De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

4 minuten leestijd

Een heerlijk Verbond.

(Auteursrecht voorbehouden).

't Is 't laatst van October, anno 1568. Woeste stormen razen over de velden van Zuidelijk Brabant; de koude regen straalt onophoudelijk neer, doordrenkt den bodem, doorweekt de kleederen, gutst van de daken, dropt van de boomen — 't is een troosteloos gezicht.

Twee ruiters, diep weggedoken in hun mantels, rijden zwijgend naast elkander. Ze zijn in volle wapenrusting, maar kleederen en wapenen dragen sporen van langdurig gebruik en zijn blijkbaar slecht onderhouden, terwijl 't aan de paarden te zien is, dat ze sinds lang geen warmen stal hebben gehad.

Een der twee, die aan de linkerzijde rijdt, waagt een opmerking.

„'t Is of de regen nooit ophouden zal!" zegt hij, om het drukkende stilzwijgen te breken.

Nu richt ook zijn metgezel het hoofd op. Het is een man in de kracht zijns levens, van een rijzige gestalte, gebruind in 't gelaat, met donkere, doordringende oogen. In den regel is zijn aangezicht minzaam en inne­ mend, maar nu staat het stroef en stuursch.

„Al dé elementen zijn tegen ons. Jan!" barst hij uit. „Niets dan ongeluk overkomt ons op dezen heilloozen tocht ! Waart ge maar stil op den Dillenburg gebleven—het is een verloren zaak!"

Graaf Jan kan het niet tegenspreken! Nog nooit was een onderneming zóó hoopvol begonnen en in enkele weken zóo smadelijk geëindigd. Het was geen nederlaag; het was een vernietiging. Hij had het spel volkomen gewonnen: Alva triomfator! De vrijheid der Nederlanden was er de inzet van geweest. En Willem van Oranje, die 't verloor, — hij, de schitterende edelman, de evenboortige van vele vorsten de rijkste onder de rijken hij was een berooide vluchteling geworden, die geen geld had voor een slaapstee!

Met een koninklijk heir was hij in September uit Duitschland opgetrokken. Het eerste begin scheen voorspoedig. Met verschillende 'Luiksche edellieden knoopte hij betrekkingen aan; bij Roermond voerde hij zonder brug of ponten zijn leger over de Maas; binnen weinige dagen stond hij in 't hart van Brabant: éen enkele overwinning op Alva en in alle ©orden des lands zou de opstand uitbreken....

Maar Alva waagde geen strijd. Hij hing den Prins op de flanken, bestookte zijnachtertocht; verschalkte zijn voorhoede, maar tot een geregelden slag, dien hij verliezen kon, liet Alva het niet komen!

Zoo gingen de weken voorbij. Ziekte en gebrek teisterden 's Prinsen leger. In den verren omtrek hadden de Spanjaarden allen leeftocht weggebracht of verbrand; de gemeenschap met Duitschland was verbroken... zelfs de ijzers hadden Alva's soldeniers uit de molens genomen — het gruwzaam spook van den honger rammelde met een ijzeren keten door 's Prinsen leger.

Het schitterend heir van meer dan 7000 ruiters en 20000 voetknechten smolt weg als sneeuw in den sijpelenden regen! De manschappen stierven als muizen op het veld, of werden door de Spanjaards uit honderd hinderlagen doodgeschoten of door het vertwijfelde landvolk neergeknuppeld, waar ze op den weg maar even achterbleven.

„Al deze dingen zijn tegen mij!" mocht Oranje wel klagen.

En 't ergste was, wat hem de menschen aandeden!

Als hij maar éérst met een leger in 't veld verscheen — dan zouden van alle kanten, welgewapend, de landzaten toesnellen. Stad na stad zou hem toevallen. Aan't hoofd van een eendrachtig volk zou hij staan tegenover den gehaten Spanjaard zóo was hem beloofd: Nederland en Oranje zouden samen overwinnen óf ondergaan!

Zelden is de hoop zóo beschaamd geworden ! Dat is de bitterste droppel in den beker.

„Ik ben de rivier overgekomen, " zegt de Prins, „maar geen enkele stad heeft mij hare poorten geopend; thans mogen zij loon naar werken ontvangen!"

Driehonderdduizend blanke rijksdaalders waren hem beloofd uit Holland, zoodra hij met een leger in 't veld zou staan.... wat er gekomen is, kunnen hij en zijn broeder Jan wel in hun maatelzakken bergen!

't Was den Prins gegaan als Mozes. Hij had gemeend, dat Nederland zou verstaan, hoe God het door zijne hand van de Spanjaarden wilde verlossen. Zij hadden het misschien verstaan, maar zij hadden het niet gedurfd; zij lieten hem alleen staan tegenover Alva, den meedoogenloozen landvoogd!

Willem van Oranje was den ondergang nabij. De terugtocht naar Duitschland was hem afgesneden; Luik weigerde hem den doortocht. Alleen de woeste en onherbergzame Ardennen boden hem tijdelijk een. schuilplaats en een kans ter ontkoming naar Frankrijk.

't Waren de donkerste dagen uit 's Prinsen leven!

{Wordt vervolgd.')

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 februari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's