

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ned. Herv. Jongelingsbond.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's