De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

De groote God en het kleine kind.

»Uit den mond der kinderkens « Ps. 8:3a.

Hebt gij er wel eens op gelet, dat de dichter van Ps. 8 het kind zet midden in de lofprijzingen Gods, die er dagelijks uitgaan van hemel en aarde, van zon, maan en sterren, van menschen en beesten?

Het kind behoort er óok bij. Dat moet God óok prijzen. Opdat de vijanden van God en Zijn dienst beschaamd zullen worden.

God is groot. De Heere regeert. „O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw naam op de gansche aarde! Gij, die Uwe IMajesteit gesteld hebt boven de hemelen."

Gods Majesteit schittert hier beneden. Zijn glorie rijst óp, hoog omhoog. De Heere is groot. Alles is te klein om Zijn grootheid te omvatten. En als de vijanden Gods dat niet zien en willen erkennen, dan heeft de Heere het alzoo besteld dat er uit der kinderen mond een krachtige lof zal uitgaan tot eere Zijns Naams! .''

O! wat een heerlijklieid, als we den hemel en de aarde aanzien, de zon, de maan, de sterren — alles 't werk van Gods vingeren!

De zou jubelt dagelijks, in feestkleed uit haar slaapkamer te voorschijn komend en triomfantelijk zich zettend op haar brandenden lichtwagen, Gods glorie uit, van Oost tot West.  En als de bleeke maan, met haar zacht schijnsel lachend uit den diepen hemel neer ziet, dan is het om in onze ziel in te schrijven: God is groot!

O! als de sterren schitteren als duizende en duizende booglampen aan den wijd gespannen, azuren hemel, dan schrijven ze te zamen in goddelijk schrift: prijst den Heere !

Wandelend langs het veld, met een kostelijk tapijt bedekt, rijk doorweven van bloemen wit en geel afstekend op den groenen grond, hooren we de rustig grazende kudden vertellen, wat ze vroeger ook aan Job hebben ingefluisterd, dat God hen gemaakt heeften dat de Heere hen voedt. (Job 12:7—9.) Waarbij de leeuwerik, wild omhoog steigerend, om vlak bij de zon te komen, vér over het land laat hooren: oof den Heere, Wiens barmhartigheid zeer groot is.

En zetten we onze voeten aan het strand, om ons oog te laten dwalen over de wijde zee, hoe groot zijn 's Heeren werken! Terwijl de historiebladen, voor ieder die ze doorzoekt, vermelden: de Heere regeert, Hij is met hoogheid bekleed.

Als we onze oogen en onze ooren maar ópen mogen hebben door genade, dan prijst alles den Heere.

Dan is het wat Ps. 8 zegt: „o HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde."

En bij dat alles, zegt de Psalmist, zullen de tegenpartij ders Gods Hem de eere Zijns Naams onthouden. Zij zullen Zijne grootheid ontkennen.

Maar dan zal de Heere maken, dat het kind van deze dingen hoort en van deze dingen ziet. En er zal uit der kinderen mond een sterke en krachtige lof uitgaan om Hem te eeren, die alles gemaakt heeft en in het rijk der natuur, maar meer nog in het rijk der genade, groote wonderen doet.

Zelfs de zuigeling moet meedoen om een stille sprake van Gods merken te doen uitgaan. Het kind wil God gebruiken. Als een wonder van Gods schepping moet het kind God loven. Als een voorwerp van Zijn genadebemoeienissen moet het kind Zijn roem vermelden. Als een wicht, waarover God Zijn verbond wil doen gaan ten leven, moet dat kleine menschje Zijn glorie verhoogen in het midden van de wereld.

O! hoe schittert in dat kleine kind de grootheid van Gods werk.

En dan wil men het kind in onze dagen van dien God scheiden; met geweid scheiden; op staatsbevel scheiden; opdat het kind van God niet hoore, opdat het kind niet bidde, opdat het kind niet zinge ter eere des Heeren, opdat het kind vreemd zal blijven aan Gods werken en aan de heerlijkheid van Zijn genadearbeid.

En men heeft het voor een' groot deel bereikt, dat onze gedoopte kinderen Gods lof niet meer verkondigen. Niet meer op schooi. Niet meer in huis. Niet meer op de straten!

Kleine kinderen worden vatbaar gemaakt en toebereid om in andere dingen zich te gaan verblijden, dan in de dingen van Gpds Koninkrijk.

Uit der kinderen mond komt niet meer de lofzang voor der kinderen Vriend en der kinderen Heiland, Jezus Christus.

Maar de Heere heeft zich nog willen ontfermen over de kinderen.Hij grijpt weer naar de kinderen. Hij wil ze weer brengen onder de beademing van Zijn Woord op Scholen met den Bijbel. Hij laat ze weer meezingen met de maan en de sterren, zon. Hij laat ze weer meegetuigen met de beesten des velds, met de vogelen des hemels, met de visschen der zee.

De groote God heeft er nog lust in, dat kleine kinderen ook zullen hooren van Zijne groote wonderwerken. Die kleine ooren moeten die klanken opvangen; die kleine harten wil de Heere maken tot voorwerp van Zijn bemoeienissen. Hij beveelt: vergader Mij de kinderen en Ik zal tot hen spreken; gelijk de Heiland getuigd heeft: „laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods."

Als een wonderdoend God wil de Heere zich betoonen, die reeds bij den doop van zuigelingen wil bewijzen, dat Hij ook omziet naar de kleinen. Ja, dat Hij het zaad der Gemeente zoekt en zegt: het zijn Mijne kinderen en ze mogen niet aan den Moloch dezer eeuw geofferd worden.

De Heere ijvert over die kinderen der Gemeente. Hij wil Zijn Verbond oprichten in het midden Zijns Volks, gaande over de kleinen. Hij. wil Zijn Naam voortplanten, van geslacht tot geslacht.

Waarbij Satan rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wien hij zou - mogen verslinden, zich bizonder werpend op de kinderen, om den Heere, zoo mogelijk, het voortplanten van Zijn heiligen Naam te verhinderen en triomfantelijk te kunnen zeggen: de geslachten, door U begeerd, zijn mij onderworpen en volgen mij na in de wegen des doods. (Jeremia 9 : 21.)

Neen — de Heiland heeft niet te vergeefs zoo ernstig gezegd: verhindert ze niet!

Want Hij zag Satan uittrekken om de aarde te doorwandelen en scheiding te maken en scheiding te houden tusschen de kinderen en Hem, den - Zaligmaker der wereld.

En Hij wist het, dat velen van dé groote menschen daarin Satan zouden dienen, om de kinderen in den weg te treden en hen te verhinderen om met Gods Woord bekend gemaakt te worden en raet Jezus in aanraking te komen.

Daarom die ernstige waarschuwing aan de groote menschen: verhindert den kleinen toch niet tot Mij te komen, want onder die kleinen heeft de Heere de burgers voor Zijn Koninkrijk.

Of de Heere die kleinen dan tóch niet kan bereiken, al verhindert men dien kinderen van God en Zijn dienst te hooren?

O, zeker wel! De Heere werkt Zijn raad uit tot in eeuwigheid en werpt daarbij ten slotte óm, alles wat Hem in den weg treedt.

Maar omdat het zoo vreeselijk is voor de ouders, voor de onderwijzers en voor allen die met het kind in aanraking komen, om het kind af te houden van den weg der onderwijzing naar Gods Woord, waarschuwt de Heiland zoo ernstig en zegt: Wacht u toch voor die gruwelijke zonde, waarover de Heere, die heilig is, zoo grootelijks zal toornen.

Daarom zullen wij onze kinderen niet moeten verhinderen naar Gods Woord onderwezen te worden. In huis en in de school ligt de eisch Gods: onderwijs hen in gehoorzaamheid aan Mijn Woord; in de dagen der week en op den Sabbathdag.

En de Heere klaagt er over wanneer het niet gebeurt. Dan wordt Hij niet gediend. Dan eeren de ouders Hem niet en prijzen de kinderen Hem niet. Dan gaat het volk verloren, omdat er geen kennis is. (Hosea 4 : 6a.) Dan zegt de Heere: omdat gij Mijn wet verworpen hebt, zal Ik ook u verwerpen en Ik zal uwe kinderen verlaten. (Hosea 4 : 66.)

Daarom zal het beter zijn, wanneer in huis en in de school onzen kinderen mogen worden voorgesteld de wonderen Gods in het rijk der natuur en in het rijk der genade in Christus geopenbaard (Deut. 4 : 9.)

Zouder God kunnen ze niet leven. Zonder Christus kunnen ze niet zalig worden. Zonder Gods Woord kunnen ze nooit hun weg wél aanstellen.

En daarom moeten ze onderwezen worden naar de Schriften, voorgesteld worden aan den Christus Gods — waarbij de God des Verbonds, die groote wonderen doet in het rijk der natuur, groote wonderen der genade wil openbaren onder de kinderen.

Ja — onder de kinderen. God zegt het. Jezus zegt het.

Voor de kinderen is iets weggelegd van Gods ontfermen. Onder de kinderen wil de Heere zoeken naar burgers voor het eeuwig Koninkrijk der heerlijkheid. Van de kinderen vraagt Hij, dat ze in eenvoudigheid, ongekunsteld, nog zullen spreken van Zijne groote daden.

En daarom ijvert Hij over de kinderen. Wat voor ouders en onderwijzers, die den Heere mogen vreezen en gewillig in. Zijn geopenbaarden weg mogen ingaan, een pleitgrond mag wezen, om op den Heere aan te loopen en te vragen: och, dat de kinderen nog mochten getuigen: „o HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde."

[arbeid een aantal owepdrukken van bovenstaand stukske hebben willen ter verspreiding in de huisgezinnen, laat men het dan den schrijver p.o. even melden, met opgave van het aantal exemplaren. De onkosten zullen dan zéer gering zijn, indien een groot aantal besteld wordt.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 1912

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's